Posts

Onverbeterlijk onderdeurtje

Papa plaagt dochter. Ze kan daar mee lachen. In het begin dan toch. Maar papa weet niet van ophouden en dan is het over met de pret voor het kleine meisje. “Dik, vet varken,” roept ze ineens. Daar worden we allemaal muisstil van. Want grote broer probeert al eens graag het ‘speelplaatsgescheld’ in huis uit, maar van zus zijn we dat niet gewoon. Nog v ooraleer papa in zijn mond vol tanden wat woorden van protest bij elkaar verzameld heeft, steekt dochterlief al haar gestrekte vinger uit naar haar broer en verkondigt vastberaden: “Dat heb ik van prins geleerd!” Niet wat ze zegt, maakt dat we in lachen uitbarsten, maar de manier waarop ze dat doet. Met de grandeur van iemand die ons net een moeizaam aangeleerde driedubbele salto mortale getoond heeft. “Fout,” zeg ik tegen mijn dochter en geef een plagerig rukje aan het etiketje van haar truitje dat aan haar kin komt piepen. “Oei, achterstevoren,” zegt poppy hoofdschuddend. “Wat ben ik toch dom.” “Van wie zou je dat hebben, d...

Last van E=mc²

‘Ik moet flink in de rij gaan staan.’ Eerder toevallig stoot ik in een kladboekje op twintig strafregels, uitgevoerd in het kriegelige handschrift van mijn zevenjarige zoon. Het verbaast mij enigszins dat men sinds de blitse opkomst van de time-out-stoel in het onderwijs de strafmantra nog toepast. Hier en daar heeft zoonlief er inventief een witregel tussen gefoefeld en de ‘flink’ is er na regel twaalf ook bij ingeschoten. Ik vind dat nogal geestig. De vriend van mijn zoon die zelf eerder het zwijgzame type is verschaft mij gewillig de context rond de strafregels. Prins had B. gestampt. Ik kon me daarbij perfect voorstellen dat het quasi onmogelijk was om én flink in de rij te staan én tegelijkertijd iemand aan te vallen. Maar blijkbaar had even tevoren B. eerst zijn vriend geslagen. Wat de juf niet gezien had. En iets is natuurlijk alleen maar ‘niet flink’ als het door de zintuigenpoort van de juf gaat. Dat is zo. Daar zijn hele filosofische theorieën rond opgebouw...

Een moeder

Antonio Vallejo Najera, fluistert ze met opeengeklemde kaken, alsof ze de naam samen met de man tussen haar gebit wil vermalen. Een psychiater, zegt ze. Een man, zuiver van geest, zou u misschien denken, want een wetenschapper. Hij had een theorie: marxisme was een ziekte. Ik ben tweeënnegentig jaar nu. Kijk naar mij. Kijk. Ik leef nog. Het is geen dodelijke ziekte blijkbaar. Señora Maria blijft met een dunne, kromme vinger de rand van haar koffiekopje volgen als wilde ze het verleden bezweren. De bevindingen van de wetenschapper werden overgemaakt aan Franco, zegt ze. Die ademde tweemaal in en uit en de nieuwe wet was een feit. De kinderroof gerechtvaardigd. Om maar te zeggen: zo snel kan het gaan. In mijn buik groeit ondertussen het kind, terwijl de wet als het zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt. Wij houden ons gedeisd, maar de oren hebben muren. Mijn man Juan, hij duwt zijn lippen tegen mijn ronde buik en roept: mijn kleine dwarsligger, je wordt net zoals je vader! De...

Het ene en het andere

Licht en duisternis. Warmte en koude. Het leven hangt van tegenstellingen aaneen. Vreugde en verdriet. Samen en alleen. De ene dag, die de andere niet is. U kent dat toch. De ene dag brengen de vogels enkel ter uwer glorie een serenade aan het slaapkamerraam. Het brood valt met de goede kant op de vloer. U stapt uw voordeur uit en de zon is precies op temperatuur. Een breed glimlachende postbode spreekt u aan met ‘juffrouw’. U wandelt op een keutelvrije stoep en in de eerste winkel stoot u al op een paar grijze rijglaarsjes die u wonderwel passen en op de koop toe niet al te duur blijken te zijn. De ene dag zijn de gesprekken met uw medemensen de perfecte mix van diep én licht én boeiend én geestig én prettig gestoord. De medewerkers van de personeelsdienst hebben veertien verlofdagen op hun telraam over het hoofd gezien en delen u mee dat u er alsnog recht op hebt. U krijgt geld terug van de belastingen. Er valt u een lied binnen dat heel goed als achtergrond bij deze verrukkelijke da...

Afscheid van P.

Ik denk, hoe heeft hij daar gestaan? Een fragiele man. Struikgewas. Een spoorweg. Uit de binnenkant van zijn jas haalt hij een pakje tabak. Trekt een vloeitje los. Houdt het zakje tussen arm en zij geklemd. Rolt de sigaret. Plakt ze dicht met een likje. Houdt zijn hand als een cilinder rond het vlammetje. Inhaleert. Een rood kogeltje gloeit op. Een wolkje rook verwaait. Nog vooraleer hij de trein hoort, ziet hij het spoor al trillen. Wild bonkend hart. Maar zijn besluit staat vast. Hij heeft lang gezocht. Is nu zeker. Er is slechts één exit uit het doolhof van zijn leven. Er wordt mij verteld dat hij gestorven is. Ik heb hem het laatste jaar vaak op de bus gezien. Op precies hetzelfde moment voor de rotonde rolde hij altijd een sigaret. Hem groeten durfde ik niet. Ik verzamelde moed, maar de gemiste kansen werden een berg waar ik niet meer over raakte. Ik denk aan de klap, vloek binnensmonds en val achteruit in de tijd toen we nog als een kudde, dampige veulens door de poorten van de a...

Het einde van het verhaal

Ik zit vast. Muurvast. Met de beste wil van de wereld valt er geen bevredigend einde aan mijn verhaal te bedenken. Daarom schakel ik twee experts in: mijn verzinkinderen. Poppy Shakespeare is vooral goed in het ‘verdroefd’ maken van verzonnen personages waarna ze hen nogal koelbloedig van een berg (tafel) laat tuimelen of doet verdrinken (bad), daarbij onaangedaan verkondigend: “En toen was hij dood!” Waarop haar teergevoelige broer Christus telkens ingrijpt met een: “En toen werd hij ineens terug levend!” We staan met de auto voor de spoorweg te wachten en terwijl met lange tussenpozen drie treinen ons voorbij daveren begin ik te vertellen (om te voorkomen dat u halverwege in slaap valt, heb ik het verhaal enigszins aangepast aan uw gezegende leeftijd, beste lezer): Er was eens een land. ’t Was pertang niet groter dan een knoopsgaatje en ’t was er plat, heel plat, behalve in het midden van het land, daar torende het hooggebergte ‘de Vanille’ boven alles uit. De Vanille was geen...

Ode aan mijn dochter

Je zegt dat je honger hebt. “Dan maak ik wel een boterham voor je klaar,” laat ik je, behulpzaam als ik ben, weten. Maar daar heb je geen oren naar. Een beetje nukkig sta je op je prinsessenhakjes te wiebelen. “Maar mamaaa, ik heb geen honger in boterhammen,” zeg je klagerig. “Ik heb honger in koeeek.” “Kinderen die honger hebben, eten boterhammen,” hou ik vol. Je schudt hevig met je hoofd en herhaalt koppig dat je honger in koek hebt. “Koek is geen honger,” stel ik kortaf. “Koek is goesting.” Daar moet je even over nadenken, maar al snel sper je de kogelronde ogen wijd open, alsof je ineens, zo jong al, begrijpt dat alles taal is. “Dan heb ik dus goesting in koek,” besluit je en steekt je hand uit. Maar daar komt niets van in huis. Het is bijna twaalf uur en dus moet de jonge dame eerst boterhammen eten. Het zint je niet, maar het nieuwe inzicht lijkt je zo te intrigeren dat je het dreinen even laat voor wat het is en gedreven informatie begint te verzamelen voor je kleuterthes...