Posts

Beetjes Frankrijk (2)

Al dat groen rondom ons en daar op de heuvel het dorpje Cornillon. Eén enkele onzichtbare weg met blikkerende autootjes die het uitzicht in een rechte horizontale lijn doorklieft, maar het lijkt allemaal niet echt, onbeduidend, schattig,   auto’s in speelgoedformaat. Je zou niet verwonderd zijn als uit het blauw ineens een grote kinderhand tevoorschijn zou komen om met de minivoertuigjes te spelen. Wij mogen klein en zorgeloos zijn in deze omgeving. Ik lees ‘dagboek zonder data’ terwijl mijn zus de twee eerste hoofdstukken van mijn manuscript op haar knieën heeft. Ik moet me bedwingen om niet voortdurend te vragen hoever ze al zit. Het boek van Enid Bagnold is vertaald door Erwin Mortier. In de inleiding schrijft hij dat men haar vroeg waarom iemand schrijft. Zij antwoordde: ‘Het is de vloeiende reden om te leven.’ Ik ben al verkocht. "... achter hen, onder hen, bezit ik die taaie, geheime vrijheid van een instituut, die als de wind door me heen jaagt en mijn gemoed optilt als...

Beetjes Frankrijk (1)

Het fotoapparaat lag zichzelf nog op te laden in het bureau van man. In de koelkast nog een boterhamdoos met ronde broodjes en kipsalade. Op het kastje in de badkamer een paar opgerolde kousen, voor onderweg in de auto tot die niet meer nodig zouden zijn eens de poort van de zon voorbij. Op vakantie gaan is dingen meenemen die je niet nodig hebt en dingen vergeten die je wel nodig hebt. Onderweg in een tankstation zit hoog aan een raam een ongelukkig vogeltje ingesloten. Een dronken jongen ligt met zijn hoofd op een tafeltje te slapen. Een opengescheurde zak chips op de grond. Vanaf het moment dat we de deuren openden woei de urinegeur onze neuzen in. Het vogeltje piept angstig, fladdert halfslachtig tegen het venster. Gevangen. Net zoals wij met onze volle blaas. Dan is er het eerste zonnebloemenveld. Eenmaal Lyon voorbij is het licht anders. Er is eindelijk zon tussen de wolken die nu slechts nog een onschuldig schaduwbuikje hebben. Man rijdt. Ik deel broodjes uit...

Regenboog

In den beginnen was er de vrije wil. Dat heeft hij in een verstrooid moment zo beslist en dus heeft hij het er eigenlijk zelf een beetje naar gemaakt dat de mens zijn heil in de wetenschap ging zoeken. Niet dat ik helemaal van god los ben, ’t is te zeggen, ik hang nog enigszins vast met een veiligheidsdraadje, want het is een toornig wezen, hij die ons naar zijn evenbeeld zou geschapen hebben. De tijd dat ik hem na elke ontkenning stilletjes mijn excuses aanbood, is ondertussen voorbij.   Maar toch, zie je me al staan straks, helemaal op mijn ongemak, cirkeltjes in de wolken draaiend met de punten van mijn schoenen en dat het baardwezen dan   ‘Awel?’ dondert? Als ik niet al morsdood was, zou ik wel eens een tweede keer kunnen sterven van de schrik. Mensen die van god los zijn, dienen hun kinderen niet naar een katholieke school te sturen. Dat spreekt voor zich. En bovendien was onze prins een schrikachtig kind dat als baby na elk onverwacht geluid, een deksel die op de grond ...

Soms vergeten we de liefde

Om twee uur stap ik van de trein en klimt opa de ladder op. De zon schijnt. Opa probeert op het dak een latje vast te zetten. De ladder schuift. De hersenen werken razendsnel, maar de reactie volgt trager. “Opa is gekwetst. We moeten nog even wachten op nieuws vanuit het ziekenhuis.” Ik formuleer mijn zinnen voorzichtig, want prins is een gevoelig en fantasierijk kind. Poppy slaat haar handen dramatisch voor haar mond. Prins informeert naar de hoofdwonde. Of ze J-of L-vorming is. Hij plaatst wijsvinger en duim op zijn voorhoofd ter verduidelijking. Voor het eerst sinds ik laat werk op woensdag   blijven de kinderen niet slapen bij oma en opa. Ze mogen wel even op bezoek. Voor de geruststelling. ‘De wonde is C-vormig,’ laat prins me weten, als ik me bij hen voeg. Even later zwaait opa ons dapper uit met één arm. Het wit verband op zijn neus steekt scherp af tegen de gebruinde huid. Een indrukwekkend litteken, bedenk ik met iets van plaatsvervangende pijn.   Het is stil op de...

Een hart in een doosje

In het eerste studiejaar begon het te kriebelen. Dat merkte ik toen op mijn dagelijks gestelde vraag ‘hoe is het geweest op school’ een ‘goed, we hebben meisjes gespioneerd’ volgde.   Enige tijd later vroeg hij me of ik geen mooi doosje voor hem had en toonde me in zijn openvouwde handje een steen in de vorm van een hart. Terwijl hij het geschenkje met de grootste omzichtigheid op een watten bedje in een cilindervormig horlogedoosje schikte, droomde hij luidop een beetje weg over het frêle meisje in zijn klas. Ik smolt en vermoedde dat zij dat weldra ook zou doen, maar het   draaide enigszins anders uit. Prins kwam na school naar huis met zijn hart in zijn knuistje en zijn kwetsbare jongensziel onder zijn arm. Over het doosje, het mag gezegd, was ze laaiend enthousiast geweest. ‘O, leuk, hier kan ik mijn armbandjes in leggen,” had ze gekird. Maar het hartje was als een zielig schuitje tegen zijn boterhammendoos gestrand, nadat ze het hem achteloos tussen de kruimels door terug...

Ik bel wel met mezelf

Mijn dochter heeft een nuchtere geest. Dat weten we al sinds dat ze het bestaan van draken afdeed als onzin en bijgevolg ook zichzelf bevrijdde van de angst voor het donker. Gisteren deelde onze bijna zevenjarige Poppy, nadat ze zich in de grootste stilte over het bestaan van de paashaas gebogen had, argeloos haar conclusie mee aan haar oudere broer. Prins wordt negen jaar in de zomer en hij zal zowat de enige in zijn klas zijn die nog in paashazen gelooft. Daar staat hij nu, in het midden van de woonkamer, een beetje verloren en hoofdschuddend   naar zijn zus te kijken. “De paashaas bestaat niet,” zegt ze en onderstreept alle zinnen van haar betoog met strakke armbewegingen. “De paashaas loopt op vier poten. Als die eieren moet gaan leggen, moet hij op twee poten lopen. En dat kan een haas niet. Dat heb ik op televisie gezien. En hij kan ook niet praten. Hij heeft een mond, maar hij kan niet praten. Dus de paashaas bestaat niet, prins.” Prins lijkt zich onaangedaan op ...

Wijvenweek (5) - Schat

Veel kan ik niet. En al helemaal niet veel tegelijk, maar   ik heb wel een klein talent: ik kan in het park die haan zien, die prachtige, enorme haan. Hoe hij over het grasperk statig komt aan paraderen. Hoe hij traag aan me voorbij schrijdt. Als een koning. En tegelijk voel ik iets. Iets dat zich moeilijk laat beschrijven. Het licht misschien, of het gebrek eraan. Het groener gras misschien. De manier waarop een eend over mijn hoofd afdaalt naar de vijver. Of de vijver zelf die koel, grijs en geheimzinnig de lucht weerspiegelt. Of dat allemaal tegelijk. Hoe de dingen samenspannen en mijn verbeelding op hol doen slaan, want zomaar,   ineens kan ik me voorstellen dat de haan een horloge uit zijn borstveren plukt en moppert dat hij nog te laat gaat komen. Het is niet ondenkbeeldig dat ik straks in een konijnenpijp beland. Ik kan niet veel en al helemaal niet veel tegelijk, maar ik kan wel kleine dingen vangen. Ziehier, de trotse eigenaar van een persoonlijk museum van mini...