Posts

Kort nieuws

Er was een tijd dat ik elke dag de krant las. Nogal trouweloos: ik ruilde zonder enige gêne De Morgen in voor De Standaard of Het Belang. Ik keek zelfs elke dag naar het journaal. Kwestie van het overaanbod aan brandhaarden niet dooreen te haspelen tijdens het betere tooggesprek. Soms, en dit beken ik met enige schroom, at ik mijn boterhammen op terwijl er zich voor mijn neus grote drama’s afspeelden. Niet dat de miserie langs mij afgleed als water van een eend. Ik ben niet van steen. Maar een mens moet op tijd en stond toch eten. En toen kwam het kind. Het had zich nog geen negen maanden veilig kunnen wanen in de moederbuik. Het verliet de schuilkelder te snel. Saignant was hij. Fragiel. Armpjes en beentjes die te broos leken om te knuffelen. Roodharig. Zelfs zonlicht kan bedreigend zijn dan. De media had het over de opwarming van de aarde. Om maar te zeggen: ik kon niet meer kijken naar het journaal. Ik kon het niet opbrengen om door dat gordijn van ellende te gaan. Was dat de wereld...

Het verhoor

Vroeg in de ochtend. Hij staat in het midden van de woonkamer met grote ogen luidop te dromen over bergen snoep en sloten frisdrank. Hij kijkt alsof hij de gouden toegangskaart voor een bezoek aan de chocoladefabriek van Willy Wonka heeft gewonnen. “Oei,” zegt de moeder. “Dan is het misschien de bedoeling dat ik je zakgeld meegeef op schoolreis.” Het beknopt, informatief briefje van de school, dat ze tussen de triljoen anderen uitvist, maakt daar nochtans geen enkele melding van. Er staat zelfs niet in op welke plek de kinderen dienen afgehaald te worden. De moeder stelt zich even voor dat haar tengere jongen het enige kind zonder zakgeld zal zijn, met ongetwijfeld een levenslang Remy-complex of een ziekelijke fixatie voor geld als gevolg. Dus peutert ze snel een briefje van vijf Euro uit haar tas en propt het in een veilig zijzakje van zijn broek. Zijn dankbaarheid lijkt warmte af te geven. Diezelfde avond informeert ze tijdens het avondeten nieuwsgierig naar het zakgeld van de andere...

De microbe

Het is ongeneeslijk en ik geef mijn moeder de schuld. Zij was het die me als peuter na de mis meenam naar de plaatselijke bibliotheek, alwaar wij de vierkante, stevige boekjes van Nijntje uitleenden. Later werden dat leesboekjes. Al bleek dat aanvankelijk veel kindervoeten in de aarde te hebben. Ik kon namelijk niet lezen. Terwijl mijn klasgenoten collectief hun piet pet pop afdreunden, staarde ik verslagen naar de miertjes en de krinkelende, winkelende waterdingskes op het witte blad. De verontruste juffrouw riep er mijn ouders bij. In die tijd betekende dat nog iets. Het was de tijd voor leesniveaus en toetertesten, ADHD en dyslexie, taakklassen en orthopedagogie. Het was de tijd van de poepsimpele logica: je kan iets of je kan het niet, en als je het niet kan, ben je waarschijnlijk traag, en als je traag bent, duurt het gewoon langer vooraleer je het kunt. Zoiets. Bleek uiteindelijk dat ik wel erg lang mijn tijd nam en ook tijd had blijkbaar zijn grenzen. Wat er precies besproke...

Week in stukjes (2)

1. Groot alarm! Afkondiging gemeentelijk noodplan voor een kind dat reeds in de derde kleuterklas zit en na tweemaal testen nog steeds het verschil tussen ‘meer’ en ‘minder’ niet weet! Ik doe alsof ik verontrust ben, omdat ik de juf niet al te erg teleur wil stellen. Dat kind weet maar al te goed dat één bol ijs minder is dan twee. En gisteren nog wees ze, nadat ik haar broer een knuffel gaf, er mij verontwaardigd op dat ik meer van hem hield dan van haar. Mijn kind kent het verschil tussen meer en minder niet, behalve als het over ijs en liefde gaat. Ik slaap er deze nacht op geen oor minder van. 2. De ondraaglijke lichtheid van het bestaan is stofzuigzakken gaan kopen en volgend gesprek te moeten voeren: “Geef maar twee dozen mee. Ze zijn toch snel leeg.” Hou het bondig, Ann, waarschuwt mijn innerlijke stem me. “Is dat zo? Met dit mooie weer zijn we toch veel meer buiten.” “huhu.” Goed zo, niet beginnen over kinderen die hele zandhopen en grasmatten in hun schoenen mee naa...

Mijn brein

Ik schrijf op mijn hand: een woord, een beginletter. Een blad papier kan natuurlijk ook dienen. Maar papier raakt kwijt en mijn hand hangt vast. In tegenstelling tot mijn horribel hoofd. Dat heeft de vervelende eigenschap om te vergeten waar ik dingen leg. Alles wat niet te groot of te zwaar is, komt daarvoor in aanmerking. Let me line up the usual suspects: mijn sleutelbos, de gsm, allerlei paperassen (waardoor ik sinds kort weet dat het precies negen Euro kost om een duplicaat te laten maken van de loonfiche die je nodig hebt om je belastingsbrief in te vullen), de helft van een paar kousen, een paraplu, een pas gekocht doosje met panty’s (dat ik terugvond bij het oud papier tijdens de zoektocht naar de loonfiche),… Maar er is meer aan de hand. Ik vergeet ook woorden. Sommige van hen verkiezen met stugge volharding om op mijn tong te blijven liggen. Daar sta ik dan op een woensdagvoormiddag aan een kraampje een beetje hulpeloos te wijzen naar… naar…, nee, dat daar, nee…. De blozend...

Week in stukjes

1. Met de autobiografie van Roald Dahl in een zakje wandel ik de Standaard boekhandel uit en denk aan een uitspraak die Dahl ooit deed : “Above all, watch with glittering eyes the whole world around you because the greatest secrets are always hidden in the most unlikely places.” Laat ik dat maar eens doen in plaats van blind, in gedachten verzonken rond te wandelen, bedenk ik, en kijk ongegeneerd naar een man die tegen de gevel van een huis geleund staat. Zijn linkermouw is leeg, stel ik geïnteresseerd vast, en hij steekt een beetje zielig in de zak van zijn anorak. De man staart me dreigend aan alsof ik de arm eigenhandig van zijn magere lijf heb afgedraaid. Ik begrijp zijn frustratie. Stel dat hij een vreselijke vrouw heeft. Hij zou zelfs niet eens in staat zijn om haar eigenhandig de strot dicht te pitsen. Begrijp me niet verkeerd: hij zou zoiets nooit doen, nog geen vlieg wenst hij kwaad toe. Maar het feit dat er ineens zoveel minder opties zijn. Dat wringt. 2. In de krant lees ik ...

Gekrompen

Ik neem plaats in de bus op het zitje achter de ruimte die voorzien is voor de kinderwagens. Een slechte keuze. Mijn voeten raken de vloer niet. Als ik mijn zitvlak naar voren schuif, kan ik eventueel met de tippen van mijn schoenen de grond kussen. Ik ben geen vijftien jaar meer en schuif mijn zitvlak snel terug naar achteren. Telkens wanneer de bus vertraagt of versnelt, wiebelen mijn benen. Ik lijk wel zes. Vijf minuten eerder spreek ik aan de bushalte een roodharige vrouw aan. Ze lijkt op iemand van heel lang geleden, maar ze is het niet. Dat laat ze me uiterst minzaam weten. “Ik organiseerde daar toen een tekenatelier,” ratel ik verder tegen de vrouw, die zo klein mogelijk glimlacht en af en toe haar frêle schouders ophaalt. Ze heeft precies dezelfde bos rode krullen en dezelfde felblauwe ogen met donker aangezette wuivende wimpers. Waarom doet ze nu zo moeilijk? Waarom kan ze niet gewoon die vrouw van toen zijn? Eenmaal in de bus diept ze uit haar tas een agenda van een indrukwek...