Posts

Er worden posts getoond met het label actualiteit

Algemene kennis

Ze duwden de blinkende jonge mensen een foto onder de neus en vroegen hen wie het was. Het was dinges, die man met zijn grijze haren, die schriele van de CD&V, broer van, dat ik er verdorie zelf niet op kan komen, de grote baas van de Europese Unie of hoe noemen ze dat in grotenmensentaal? Hoe dan ook, ze trokken een conclusie: het was slecht gesteld met de algemene kennis van de leerkrachten, of waren het nu studenten? Ik weet het niet meer. Ze zagen er nog ongeschonden uit, dus ik neig naar het tweede. Ik was met een half oor aan het luisteren, omdat ik hevig aan het zoeken was naar de man op de foto, dinges, u kent hem vast, hij lijkt als twee druppels water op de baas van Homer Simpson, die pokdalige man met zijn scherpe haakneus, dinges. Iemand heeft hem ooit een grijze muis genoemd, de man van de foto, en grote bazen moeten blijkbaar charisma hebben, maar hij haalde stoïcijns de schouders op en dat sierde hem. Hij schrij...

Madame 21

Ik geloofde er niks van. Natuurlijk geloofde ik er niks van. Of zagen jullie me echt aan voor zo’n hysterisch vrouwmens waaraan een vermoeide medewerker van de sterrenwacht drie keer moest uitleggen dat er geen complot was, en dat als het toch waar moest geweest zijn, hij wel wat andere dingen zou doen dan in een stoffig kantoor bange mensen zitten gerust te stellen. Als ik ze zelf niet verzonnen heb, geef ik geen donder om complotten, zelfs niet die met desastreuze afloop. Meer nog, ik begreep niet eens waarom er zoveel aandacht aan dat vermaledijde getal moest besteed worden. Je kon er gewoon niet langs kijken of luisteren, zelfs al zou je dat gewild hebben.   “Tot volgende week,” zeiden de mensen en vervolgens al dan niet ernstig: “Als we er dan nog zijn tenminste.” Na een overdosis 3 keer 12   was het ineens één en al Maya’s en 21. Van alle kanten werd je bestookt: krant, televisie, facebook, twitter, aan bushaltes, in de rij aan de kassa,... . En dan, het ontluis...

Kort nieuws

Er was een tijd dat ik elke dag de krant las. Nogal trouweloos: ik ruilde zonder enige gêne De Morgen in voor De Standaard of Het Belang. Ik keek zelfs elke dag naar het journaal. Kwestie van het overaanbod aan brandhaarden niet dooreen te haspelen tijdens het betere tooggesprek. Soms, en dit beken ik met enige schroom, at ik mijn boterhammen op terwijl er zich voor mijn neus grote drama’s afspeelden. Niet dat de miserie langs mij afgleed als water van een eend. Ik ben niet van steen. Maar een mens moet op tijd en stond toch eten. En toen kwam het kind. Het had zich nog geen negen maanden veilig kunnen wanen in de moederbuik. Het verliet de schuilkelder te snel. Saignant was hij. Fragiel. Armpjes en beentjes die te broos leken om te knuffelen. Roodharig. Zelfs zonlicht kan bedreigend zijn dan. De media had het over de opwarming van de aarde. Om maar te zeggen: ik kon niet meer kijken naar het journaal. Ik kon het niet opbrengen om door dat gordijn van ellende te gaan. Was dat de wereld...

Een moeder

Antonio Vallejo Najera, fluistert ze met opeengeklemde kaken, alsof ze de naam samen met de man tussen haar gebit wil vermalen. Een psychiater, zegt ze. Een man, zuiver van geest, zou u misschien denken, want een wetenschapper. Hij had een theorie: marxisme was een ziekte. Ik ben tweeënnegentig jaar nu. Kijk naar mij. Kijk. Ik leef nog. Het is geen dodelijke ziekte blijkbaar. Señora Maria blijft met een dunne, kromme vinger de rand van haar koffiekopje volgen als wilde ze het verleden bezweren. De bevindingen van de wetenschapper werden overgemaakt aan Franco, zegt ze. Die ademde tweemaal in en uit en de nieuwe wet was een feit. De kinderroof gerechtvaardigd. Om maar te zeggen: zo snel kan het gaan. In mijn buik groeit ondertussen het kind, terwijl de wet als het zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt. Wij houden ons gedeisd, maar de oren hebben muren. Mijn man Juan, hij duwt zijn lippen tegen mijn ronde buik en roept: mijn kleine dwarsligger, je wordt net zoals je vader! De...

Het einde van het verhaal

Ik zit vast. Muurvast. Met de beste wil van de wereld valt er geen bevredigend einde aan mijn verhaal te bedenken. Daarom schakel ik twee experts in: mijn verzinkinderen. Poppy Shakespeare is vooral goed in het ‘verdroefd’ maken van verzonnen personages waarna ze hen nogal koelbloedig van een berg (tafel) laat tuimelen of doet verdrinken (bad), daarbij onaangedaan verkondigend: “En toen was hij dood!” Waarop haar teergevoelige broer Christus telkens ingrijpt met een: “En toen werd hij ineens terug levend!” We staan met de auto voor de spoorweg te wachten en terwijl met lange tussenpozen drie treinen ons voorbij daveren begin ik te vertellen (om te voorkomen dat u halverwege in slaap valt, heb ik het verhaal enigszins aangepast aan uw gezegende leeftijd, beste lezer): Er was eens een land. ’t Was pertang niet groter dan een knoopsgaatje en ’t was er plat, heel plat, behalve in het midden van het land, daar torende het hooggebergte ‘de Vanille’ boven alles uit. De Vanille was geen...

De kardinaal en het vogeltje (of Godfried en de mus)

De kardinaal kijkt door het raam. Twee vogeltjes spelen tikkertje in een boom. Een lieflijk tafereel dat hij in rustiger tijden gaarne gadesloeg, maar vanbinnen in hem roert er zich nu van alles. De onrust borrelt zuur omhoog in zijn maag. Na het verhaal van Roger was hij uit de lucht gevallen. Niet als een engel, nee. Als een stom stuk graniet tegen de vlakte geslagen en verdoofd blijven liggen. Natuurlijk was hij uiteindelijk toch in beweging gekomen en vertrokken, maar hij kon bij god niet recapituleren hoe hij thuis geraakt was. En wat er door zijn hoofd gevlogen was onderweg. Ergens ligt hij daar nog steeds, in totale verbijstering. Sindsdien zit er een vloek in Godfried. Hij onderdrukt het, natuurlijk, zoals hij dat in gezelschap doet met een boertje na het eten. Maar weg is het niet. 't Zit daar blijkbaar goed. Om hem te pesten. Of te testen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. De vogels lijken met elkaar te praten. De maakt hem enigszins nieuwsgierig en hij opent het raam....

Communautaire knuffels

Onderweg van school naar huis komt er een man langs me lopen. “Heb je dat gezien?” vraagt hij. De verontwaardiging spat van zijn gezicht af. “Schandalig is het. Heb je gezien hoe hard ze hier rijden vlak aan een school?” Hij schudt zijn chagrijnige kop, trekt diepe rimpels in zijn voorhoofd. Het is hem aan te zien dat hij dat al eerder heeft gedaan. “Huhu,” mompel ik, want ik moet eerlijk bekennen dat ik het niet gezien heb, maar ik denk er niet aan om zijn woorden in twijfel te trekken. “Een man die 140 rijdt naar zijn werk in Leuven. Die pakken ze wel. Die mag zijn centen gaan neerleggen. Terwijl ze het hier allemaal laten gebeuren. Hier mag dat allemaal.” Verongelijkt trekt hij zijn mondhoeken nog verder naar beneden. Een mens wordt daar niet schoner van. “Huhu,” knik ik halfhartig. “En tegen die bruine mannen doen ze al helemaal niks. Die mogen alles.” Huhu? Hoe zijn we ineens bij ‘die bruine mannen’ beland? Ik word kriegel als ze zo beginnen. De kinderen huppelen een paar...

Sterrenstof

Monsters bestaan niet. Spoken ook niet. Regelmatig onderwerpen mijn kinderen het kruim van de magische mormels aan een grondig onderzoek. Of heksen bestaan? Enkel in verhalen. Draken? Nee, beslist mijn dochter die al geen angst meer heeft in het donker, draken zijn maar alsof. Nu hoeven ze dus werkelijk nergens meer bang voor te zijn. Prins houdt zijn hoofd schuin en kijkt me hoopvol aan. “Dan bestaan dieven misschien ook niet echt.” Met veel tegenzin erken ik het bestaan van dieven. Maar, voeg ik er vastberaden aan toe, bij ons komen er geen dieven. Mijn engeltjes leven in een sneeuwbol, een lieflijke miniatuurwereld waar je als een god maar even hoeft mee te schudden om het zilverige sterrenstof van Tinkerbel te laten neerdwarrelen. Waarom zou ik twijfel zaaien in hun zuivere kinderhartjes? Laat ze maar zorgeloos op blote voeten door de tuin rennen. De kloppende hartjes van het pas gemaaide, groene, malse gras tussen hun tenen voelen. Dauwparels plukken. Klimmen in de bomen, die...