ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 16 juli 2013

Oligofreen

De hele straat hebben ze afgezet en nu staat er in onze tuin een man met een klein bakje een gigantische kraan over ons dak te manoeuvreren. We zijn net iets te laat, want het beton is al gestort. Door de grijze pap waren mannen met gummi laarzen en Poppy haar mond staat geen seconde stil. Of dat snel droogt, wil ze weten. En wat er met die mannen gebeuren zal, als die er niet op tijd uitraken?
“Dan blijven ze voor altijd in onze tuin staan,” zeg ik. “En dan maak ik een beetje meer eten en mogen jullie ze elke avond komen voederen.”
En Poppy ratelt alweer ademloos verder, waarop de kraanman glimlachend naar haar leeftijd informeert. De man blijkt een dochter van ongeveer dezelfde leeftijd te hebben en herkent de loslippigheid. Met veel trots laat hij ons weten hoe zijn dochter hem onlangs durfde te noemen. Ik ben het woord vergeten. Het stelde niet zoveel voor. In onze gezinscultuur staat het niet eens onder de rubriek ‘ondeugend’.  Niets om van achterover te vallen. En ook Poppy is nauwelijks onder de indruk. Ze draait zich een kwartslag om en richt zich tot de kraanman.
“Weet je wat ik altijd tegen mijn vader zeg?” vraagt ze hem.
De man schudt grijnzend het hoofd. Hij geniet nog na van zijn eigen verhaal.
“Ik zeg altijd ‘oligofreen’ tegen mijn vader,” zegt ze ernstig.
De wenkbrauwen van de man schieten omhoog. Zijn mond valt open. De kraan komt tot stilstand, wat ook Poppy niet ontgaat.
“O-li-go-freen,” herhaalt ze nogmaals met een juffrouwenstem, om er dan met onverholen plezier aan toe te voegen: “Dat betekent ‘oelewapper’!”
De man staart haar aan alsof ze een buitenaards wezen is en ook de rest van de mannen hapert tussen lach en verbazing in.

Het is mijn schuld. Vele jaren terug leerde ik het woord ‘oligofreen’ kennen doordat een collega van mij er één van de jonge druggebruikers van een project in onze vzw mee plaagde. De jonge man zocht het ijverig op in een woordenboek en begon ondanks het nieuw verworven inzicht (oligofreen (bn) lijdende aan oligofrenie, syn.  zwakzinnig)  overal op de muren ‘ik ben een oligofreen’ te kalken.  Onlangs konden wij tijdens een reünie zelfs het parcours van die jongen achterhalen, omdat hij het begrip na de beëindiging van het project consequent was blijven gebruiken.

Zelf werk ik al jaren niet meer voor die vzw, maar ook ik nam het woord mee. Ik zette een paar kinderen op de wereld, die ik, toen ze nog klein waren en niet goed konden praten, als straf voor slapeloze nachten pesterig uitdaagde: “Kom, zeg mama eens na: o-li-go-freen!” Waar ze uiteraard niet in slaagden.  Vanaf het moment dat ze het wel konden, was de lol er snel van af en sliep het woord zachtjes in. Tot op een julidag in onze achtertuin waarin het beton al begon op te drogen.
“Oligofreen,” roept ze nog eens en huppelt weg van haar publiek, doet een handenstand tegen de muur, waarbij ze zich er niets van aantrekt dat iedereen haar ondergoed kan zien.