Posts

Onverbeterlijke onderdeurtjes

Opa heeft poppy een tik tegen de billen gegeven. Toen zij tijdens een wandeling ondanks herhaaldelijke waarschuwingen toch weer afdwaalde naar het fietspad, had de luide gil van een pedaalridder op het nippertje een aanrijding kunnen verhinderen. Geen harde tik, hoor, zegt opa schuldbewust. En ze liet geen enkele traan. Was hoogstens een beetje stiller op de terugweg. Een eerder aangenaam bijverschijnsel als je het mij zou vragen. Tegen de tijd dat ze terug thuis aankwamen, werd hun vriendschap alweer terug beklonken met een gemeende high five. Of toch niet? Want wanneer opa enige tijd later aangeeft dat ze direct gaan eten, verspert klein kleutertje hem de weg en plant de handen ferm in de zij: Dat is niet juist, hoor opa. ‘Direct’ is Frans. Het moet ‘dadelijk’ zijn. Je praat niet goed Nederlands. Ik vermoed dat ze op dat moment even een stilte heeft ingelast om meer effect te sorteren en dan fijntjes opa volgende vraag gesteld heeft: Moet ik nu jou dan ook ‘poepeklets’ geven, ...

Ouderdomst

Ik begin er zo langzamerhand aan te twijfelen of het spervuur aan vragen van mijn kinderen op een erkenning van mijn autoriteit op het gebied van algemene kennis wijst. Of Frank de Boosere altijd boos is, wil mijn dochter weten. Makkie, hij staat op datzelfde moment met een ergerlijk enthousiasme een nieuw koudefront aan te kondigen. Dat lijkt me een sluitend bewijs dat de brave man niet altijd boos is, waar ik haar met enige zelfvoldaanheid op wijs. Maar ik ben er toevallig ook van op de hoogte dat onze weerman vier kinderen heeft. Wat rekenkundig zou kunnen betekenen dat hij dubbel zoveel keren boos is als hun eigenste moeder, gesteld dat hij haar temperament heeft. Bijna altijd dan. Mijn kind is haar belangstelling verloren. Al die nuances en details, daar wil ze niks van weten. Jammer voor haar dat de secretaris van haar moeders geheugen daar nu net verzot op is. “Zijn de Chinezen rijker dan ons?” vraagt prins terwijl hij tegen een bal trapt. “Ze zijn met meer,” probeer ik v...

Nina

Van ver al kan ik zien dat ze er niet zit en een paar seconden lang vrees ik dat ik de bus gemist heb. U moet weten dat Nina daar altijd zit op woensdag. Ik ken Nina niet. Tenminste, niet persoonlijk. Alleen van het bankje in het bushokje dus. Van ziens. Van haar pluisachtig, rechtopstaand engelenhaar. Van haar vleeskleurige, teenloze kniekousen. Haar voorkeur voor herfstkleuren. Van haar opgetrokken bovenlip die men makkelijk voor een glimlach kan houden, maar die vooral verbetenheid uitdrukt. Van haar dagelijkse busbeklimmingen, want mensen als Nina, die oud zijn en slecht ter been, slagen er slechts met de grootste inspanningen in om de nieuwerwetse trapjes en verhogingen die snoodaards van designers in de moderne lijnbus voorzien hebben, te overwinnen. Dat gaat als volgt; eerst strekken zij hun armen uit en graaien wat in het luchtledige tot hun klauwtjes in het beste geval een stang, maar soms ook een flapperend kledingstuk van de voorganger vinden. Dan proberen ze schommelend hun...

Ik hoew van je lieft mama ik

Er zullen ongetwijfeld families bestaan die erin slagen om hun avondeten in totale stilte naar binnen te werken. Naar het schijnt hoort dat ook zo. Al is de reden daartoe mij onduidelijk. Ons gezin blinkt nochtans uit in de knabbel/babbelcombinatie en wij hebben tot nu toe daar nog geen slokdarmverstuikingen of andere kwalen aan overgehouden. Integendeel, het is net op zulke momenten dat de kinderen ons als ouders met (volle) mondjesmaat toelaten in hun leventje buiten de deuren van het nest. Vanavond werd ons een blik gegund op de speelplaatsliefde van onze vijfjarige dochter. Tussen twee happen door blijkt dat ‘ze niet meer op Q. is’. De toon waarop ze ons dit meedeelt, verraadt een bewonderenswaardige berusting. Als had ze net om nog een beetje meer rijst gevraagd. “E. is al op Q.. En nog andere kinderen ook,” licht ze verder toe en wij, die haar ondertussen al goed kennen, begrijpen. Het wordt popppy te druk in haar liefdesparadijs. Tot overmaat van ramp blijkt Q. zelf dan we...

Schots rokje

Daar staat ze. Aan de toog. Ze bestelt een drankje. Schots rokje aan. En daaronder een stel welgevormde benen. Jong nog. En blond. Hebben de mannen haar gezien? Natuurlijk hebben de mannen haar gezien, het zal nog niet, dat zijn gezonde jongens. Met testosteron. Die mannen moeten daar naar kijken. Dat is de natuur. “Goed voorzien van oren en poten,” grijnzen ze eensgezind. En dan zien de vrouwen haar ook. Of beter nog, ze zien dat de mannen haar zien. Draaien boos met hun ogen. Gespeeld boos, want hun mannen mogen daar naar kijken. Natuurlijk wel. Zo een kort Schots rokje. Dat zijn gezonde jongens. Met testosteron. Die moeten dat zien. Dat is de natuur. Zijn ze niet jaloers? Ach welnee, zo flauw zijn ze niet. Meer nog, ze kijken net zo graag naar dat heupwiegend geruit stukje textiel. De voorgevel is ook dik in orde, oordeelt het deskundig oog der mannen. Maar zo ver waren de vrouwen nog niet. Die waren net iets te lang blijven hangen bij het perfecte kontje. Maar nu stijgt hun blik ...

De kardinaal en het vogeltje (of Godfried en de mus)

De kardinaal kijkt door het raam. Twee vogeltjes spelen tikkertje in een boom. Een lieflijk tafereel dat hij in rustiger tijden gaarne gadesloeg, maar vanbinnen in hem roert er zich nu van alles. De onrust borrelt zuur omhoog in zijn maag. Na het verhaal van Roger was hij uit de lucht gevallen. Niet als een engel, nee. Als een stom stuk graniet tegen de vlakte geslagen en verdoofd blijven liggen. Natuurlijk was hij uiteindelijk toch in beweging gekomen en vertrokken, maar hij kon bij god niet recapituleren hoe hij thuis geraakt was. En wat er door zijn hoofd gevlogen was onderweg. Ergens ligt hij daar nog steeds, in totale verbijstering. Sindsdien zit er een vloek in Godfried. Hij onderdrukt het, natuurlijk, zoals hij dat in gezelschap doet met een boertje na het eten. Maar weg is het niet. 't Zit daar blijkbaar goed. Om hem te pesten. Of te testen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. De vogels lijken met elkaar te praten. De maakt hem enigszins nieuwsgierig en hij opent het raam....

Communautaire knuffels

Onderweg van school naar huis komt er een man langs me lopen. “Heb je dat gezien?” vraagt hij. De verontwaardiging spat van zijn gezicht af. “Schandalig is het. Heb je gezien hoe hard ze hier rijden vlak aan een school?” Hij schudt zijn chagrijnige kop, trekt diepe rimpels in zijn voorhoofd. Het is hem aan te zien dat hij dat al eerder heeft gedaan. “Huhu,” mompel ik, want ik moet eerlijk bekennen dat ik het niet gezien heb, maar ik denk er niet aan om zijn woorden in twijfel te trekken. “Een man die 140 rijdt naar zijn werk in Leuven. Die pakken ze wel. Die mag zijn centen gaan neerleggen. Terwijl ze het hier allemaal laten gebeuren. Hier mag dat allemaal.” Verongelijkt trekt hij zijn mondhoeken nog verder naar beneden. Een mens wordt daar niet schoner van. “Huhu,” knik ik halfhartig. “En tegen die bruine mannen doen ze al helemaal niks. Die mogen alles.” Huhu? Hoe zijn we ineens bij ‘die bruine mannen’ beland? Ik word kriegel als ze zo beginnen. De kinderen huppelen een paar...