Posts

Spiegels

Ik lees mijn kinderen terwijl ze slapen. Prins ligt op zijn linkerzij, opgerold, ingekapseld door zijn pluchen beschermheren. De nacht is geen vriend. Allerkleinst slaapt hij, bescheiden, in de hoop dat de monsters van het duister hem over het hoofd zullen zien. Enkel een stukje kruin is zichtbaar en als ik even vals speel en zijn donzen harnas een beetje naar omlaag trek, dan kan ik met voorzichtige vingers de vochtige, oranje haartjes in zijn nekje raden. Stil is hij, onbeweeglijk, alsof hij gekneed is uit sneldrogende klei. Maar dan, net als je hem kussen wil, daar in de diepte, ergens dichtbij die uitnodigend uitgestulpte lippen, haalt hij onverwacht diep adem door zijn neus. Een intense zucht trekt door zijn S-vormige ik. Opluchting, daar lijkt het op. Alsof hij weet dat ik er ben, zijn moederbeest. Zij, poppy, ligt op haar rug, opengevouwen als een bloem aangeraakt door zomerzon. Beide armen uitbundig langs haar hoofd gestrekt, de handpalmen naar boven. Ze neemt zoveel mogelijk r...

Eilanden

Mijn jongen telt. Al van toen hij heel klein was: de snoepjes in het zakje, de borden op de tafel, de glazen in de kast. Ik vermoed dat hij daarmee zijn angsten bezweert. Een ordelijke wereld is minder bedreigend. Zijn minst favoriete getal is één. Die wetenschap drijft hem elke dag de tuin in op zoek naar zijn vriend, want één is een te verwaarlozen getal. Eén is geen. Nauwelijks vijf jaar oud hield hij al minutieus de score bij tijdens de voetbalwedstrijden. Zijn vader keek een beetje radeloos toe hoe zijn kleine voetbalheld op het plein stokstijf de ballen aan zich liet voorbijgaan en doelpunten stond te tellen. Prins telt nog steeds: de stickertjes in zijn agenda, de door de juf ingekleurde lachende gezichtjes in zijn werkschrift. Maar waar tellen vroeger enkel op zichzelf stond, staat het nu helemaal ten dienste van de vergelijking. “Mijn vrienden hebben een hoger leesniveau,” vertelt hij me met spijt in zijn stem. In zijn weekschriftje van school staat er altijd dezelfde beginzi...

Stil

Ze lijkt niemand nodig te hebben. Op de vloer verzamelt ze voertuigjes rond zich en blaast hen leven in. Vanuit de woonkamer waaien flarden gesprekken me toe, terwijl ik de groenten snij. De ijle, hoge stemmetjes horen – dat weet ik wel zeker - bij de gestroomlijnde modellen, terwijl uit de kelen van de robuustere wagens donkere basstemmen echoën. Ze houden van elkaar en dan weer niet en dan weer wel. Het eeuwenoude spel van aantrekken en afstoten. Als het hoofdje draaierig wordt van de vicieuze cirkels die ze zelf verzint, laat ze de auto’s voor wat ze zijn en vult haar rechterknuist met een grote stift. Gaat onvervaard het papier te lijf. Later zal ik de tekeningen van tekst moeten voorzien. “Kijk,” zal ze wijzen. “Hier moet je bijschrijven dat de kleine bom het heel erg vindt dat de grote bom op zijn huisje gaat vallen.” En: “Dit is een prinses. En ze huilt en huilt en huilt. Want, zie je, haar broer is gevangen.” Het figuurtje, een kruising tussen een kikker en een ventje, hangt me...

Tien minuten

“Wanneer ga je opstaan, pappa?” “Om half elf, jongen.” “Dat is dan nog eenentwintig minuten.” (vader werpt een zuinig oog op de radiowekker) “Nee, zoon, dat zijn nog tien minuutjes.” “Aha, nog tien minuutjes, pappa.” … (zoon port zijn vader tegen de schouder) “Nog negen minuutjes, pappa.” … (zoon tikt vader tegen het hoofd) “Nog acht minuutjes, pappa.” … (zoon rolt een paar maal dwars over vader heen) “Pappa, nu nog zes minuten, pappa.” … “Zal ik je even masseren, pappa?” (zoon steekt zijn ijskoude voeten uit en houdt ze tegen de rug van zijn vader) “Koud, die voeten, koud hoor.” “Zal ik je dan een beetje aaien, pappa?” (zoon aait op steeds hetzelfde stukje huid, totdat het een beetje pijn begint te doen) “Fijn, hè pappa, zo aaien.” … (zoon gebruikt vader als trampoline) “Nog, drie minuten, pappa.” … (zoon maakt een vreugdedans op de linkerarm van vader) “Pappa, het is tien uur dertig, hoor! Tijd om wakker te worden!”

Evenwicht

Hij staart voor zich uit, steekt zijn rechterwijsvinger in zijn neus, haalt hem eruit en laat de hele vinger met de buit gedachteloos in de getuite mond glijden. “Hallo,” zeg ik, terwijl ik mijn dochter zoek in het slordig hoopje kinderen dat allemaal gelijktijdig aan de jas van de stagiaire probeert te trekken. “Hallo, jongen, hou je ook nog een beetje over om later in de soep te doen?” De ogen van zoon schieten vol woedetranen en hij lipt me toornig toe dat hij me haat. Ik ken mijn prins. Zijn woede heeft niets met de onorthodoxe soepkruiden te maken, maar alles met een eerdere weigering van zijn heksenmoeder. Ik probeer me nog te beroepen op mijn gevoel voor humor, maar daar heeft prins geen oren naar. Hij speelt dat hij me voor altijd en eeuwig gaat verlaten. Gezien zijn prille leeftijd kan hij mijn kwetsbare moederhart nog niet volledig peilen, maar uit ondervinding weet hij maar al te goed dat zijn verdwijntrucjes wel enig effect sorteren. Als ik even later aan zijn vader uitleg ...

Kat en vlinder

1. De berg is zwaar, maar de vlinder tilt de kat op. 2. Poppy worstelt in de gang met haar schoenen en ik help haar. Man loopt om ons heen en leidt twee potige vrouwen, die hij bijstaat in de bouw van hun liefdesnest, zijn bureau binnen. Onze dochter staart hen enigszins vijandig na. ‘Jullie moet trouwen,’ stelt ze beslist. De deur van het bureau staat nog wagenwijd open. ‘Jullie moeten echt trouwen,’ herhaalt ze luid. ‘Want anders worden al die vrouwen verliefd op pappa.’ 3. Kat staat achteloos tegen de muur van het terras geleund. Hij praat met vlinder. Zijn ouders hebben de dag voordien met een deskundig vrouwmens gepraat over onroerend goed. Ontroerend goed, denkt ze. Een nest bouwen. Ontroerend goed. “En toen hadden ze het ook even over ons,’ zegt hij. Over een zelfstandige kat en een parttime vlinder dus, die al heel lang en gelukkig samenleefden in hun huis zonder zich om financiële zaken te bekommeren. “Die vrouw geloofde haar oren niet,” gaat kater verder. “Ze zei: a...

Waar is de moeder van Bambi?

Met open mondjes zitten mijn kinderen ’s avonds naar de televisie te kijken. Nieuwsgierig wurm ik me tussen hen in. Mijn schouders zuigen als magneten hun hoofden naar mij toe. Een voorrecht dat ik voorlopig nog mag koesteren. ‘Waar kijken jullie naar?” informeer ik. “Naar Batman,” prevelt poppy zonder haar blik van het scherm te halen. Ik loop niet echt hoog op met gemaskerd manvolk, dat meestal met veel vertoon van spierkracht het scherm dreigend opvult, maar blijf toch even meekijken. Batman wordt in deze aflevering bijgestaan door een blikken duo: een breedgeschouderde robot en een fragieler exemplaar. Het begin van het verhaal heb ik gemist, maar ik begrijp al snel dat de grotere robot, gedreven door zijn verlangen naar een zoon, de kleinere ontwierp. Met zijn drieën trekken ze ten strijde tegen de slechteriken. Ik ga ervan uit dat we hier met een onoverwinnelijk trio te maken hebben, waartegen geen enkele maniak, bliksem of storm zal opgewassen zijn. Het goede zal zegevieren en m...