Posts

Er worden posts getoond met het label over mij

Wijvenweek (2) - Schuld

Vandaag moest ik voor de rechtbank verschijnen. Mij werd ‘diefstal van momenten’ ten laste gelegd. Nog voordat mijn zitvlak het beklaagdenbankje raakte, stak de aanklager al van wal. “Bewijsstuk nummer één,’ riep hij een toonde het publiek een pan met gestold vet. “Is dit uw pan?” vroeg hij en keek daarbij iets te zelfvoldaan naar mijn goesting. “Ja, maar…, wierp ik tegen. De aanklager legde me echter snel het zwijgen op: “Enkel antwoorden met ja of nee, mevrouw.” “Ja,” piepte ik. De pan, zo stelde het heerschap, stond daar al een avond, een hele nacht én een hele dag te verkommeren op een   - hij haalde luidruchtig zijn neus op – aangekoekt fornuis. Helaas was dat bewijsstuk iets te onhandelbaar gebleken om naar de rechtbank te sleuren.   Maar daar werd verder niet op ingegaan, stelde ik enigszins verongelijkt vast. Zo begon het dus. En daar bleef het niet bij: de aanklager loodste het publiek van de pan naar de verminkte en geschroeide strijkplank die artritis in haar ...

Fragmenten Frankrijk (6)

And where will we hide, when it comes from inside? (J. Taylor) 15/7/2011 29. Buiten schijnt de zon, maar in mijn hoofd drijven wolken rond. Deze nacht heeft iemand de spiegel in de badkamer vervangen. Dat moet wel, want ik zie eruit als een trol. Mistroostig pluk ik aan de kleren in de kast. Haal er verschillende kledingstukken uit, die ik zuchtend weer op de kapstok hang. De lucht is blauw genoeg, maar in mijn kop gutst de regen. Of had ik dat al gezegd? Ik ben zo opgestaan, met dit lijf, dat als een walrus via de duistere golven van een droom op mijn bed moet zijn aangespoeld. De ganse dag zal ik het moeten meesleuren, terwijl ik het liefst van al mezelf bij het kadaver van de vlinder had gedumpt. Want het giet in mijn binnenkant; dikke druppels die in bellen veranderen als ze de bodem raken. Of had ik dat misschien al verteld? Zus fladdert in de gang rond in een babydollachtig jurkje met grote bloemen. Er is mij onlangs iets opgevallen: als zus buiten komt, klaart het op. Het ...

Your skin makes me cry

In de auto op weg naar de bank. Ik luister naar twee stuntelende kandidaten die meedoen aan een quiz op Studio Brussel. Ze slagen er niet in om bij de begintonen het juiste lied te plaatsen. Nirvana, zegt er één. The Seks Pistols, denkt de ander luidop. ‘O gij, dwazen!’ roep ik. ‘Een hond met een dubbele oorontsteking kan zelfs horen dat het hier om Creep van Radiohead gaat!’ Zelf ken ik, net zoals de twee deelnemende sufkoppen, de antwoorden op de daaropvolgende vragen ook niet. Op de één of andere manier is het mij ontgaan dat de rode onderbroek van het nieuwe supermanpak gaat sneuvelen. Die hele superman laat mij trouwens siberisch koud. Zelfs zonder onderbroek. U had toch ook al van het begin door dat Clark Kent en hij één en dezelfde persoon waren? Van hetzelfde laken een broek bij Zorro. Ik heb het al eens eerder geschreven in een ander verband: ze mogen mij veel wijsmaken, graag zelfs, maar ik moet het wel geloven. Na de quiz laten ze bij Studio Brussel het hele nummer op ons...

Mijn brein

Ik schrijf op mijn hand: een woord, een beginletter. Een blad papier kan natuurlijk ook dienen. Maar papier raakt kwijt en mijn hand hangt vast. In tegenstelling tot mijn horribel hoofd. Dat heeft de vervelende eigenschap om te vergeten waar ik dingen leg. Alles wat niet te groot of te zwaar is, komt daarvoor in aanmerking. Let me line up the usual suspects: mijn sleutelbos, de gsm, allerlei paperassen (waardoor ik sinds kort weet dat het precies negen Euro kost om een duplicaat te laten maken van de loonfiche die je nodig hebt om je belastingsbrief in te vullen), de helft van een paar kousen, een paraplu, een pas gekocht doosje met panty’s (dat ik terugvond bij het oud papier tijdens de zoektocht naar de loonfiche),… Maar er is meer aan de hand. Ik vergeet ook woorden. Sommige van hen verkiezen met stugge volharding om op mijn tong te blijven liggen. Daar sta ik dan op een woensdagvoormiddag aan een kraampje een beetje hulpeloos te wijzen naar… naar…, nee, dat daar, nee…. De blozend...

Gekrompen

Ik neem plaats in de bus op het zitje achter de ruimte die voorzien is voor de kinderwagens. Een slechte keuze. Mijn voeten raken de vloer niet. Als ik mijn zitvlak naar voren schuif, kan ik eventueel met de tippen van mijn schoenen de grond kussen. Ik ben geen vijftien jaar meer en schuif mijn zitvlak snel terug naar achteren. Telkens wanneer de bus vertraagt of versnelt, wiebelen mijn benen. Ik lijk wel zes. Vijf minuten eerder spreek ik aan de bushalte een roodharige vrouw aan. Ze lijkt op iemand van heel lang geleden, maar ze is het niet. Dat laat ze me uiterst minzaam weten. “Ik organiseerde daar toen een tekenatelier,” ratel ik verder tegen de vrouw, die zo klein mogelijk glimlacht en af en toe haar frêle schouders ophaalt. Ze heeft precies dezelfde bos rode krullen en dezelfde felblauwe ogen met donker aangezette wuivende wimpers. Waarom doet ze nu zo moeilijk? Waarom kan ze niet gewoon die vrouw van toen zijn? Eenmaal in de bus diept ze uit haar tas een agenda van een indrukwek...

Navel

Tien jaren geleden. Ik wandel op wankele benen van het ziekenhuis naar ons appartement. Even daarvoor hebben ze terwijl ik slaap een mislukte garnaal uit mijn baarmoeder verwijderd. Thuis buig ik me over het vraagstuk: ‘waarom heeft iemand pijn aan iets wat er niet meer is’ en probeer in de rode zetel met kussens een baarmoeder voor mezelf te maken. De televisie mag aan, het geluid gedempt, alsof de buitenwereld door een moederbuik gefilterd wordt. Vanuit een ooghoek zie ik een vliegtuig een toren doorboren. Het is te vroeg voor actiefilms, denk ik en zap naar een ander kanaal. Daar staat de toren ook te branden. Het beeld blijft zich van het ene naar het andere kanaal voortplanten op mijn scherm. Ik leg mijn verdrietige en broze gedachten even het zwijgen op. Ik luister. En kijk. De hele dag blijf ik luisteren. En kijken. Naar het tweede vliegtuig. En de tweede toren. Naar de vuurwolken en de brandweerwagens. Naar de wegvluchtende mensen onder het stof. Naar dat stof dat op neerdwarr...

Last van E=mc²

‘Ik moet flink in de rij gaan staan.’ Eerder toevallig stoot ik in een kladboekje op twintig strafregels, uitgevoerd in het kriegelige handschrift van mijn zevenjarige zoon. Het verbaast mij enigszins dat men sinds de blitse opkomst van de time-out-stoel in het onderwijs de strafmantra nog toepast. Hier en daar heeft zoonlief er inventief een witregel tussen gefoefeld en de ‘flink’ is er na regel twaalf ook bij ingeschoten. Ik vind dat nogal geestig. De vriend van mijn zoon die zelf eerder het zwijgzame type is verschaft mij gewillig de context rond de strafregels. Prins had B. gestampt. Ik kon me daarbij perfect voorstellen dat het quasi onmogelijk was om én flink in de rij te staan én tegelijkertijd iemand aan te vallen. Maar blijkbaar had even tevoren B. eerst zijn vriend geslagen. Wat de juf niet gezien had. En iets is natuurlijk alleen maar ‘niet flink’ als het door de zintuigenpoort van de juf gaat. Dat is zo. Daar zijn hele filosofische theorieën rond opgebouw...

Vulkaan

Heel veel is er niet voor nodig. Een automaat die het waagt mijn bankkaart in te slikken. Regen. Een trojaans paard. Even roeren en mama wordt vulkaan. Een zure vulkaan dan nog wel. Dat bestaat, ik heb het opgezocht op wikipedia. Die kunnen het beste spuwen. Je wil niet in hun buurt zijn als die wakker worden, want wat het dichtste bij staat, zal er het eerste aan geloven. “Wanneer komt papa terug?” vraagt prins. Een heel legitieme vraag. We wachten op zijn vader, omdat we de auto nodig hebben. Helemaal niets mis met die vraag. “Om elf uur,” grom ik. “Bedoel je dan elf uur nul nul?” Prins draagt sinds kort het digitale horloge van zijn vader en hij is lichtjes bezeten door tijd. “Dat is hetzelfde, zoon, maar je zegt gewoon elf uur.” Het magma roert zich vanbinnen. Want iemand moet naar de bank gaan. Voor die kaart dus. Ingeslikt. Omdat ik hem er vergeten ben uit te halen. En ik had verleden week in een verstrooide bui nog wel dankjewel tegen diezelfde automaat gezegd toen h...

Tandbederf 1 juli 2010

Oma en opa hebben een sprookjestuin met spannende verstophoekjes, een boomhut met ramen, landkaarten, boekenleggers, schatkisten en een bureau erin. Bij hen is er ongelimiteerde waterpret en elke beginnende oorlog wordt vakkundig met gesuikerde en andere afleidingsmanoeuvres in de kiem gesmoord. Vandaag is het aan mij. Ik val uiteraard nog liever dood dan één of ander vuil, tandbedervend trucje te gebruiken. En omdat bij deze heksenmoeder elk spatje chaos een bron is van ongeduld en gekijf, heeft ze gisteren al gepland om met de kinderen naar de speeltuin te wandelen. En ze neemt geen boek mee waarin ze op een bankje rustig kan verdwijnen, terwijl de kinderen van wip naar klimrek dwarrelen. Bij vakantie hoort actief moederschap, desnoods gaat ze de glijbaan af, al blijft ze halverwege hangen, zo stoutmoedig is ze. We starten met enige vertraging omdat kleine Imelda vindt dat prinsessenschoenen wel op wandelschoenen lijken, maar een kinderhoofd is zorgeloos en al snel zingt ze uit v...