ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 6 december 2011

De ezelin

Al een hele tijd sta ik maniakaal op een knopje van de afstandsbediening te drukken. Een volstrekt zinloze handeling trouwens, die voorvloeit uit mijn neiging om aan voorwerpen menselijke handelingen toe te schrijven. Mijn kinderen schieten uiteindelijk wel in actie als ik het maar genoeg herhaal.
“Stom ding!” brul ik verbolgen.
Zoon kijkt me vragend aan en ik licht hem klagerig in over het balsturige apparaat:
“Dat werkt hier dus weer niet. Kijk, ik wil gewoon naar 2 zappen, en (ik druk nog een paar keer fanatiek op de knop als bewijskracht)… dat gaat dus niet. En kijk, kijk (mijn stem dreigt over te slaan op dit punt), het lampje daar begint wel te branden, dus het ligt niet aan de batterij.”
Mijn doorgewinterd, achtjarig zapmirakel neemt me zachtjes maar kordaat het onding uit handen en laat me op serene toon weten dat het op deze manier inderdaad niet meer lukt, maar dat het wel nog mogelijk is met de plus- of mintoetsen.
Ik probeer het me niet te laten aangaan, maar besef ineens: het is zover. Doorgaans gold ik hier als de ongekroonde beterweter. Een rol waaraan ik uitermate veel plezier beleefd heb. Met heimwee denk ik nu terug aan de tijd dat ik mijn kleuters na hun eerste correct uitgesproken woordje volgende pesterige vraag voorlegde: ‘En zeg mama nu eens na: ik ben een o-li-go-freen!”
Diezelfde dag had ik zoon proberen het nut van de handleiding van zijn Sinterklaasnieuwe spel te laten inzien. Benijdenswaardig doortastend  installeerde hij toen de ‘Portal of Power’ op zijn tafeltje, koos vervolgens nauwkeurig een bijgeleverde, magische figuur - een grappig draakje met de naam Spyro en één van de vele Skylanders die Skyland diende te redden van het kwade - en plaatste de held op het platformpje dat nu magisch begon te gloeien.
“Moet je niet eerst de handleiding lezen?”
bemoeide ik me ongevraagd, nadat ik zelf de kleine lettertjes van het dwergenboekje tweemaal had doorgenomen zonder ook maar iets wijzer te worden. Prins schudde zijn hoofd, nam de Wii-afstandsbediening in zijn handen met hetzelfde gemak waarmee Lucky Luke zijn wapen hanteert. Het bevroren draakje op de Portal of Power kwam op ons breedbeeld ineens tot leven. Zoon drukte als bezeten op knoppen A, B, C, + en -, schudde en zwaaide. Het draakje volgde gedwee de ingewikkelde instructies, verpulverde rotsblokken, verkoolde groene monstertjes met scherpe tandjes, vond schatten en sleutels.
“Maar moet je toch niet eerst die handleiding…,”
probeerde ik nogmaals, maar zoon vroeg me even te zwijgen, want ‘het leven van Spyro was bijna op en dus moest hij hem door een andere Skylander vervangen’.
Ik volgde het spektakel enigszins meewarig. Ondertussen legde poppy mijn verwarde kop vast met een Nintendo 3D en monteerde hem vervolgens op het lijf van een ezel. Vanaf de tafel blonk de handleiding me onuitgepakt toe.

O gij, onwetend moederbeest, bedacht ik, het is niet omdat ge af en toe een blog of een tweet loslaat in virtuele ruimtes dat ge uw addergebroed nog kunt inhalen.  Ge vreest zelfs den dag dat uw prehistorisch mobieltje de geest zal geven en ge genoodzaakt zult zijn om u er één met een ingewikkelde handleiding te kopen. Ge kunt natuurlijk altijd ten rade gaan bij uw kinderen. En als ge oud genoeg wordt om mee te maken hoe ge door buitenaardse wezens wordt aangevallen, zullen zij en niet gij het zijn die weten hoe ze die gedrochten moeten uitzetten of herprogrammeren.

Onlangs ging er een foto op twitter rond, waarop een cassettebandje stond met een potlood eronder. Ik kende het verband nog. Mijn kinderen niet meer. Ik ben nu al zo ‘groot’ geworden dat ik dingen verloren zie gaan en nieuwe dingen hun intrede zie doen. Man en ik kennen elkaar al van voor de rotondes. Vandaar. En mijn kinderen leven vooral in de tegenwoordige tijd. Met veel herkenning las ik dan ook maandag in een wachtkamer in een tijdschrift deze uitspraak: “…mijn zoon vroeg mij: ‘Maar papa, toen jullie geen computer hadden, hoe gingen jullie dan online?’

woensdag 9 november 2011

Spiegels

Ik lees mijn kinderen terwijl ze slapen. Prins ligt op zijn linkerzij, opgerold, ingekapseld door zijn pluchen beschermheren. De nacht is geen vriend. Allerkleinst slaapt hij, bescheiden, in de hoop dat de monsters van het duister hem over het hoofd zullen zien. Enkel een stukje kruin is zichtbaar en als ik even vals speel en zijn donzen harnas een beetje naar omlaag trek, dan kan ik met voorzichtige vingers de vochtige, oranje haartjes in zijn nekje raden. Stil is hij, onbeweeglijk, alsof hij gekneed is uit sneldrogende klei. Maar dan, net als je hem kussen wil, daar in de diepte, ergens dichtbij die uitnodigend uitgestulpte lippen, haalt hij onverwacht diep adem door zijn neus. Een intense zucht trekt door zijn S-vormige ik. Opluchting, daar lijkt het op. Alsof hij weet dat ik er ben, zijn moederbeest.
Zij, poppy, ligt op haar rug, opengevouwen als een bloem aangeraakt door zomerzon. Beide armen uitbundig langs haar hoofd gestrekt, de handpalmen naar boven. Ze neemt zoveel mogelijk ruimte in. Spoken bestaan niet. Dus mag ze gezien worden. Een knie staat omhoog en een voet ontvlucht de warme anonimiteit van de dekens. Af en toe rolt ze weg of veegt een lokje uit haar nek, herschikt het blindelings tussen de uitwaaierende haren op haar kussen. Ze doet aan baldadig bedballet. Een hachelijke onderneming is het, haar te willen kussen. Tot over de drempel van de slaap blijft ze nog waakzaam. Eens boog ik me voorover. Ze voelde het, kwam me tegemoet, iets te snel. Een bliksem schoot door mijn neus. Een vloek werd ingeslikt. Er is nog iets: ze praat met haar ogen op een kiertje. “Wat is de bedoeling?” vraagt ze me dan bijvoorbeeld na een voorzichtige zoen. Ik zoek naar woorden, maar ze draait zich alweer van me weg zonder het antwoord af te wachten.
Mijn kinderen slapen en ik lees in hun kamers het vervolgverhaal van wie ze zijn op klaarlichte dag.

zaterdag 5 november 2011

Eilanden

Mijn jongen telt. Al van toen hij heel klein was: de snoepjes in het zakje, de borden op de tafel, de glazen in de kast. Ik vermoed dat hij daarmee zijn angsten bezweert. Een ordelijke wereld is minder bedreigend. Zijn minst favoriete getal is één. Die wetenschap drijft hem elke dag de tuin in op zoek naar zijn vriend, want één is een te verwaarlozen getal. Eén is geen. Nauwelijks vijf jaar oud hield hij al minutieus de score bij tijdens de voetbalwedstrijden. Zijn vader keek een beetje radeloos toe hoe zijn kleine voetbalheld op het plein stokstijf de ballen aan zich liet voorbijgaan en doelpunten stond te tellen. Prins telt nog steeds: de stickertjes in zijn agenda, de door de juf ingekleurde lachende gezichtjes in zijn werkschrift. Maar waar tellen vroeger enkel op zichzelf stond, staat het nu helemaal ten dienste van de vergelijking. “Mijn vrienden hebben een hoger leesniveau,” vertelt hij me met spijt in zijn stem. In zijn weekschriftje van school staat er altijd dezelfde beginzin: we hebben gevoetbalt en verloore met (daaropvolgend variabele uitslagen) 12-5, 9-1. Zoon zit in het kamp van de verliezers en ervaart zijn eerste hartpijn. Toch kiest hij steevast voor deze nieuwe ordening waarin er nu enkel nog plaats is voor winnaars (die groot, sterk, snel en slim zijn) en verliezers (die klein, slap, traag en dom zijn). Mijn kind leeft in een wereld vol strijd en competitie.
Ik heb niets met getallen. Cijfers brengen me in de war. Ik tel nog steeds 7+5 even na op mijn vingers. Op jonge leeftijd werd ik al betoverd door het geschreven woord. En cijfers en woorden verhouden zich niet altijd even goed. Bijgevolg is het brein van mijn jongen een vreemd eiland, waar ik moeilijk voet aan wal krijg.
En dan, op een zondagnamiddag komt hij langs me zitten nadat ik me met een boek in een hoekje van de zetel heb genesteld. Heel dicht tegen me aan. Ik durf bijna niet te ademen. In zijn armen klemt hij een dik boek van vos en haas. Langs zijn neus weg informeert hij op welke bladzijde ik zit. “125,” antwoord ik. En dan gebeurt het. Mijn rekenjongen leest. 45 minuten lang. Ik voel zijn lijf ademen tegen mijn arm, zie hoe zijn lippen de woorden stilletjes proeven. Het ontroert me mateloos dat mijn speelbeest eindelijk aangespoeld is op mijn eiland. Meer dan ooit voel ik me met hem verbonden. Zelfs wanneer ik even opsta om de vaatwasmachine leeg te maken, blijft hij verder lezen. Kijkt niet eens op als ik even later terug mijn plaatsje inneem. Een ritueel is geboren, denk ik nogal voortvarend. En dan draait hij zich ineens toch naar me toe.
“Mama,” vraagt hij. “Mama? Aan welke bladzijde zit je nu?”
Ik sla mijn boek open en geef hem achteloos het gevraagde cijfer, waarop hij een reeks getallen begint te fezelen, me glunderend aankijkt en roept:
“Dan heb jij er 41 gelezen en ik 56! Ik heb gewonnen!”
Met een klap sluit hij het boek en gaat er razendsnel vandoor. Beduusd blijf ik achter.

vrijdag 28 oktober 2011

Stil

Ze lijkt niemand nodig te hebben. Op de vloer verzamelt ze voertuigjes rond zich en blaast hen leven in. Vanuit de woonkamer waaien flarden gesprekken me toe, terwijl ik de groenten snij. De ijle, hoge stemmetjes horen – dat weet ik wel zeker - bij de gestroomlijnde modellen, terwijl uit de kelen van de robuustere wagens donkere basstemmen echoën. Ze houden van elkaar en dan weer niet en dan weer wel. Het eeuwenoude spel van aantrekken en afstoten. Als het hoofdje draaierig wordt van de vicieuze cirkels die ze zelf verzint, laat ze de auto’s voor wat ze zijn en vult haar rechterknuist met een grote stift. Gaat onvervaard het papier te lijf. Later zal ik de tekeningen van tekst moeten voorzien. “Kijk,” zal ze wijzen. “Hier moet je bijschrijven dat de kleine bom het heel erg vindt dat de grote bom op zijn huisje gaat vallen.” En: “Dit is een prinses. En ze huilt en huilt en huilt. Want, zie je, haar broer is gevangen.” Het figuurtje, een kruising tussen een kikker en een ventje, hangt met tien touwen bevestigd aan iets wat op een reclamebord lijkt en even verderop doet zijn zus een verdienstelijke poging om donkerblauwe pijpenstelen te regenen. Op haar vraag zal ik als een gehoorzame klerk alles in drukletters noteren. “Doodskop is ongelukkig omdat niemand met hem spelen wil,” dicteert zij dan met de air van een vorstin. Pathos is nooit ver weg bij dochter. Maar nu hangt ze nog in opperste concentratie over het blad. Het is zo stil. Soms vergeet ik even dat ze er is.

maandag 24 oktober 2011

Tien minuten

“Wanneer ga je opstaan, pappa?”
“Om half elf, jongen.”
“Dat is dan nog eenentwintig minuten.”
(vader werpt een zuinig oog op de radiowekker)
“Nee, zoon, dat zijn nog tien minuutjes.”
“Aha, nog tien minuutjes, pappa.”

(zoon port zijn vader tegen de schouder)
“Nog negen minuutjes, pappa.”

(zoon tikt vader tegen het hoofd)
“Nog acht minuutjes, pappa.”

(zoon rolt een paar maal dwars over vader heen)
“Pappa, nu nog zes minuten, pappa.”

“Zal ik je even masseren, pappa?”
(zoon steekt zijn ijskoude voeten uit en houdt ze tegen de rug van zijn vader)
“Koud, die voeten, koud hoor.”
“Zal ik je dan een beetje aaien, pappa?”
(zoon aait op steeds hetzelfde stukje huid, totdat het een beetje pijn begint te doen)
“Fijn, hè pappa, zo aaien.”

(zoon gebruikt vader als trampoline)
“Nog, drie minuten, pappa.”

(zoon maakt een vreugdedans op de linkerarm van vader)
“Pappa, het is tien uur dertig, hoor! Tijd om wakker te worden!”

dinsdag 18 oktober 2011

Evenwicht

Hij staart voor zich uit, steekt zijn rechterwijsvinger in zijn neus, haalt hem eruit en laat de hele vinger met de buit gedachteloos in de getuite mond glijden.
“Hallo,” zeg ik, terwijl ik mijn dochter zoek in het slordig hoopje kinderen dat allemaal gelijktijdig aan de jas van de stagiaire probeert te trekken. “Hallo, jongen, hou je ook nog een beetje over om later in de soep te doen?”
De ogen van zoon schieten vol woedetranen en hij lipt me toornig toe dat hij me haat. Ik ken mijn prins. Zijn woede heeft niets met de onorthodoxe soepkruiden te maken, maar alles met een eerdere weigering van zijn heksenmoeder. Ik probeer me nog te beroepen op mijn gevoel voor humor, maar daar heeft prins geen oren naar. Hij speelt dat hij me voor altijd en eeuwig gaat verlaten. Gezien zijn prille leeftijd kan hij mijn kwetsbare moederhart nog niet volledig peilen, maar uit ondervinding weet hij maar al te goed dat zijn verdwijntrucjes wel enig effect sorteren. Als ik even later aan zijn vader uitleg hoe de oorlog begon, kan die daar hartelijk om lachen. Olie op het vuur. Ksjjjjttt. De overslaande stem van zoon echoot door de hele gang: “Ik haat je!”

Maar ’s avonds kunnen de knuffels in zijn bed hem niet behoeden voor de spoken en lokt hij me met een reeks nepkuchjes naar zijn kamer. Rechtop zit hij, tussen omgewoelde lakens, speurend naar monsters.
“Ik ben de bangste sukkel van de school,” fluistert hij me toe.
“Maar je bent ook mijn liefste sukkel,” fluister ik terug. “Trouwens, vroeger was ik ook de bangste sukkel. Maar nu, nu niet meer. Voor niks niet en niemendal.”
Daar is ze weer, de leugen voor bestwil. Een talent waarvan elke ouder in noodsituaties dankbaar gebruik maakt. Hij wil het me uitleggen, mijn kleine huisfilosoof:
“Dat komt omdat kinderen slimmer zijn en alles beter onthouden. Daarom zijn we banger,” zegt hij.
“Ja, kinderen zijn slimmer,” beaam ik.
Hij laat me een vermoeid, scheef lachje zien. Tuit zijn lippen om de mijne te kussen. Strekt zijn dunne armen om mijn lijf te knuffelen. Zijn liefde is bijna tastbaar. Op het einde van de dag herstellen kinderen altijd het evenwicht.

donderdag 6 oktober 2011

Kat en vlinder

1.

De berg is zwaar, maar de vlinder tilt de kat op.

2.

Poppy worstelt in de gang met haar schoenen en ik help haar. Man loopt om ons heen en leidt twee potige vrouwen, die hij bijstaat in de bouw van hun liefdesnest, zijn bureau binnen. Onze dochter staart hen enigszins vijandig na.
‘Jullie moet trouwen,’ stelt ze beslist. De deur van het bureau staat nog wagenwijd open.
‘Jullie moeten echt trouwen,’ herhaalt ze luid. ‘Want anders worden al die vrouwen verliefd op pappa.’

3.

Kat staat achteloos tegen de muur van het terras geleund. Hij praat met vlinder. Zijn ouders hebben de dag voordien met een deskundig vrouwmens gepraat over onroerend goed. Ontroerend goed, denkt ze. Een nest bouwen. Ontroerend goed.
“En toen hadden ze het ook even over ons,’ zegt hij. Over een zelfstandige kat en een parttime vlinder dus, die al heel lang en gelukkig samenleefden in hun huis zonder zich om financiële zaken te bekommeren.
“Die vrouw geloofde haar oren niet,” gaat kater verder. “Ze zei: als die twee nu hier voor mij zaten, dan trouwden ze nog op de terugweg.”
Kat kijkt vlinder schuin aan: “Zullen we dan maar trouwen?”
Vlinder hoort violen. Ze kent een man die zijn vrouw verraste met een chocolade eitje (Kindersurprise) tijdens een picknick. In het gele verrassingsomhulsel – dat zij eerst nog onwetend aan de kant gooide – had hij de ring verstopt.
Vlinder kruist haar armen en zegt gespeeld streng: “Op de knie of nie(t).”
Kat lacht, maar blijft stevig op al zijn poten staan. Vlinder had niet anders verwacht. Na zeventien jaar kent ze haar kater zo onderhand wel. Kat heeft nooit willen trouwen. Hij staat niet graag in de belangstelling. Maar zij, vlinder, wilde stiekem wel. Allemaal de schuld van die hoofse ridders en VijfTV. De gedachte aan een huwelijk versnelt haar trillende vleugelslag. Ze kirt een beetje, dartelt lichtvoetig de trap op en als kat omkijkt, vangt ze zijn vertederende blik.

4.

Geliefde studeert nog en vertelt me over de kat die de vlinder optilt. We vinden het allebei een fascinerend beeld en herkennen onszelf erin. Hij is onmiskenbaar kat, nuchter, speels en aards. Hij jaagt op muizen, niet op dromen. En ik kan niet anders zijn dan vlinder, zo vol verlangen naar days of miracle and wonder. ’s Avonds lees ik hem in bed voor uit de Kleine Prins en hij doet mopperend het licht aan vooraleer ik mijn ogen helemaal kapot lees.

5.

“We hebben nieuws!” Verwachtingsvol kijken de kinderen ons aan. Man laat de eer aan mij. “Mama en papa gaan trouwen,” roep ik nogal uitbundig.
Het gezicht van prins licht op, maar poppy reageert teleurgesteld: “Is dat ook al nieuws?”
Dan staat ze toch even stil bij de aankondiging, spert ineens de ogen wijd open en juicht: “O mama, en mag ik dan de sleep dragen?”
Er zal geen sleep zijn. Ik schud mijn hoofd. Met eenzelfde beweging spiegelt ze haar ontgoocheling.

6.

“Niet veel gedoe”, zegt kat. “Gewoon trouwen. Een etentje met zus, schoonbroer en ouders. We kunnen het op drieëntwintig december laten doorgaan. En ’s avonds het feestje voor mijn veertigste verjaardag.” Vlinder knikt en haar wiekslag vertraagt een beetje, maar ze heeft geduld. Ze zal hem later uitleggen wat het spreekwoord ook weer betekende. Dat wat in eerste instantie onoverkomelijk zwaar kan lijken, uiteindelijk heel licht kan blijken. En dat Lenny en J.K. Rowlings overschot van gelijk hebben: we’ve got to let love rule!

zondag 25 september 2011

Waar is de moeder van Bambi?

Met open mondjes zitten mijn kinderen ’s avonds naar de televisie te kijken. Nieuwsgierig wurm ik me tussen hen in. Mijn schouders zuigen als magneten hun hoofden naar mij toe. Een voorrecht dat ik voorlopig nog mag koesteren.
‘Waar kijken jullie naar?” informeer ik.
“Naar Batman,” prevelt poppy zonder haar blik van het scherm te halen. Ik loop niet echt hoog op met gemaskerd manvolk, dat meestal met veel vertoon van spierkracht het scherm dreigend opvult, maar blijf toch even meekijken. Batman wordt in deze aflevering bijgestaan door een blikken duo: een breedgeschouderde robot en een fragieler exemplaar. Het begin van het verhaal heb ik gemist, maar ik begrijp al snel dat de grotere robot, gedreven door zijn verlangen naar een zoon, de kleinere ontwierp. Met zijn drieën trekken ze ten strijde tegen de slechteriken. Ik ga ervan uit dat we hier met een onoverwinnelijk trio te maken hebben, waartegen geen enkele maniak, bliksem of storm zal opgewassen zijn. Het goede zal zegevieren en mijn kinderen zullen straks de nacht zorgeloos uitslapen. Maar dan raakt de kleine robot zwaar gewond. Straks is hij weer helemaal genezen, denk ik opgeruimd en aai prins, bij wie deze onverwachte verhaallijn voor ontsteltenis zorgt , geruststellend over zijn hoofdje. Heel even lijkt het goed te komen met de kleine robot. Alleen blijft hij wel met een urgente vraag zitten: “Waarom bestaat er zoveel slechtheid bij de mensen?” Een variant van de verzuchting van prins: “Mama, waarom zijn er slechte dingen?” Ik wijs mijn zoon dan ook op de gelijkenis met de kleine robot. Een beetje voorbarig, zo blijkt, want het gaat van kwaad naar erger met metal boy. Die moet van de mensen ineens niets meer weten, leert al snel het verlangen naar macht kennen en kan er door zijn vader maar op het nippertje van weerhouden worden om zijn eerste moord te begaan. Maar daarmee is de ruzie nog niet over. In een ultiem eindgevecht komen zoon en vader robot opnieuw tegenover mekaar te staan. In zijn strijd om de wereld van het kwade te vrijwaren, ziet de vader geen andere uitweg dan zijn eigen creatie te vernietigen. Ik word daar zowaar even stil van. Ik bedoel, de moeder van Pippi was ook dood, maar over de omstandigheden werd verder niet uitgeweid en voor Pippi zat het lieve mens eigenlijk gewoon toe te kijken door een klein gaatje in een wolk. En de moeder van Bambi kwam dan wel gruwelijk aan haar einde, maar dat speelde zich allemaal buitenbeeld af. De dader was trouwens een onzichtbare, onbekende jager. Als ik aan poppy vraag wat er met de moeder van Bambi gebeurd is, antwoordt ze steevast: “Die is even weg.” Wasverzachter bijhalen of zo. Indertijd werd de miserie niet zo expliciet getoond, terwijl in dit filmpje van die zoon nauwelijks nog iets over blijft nadat de vader met hem klaar is.
Poppy lijkt niet erg aangedaan, maar prins is in alle staten. “Waarom doet die vader zijn zoon dood?" snikt hij. “Waarom doet die zijn eigen zoon dood?”
Ik ben zelf nog in shock en schud een beetje onnozel met mijn hoofd.
“Dat mag niet, mama, dat mag hij niet doen!”
Prins is troosteloos en dus probeer ik hem en mezelf een beetje af te leiden.
“Kijk straks even uit, wil je?” zeg ik. “Want zonet kwam hier een turpelitje door de woonkamer en die heeft op de vloer gekakt.”
Mijn kinderen komen nieuwsgierig kijken. Ik veins paniek.
“Poppy! Nu ben je er toch in getrapt. Jakkes!”
“Je bent maar wat aan het verzinnen, mama,” lacht poppy. “Zo een turpedingetje bestaat toch helemaal niet!”
“Nee,” geef ik toe. “En die robot van daarnet bestaat ook niet. Allemaal verzonnen.”
Prins probeert een klein lachje. Dat de gruwel in de echte wereld die van de verbeelding met gemak overtreft, laat ik maar achterwege. Alles op zijn tijd. Voorlopig heeft mijn zoon al genoeg aan zijn hoofd. Als ik hem een nachtkus geef, vraagt hij zich bezorgd af of hij op het einde van het derde leerjaar wel tot duizend zal kunnen tellen.

woensdag 14 september 2011

Fred

Het zou wel eens de laatste zwoele septemberdag van het jaar kunnen zijn en wij zijn er de mensen niet naar om dat aan ons voorbij te laten gaan. Dus parkeren wij onze luie lijven strategisch op een terras naast een pleintje. Blijkbaar zijn wij niet de enige geniale ouders. Er zijn daar nog kinderen. Prins groeit enkele centimeters wanneer hij onder hen het bevallige, blonde potloodje, waar hij al een tijdje geleden zijn oog op heeft laten vallen, ontwaart. Terwijl de kinderen in raadselachtige, geografische patronen ronddartelen, nippen wij aan een Beach Royal. Op het terras van een aanpalend appartement verschijnt ineens een mollige uitvoering van Rapunzel. Haar golvende haren zijn niet lang genoeg voor onze kinderen om zich aan op te hijsen en dus wuiven ze het kind naar beneden. Van onze miniverslaggeefster poppy krijgen we na welgeteld anderhalve minuut volgende informatie: “Ze heet Laura, is veertien jaar en mijn vriendin.’
We bestellen nog een Beach Royal. Een zuchtje wind blaast ons precies de juiste hoeveelheid koelte toe. Geen wolkje of vuiltje in de lucht. Tot het gefronste voorhoofd van man naderend onheil voorspelt. Ik volg zijn blik over mijn schouder heen. Prins spoedt zich met een vertrokken gezicht naar ons toe en kruipt meteen op de schoot van man. Hakkelend probeert hij zijn paniek te verwoorden: “Dat dat meisje dat zegt dat meisje dat zegt dat daar in die appartementen daar in die appartementen dat meisje zegt dat daar een man woont die die…” Prins drukt zijn neus jankend tegen de borstkas van man aan en laat de rest van de zin verdwijnen tussen de plooien van zijn T-shirt: “…Die Man Lust Konijnenbloed.”
“Dat geloof je toch niet, prins,” zeg ik meteen. “Dat meisje verzint gewoon een griezelverhaal. Dat doen meisjes van veertien als het donker wordt.”
Mijn zus was stukken jonger toen ze me in onze duistere slaapkamer toefluisterde dat er een melaatse in de kast zat. Ziedend van angst schreeuwde ik haar telkens opnieuw toe dat ze ermee moest ophouden. Waarop ze me ongehinderd door enig mededogen liet weten ‘dat er een m. in de kast zat’ en nog vooraleer ik mijn bezwaren kon uitbrullen, herhaalde: ‘Ik heb het niet gezegd! Ik heb het niet gezegd!’.
Prins laat zich echter niet gemakkelijk geruststellen.
“Dat is wel echt, echt wel!” roept hij me toe. “Ze heeft het toch ze heeft het gezegd dat die die die man, die Fred, die woont daar, en die lust konijnenbloed en nu ben ik ben ik zo bang.”
Er begint me iets te dagen. Ik buig me voorover en zeg:
“Zou het meisje het niet over een fretje hebben? Fretjes zijn diertjes. Ze lijken een beetje op een cavia met een langer lijf.”
Prins luistert aandachtig, loert even naar het meisje dat nog steeds in het middelpunt van de belangstelling staat en gaat er dan ineens vandoor. Even later duikt hij alweer terug op, kruipt opnieuw op de schoot van zijn vader en knikt naar mij:
“Je had gelijk, mama. Het was geen man, het was een fretje. En het lust geen mensenbloed. Dat heb ik gevraagd aan haar. Alleen konijnenbloed. Geen mensenbloed.”
Vanonder zijn vochtige wimpers werpt hij een bedenkelijke blik op het meisje dat nu een twee drie piano speelt.

zondag 4 september 2011

Kaftduivels

Gelieve de schriften te kaften. Zo staat het er. Alsof het niks is. U moet weten dat mijn moeder het de helft van de tijd niet over haar hart kreeg om mij naar de kleuterklas te sturen omdat ik zo hartstochtelijk huilde. Daarbovenop ben ik nog eens linkshandig ook. Om maar te zeggen dat mijn vaardigheden op het vlak van knippen en plakken zeer beperkt zijn.
Toch ben ik gisteren dapper een winkel binnengestapt om kaftpapier te kopen. Poppy koos, waarschijnlijk uit een vlaag van heimwee naar haar kleutertijd, voor roze. Prins was er omwille van sportieve verplichtingen niet bij. De keuze was dus aan mij. Lastig. Toch viel mijn oog al snel op een rol zwart kaftpapier waarop een veelvoud aan astrante ventjes in een eenvoudige, witte lijnvoering stoute dingen brulden in wit en rood. ‘YEs.We.CAn.Not,’ riepen ze. En nog: ‘Wel Done! VEry WeLL Put TOgethER! But noT!’ Misschien zat ik er helemaal langs – uiteindelijk ben ik forthysomething en bijgevolg niet meer hip – maar dit kon best wel eens het ‘vetcoole’ kaftpapier zijn dat mijn achtjarige zoon rond zijn schriften wilde hebben.

De dag van het kaften begon vandaag toepasselijk met een regenbui. Zuchtend stalde ik alle benodigdheden op de tafel uit: kaftpapier, plakband en schaar. De kinderen hielden zich gedeisd. ‘Laten we er maar eens aan beginnen,’ zei ik tegen mezelf, maar toen sprong mij ineens een rood tekstballonnetje in het oog. ‘CrAp! CrAp! CrAp!’ schreeuwde één van de kereltjes me vanaf het kaftpapier van prins toe. Terwijl ik me afvroeg of deze tekst toch niet te grofgebekt was, zag ik verscheidene duivelse figuurtjes ook andere dingen roepen: ‘I Don’T GIve A shIT!’ en ‘FUck GrEEn Living!’ Lieve help, deze uitspraken leken me net iets ‘vetcooler’ dan de bedoeling was. Bovendien vernam ik gisteren dat de kersverse juf van prins heel wat vromer is dan haar voorgangers. Ze heeft onze kinderen al laten weten dat ‘Jezus diep in haar hartje zit’. Ik kon me bijgevolg perfect voorstellen hoe deze gruwelijke kaftduivels haar de volgende dag doorheen het verkeerde keelgaatje rechtstreeks en zwaar op het maagje zouden kunnen vallen. Dus raadpleegde ik man:
“Wat moet ik doen?”
Helaas was man niet bereid om het papieren gevloek te relativeren.
“Dat kaftpapier kan je niet gebruiken,” liet hij me beslist weten.
Ik probeerde man duidelijk te maken dat er geen andere optie, noch tijd of reserve kaftpapier voorhanden was.
“Je zou de letters kunnen inkleuren met zwarte stift.”
Ziehier het pragmatisch advies van iemand die op het punt stond om de rest van de dag langs een voetbalveld en in een kantine te vertoeven. Helaas waren er geen andere, briljantere ideeën in omloop. Dus nam ik eerst de gebruikelijke hindernissen. Zoals daar waren: de in rijtjes tegen de tafelkant geplakte strookjes plakband die slechts met veel moeite kunnen losgepeuterd worden, de bol trekkende kaft die tegenspartelt, de schaar die in mijn linkse hand steevast gekartelde én scheve kaftranden oplevert. Daarna, toen alle schriften en boeken uiteindelijk min of meer ingepakt waren, haalde ik de alcoholstift boven voor het volgende huzarenstukje: honderden keren kleurde ik de woorden shit en fuck en crap in. Onderwijl binnensmonds elk krachtwoord meevloekend. Ik had namelijk meer dan ooit last van de ondraaglijke lichtheid van het inpakbestaan.
Uiteindelijk is alles goed gekomen. Elke vuil woord is gewist. En straks zal ik met een gerust hart naar bed kunnen gaan in de wetenschap dat er morgen door mijn toedoen geen devoot mens zal bezwijken.

dinsdag 30 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (14)

Finit

23+24/7
83.
Met één been staan we nog in het zwembad, maar met het andere alweer over de grens. Naar het schijnt hebben de mensen daar al terug kousen aan. Een gruwelijke gedachte, die we proberen te onderdrukken tijdens het ontbijt, maar die ons terug overvalt als we onder de bedden van de kinderen naar ondergoed vissen. De vuile hoopjes was op de bedden getuigen van eindigheid. De koffers gapen ons met open deksels vraatzuchtig aan. De verloren sok in de gang – probeerde zij werkelijk te ontsnappen? – bezorgt ons een gevoel van tristesse. Bijna voorbij, denken we terwijl we elkaar weemoedig voorbij lopen met stapeltjes kleren en handdoeken. Bijna voorbij. Daar hoort een zucht bij en een laatste, melancholische blik over de wijngaarden.
Het lijkt alsof het afscheid een deken van stilte over de dag legt. Alsof toekomstig heimwee de gesprekken aan het ontbijt dempt. Alsof we minder luidruchtig de zon sommeren. Kinderpret onder een stolp, zo klinken de geluiden van die laatste dag aan het zwembad ons nu in de oren. De traagheid van de obers tijdens het avondeten in Goudarche sluit aan bij het elegisch einde van een reis.

84.

De familie Pauw verlaat ons na het avondeten. De rest vertrekt morgenvroeg. We kussen en knuffelen en wuiven onze armen uit de kommen wanneer ze wegrijden. We zijn er zowaar wat aangedaan van. Het is misschien geen slecht idee om ruziënde politiekers hier eens twee weken neer te poten. Die uitgestrekte maaltijden, dat klein gekeuvel in de zon met in je ene hand een boek en in de andere een glas wijn, de vervolgsoap van uitgelaten kinderen en hier en daar een uitstapje. Veel meer was het niet. Ik had u gewaarschuwd. Maar ruimschoots genoeg om een gevoel van verbondenheid te krijgen. We missen de Pauwtjes onder de rode, ronde lampen. We proeven nog wat wijn en we praten nog wat, maar in onze hoofden hebben we al afscheid genomen.

85.

De mannen sturen de wagens onder de poort van de zon door, maar in de verkeerde richting. Bij elke eet- en plaspauze daalt de temperatuur. De duistere schurken van wolken grijnzen ons toe. Wij wrijven de wind van onze bruinverbrande armen af. Even wordt het toch nog spannend, wanneer man overmoedig wil wachten met tanken tot in Luxemburg en ineens met een klein stemmetje laat weten dat hij misschien wel een inschattingsfout zou kunnen gemaakt hebben. “We zullen toch bij een tussenstation moeten gaan tanken.” Er is geen tussenstation. Natuurlijk is er geen tussenstation. Welke idioot zou in de buurt van de grens met Luxemburg een tankstation uitbaten. Man verliest gaandeweg het bruin in zijn gelaat en ik kan man wel wurgen om zijn onachtzaamheid. Er volgt zelfs nog een heel spannend stuk bergop zonder pechstrook. Ik hoor de motor al sputteren. We halen het. Natuurlijk halen we het. Maar uitsluitend omdat ook dit keer mans beschermengel het niet laat afweten. In mijn handpalmen hebben mijn nagels angstsporen nagelaten. En prins heeft een losse tand in zijn hand.

86.

Na een etentje in de buurt, rijden we naar huis. Sluipen nog even de tuin in. Man legt zijn arm over mijn schouders. Ik leg mijn hoofd tegen zijn borst. Prins, met één voet op zijn bal, kijkt ons schuin aan: “Waarom knuffelden jullie niet in Frankrijk? Dat was toch het moment daar.” Voor alle duidelijkheid: wij hebben daar heus wel geknuffeld, die kleine had ginder gewoon geen tijd vrij om te kijken. “Waarom zeg je dat?” vragen wij lacherig. “Het was daar zo mooi,” zegt de romanticus en geeft een harde lel tegen de bal.

87.

Even later heeft prins zelf een knuffel nodig. Hij leunt met zijn hoofdje tegen de buik van zijn vader. Die hoort de druppels vallen, duwt met zijn vinger tegen de kin van zoon en ziet de ogen vol tranen. Prins haalt snikkend uit: “Ik mi-his het zwe-hem-bad zoooo.”
88.

Poppy maakt een tekening, stopt hem in een envelop, vraagt me hoe ze ‘Frankrijk’ moet schrijven. Ik leg het haar uit: een streep met twee armen, een streep met een halve bol en een voetje, de a van ana, de n van ana enzovoort. Wanneer ze klaar is, laat ze me weten dat ze de brief gaat posten.
“Voor wie is die brief?” vraag ik haar.
“Voor Frankrijk,” zegt ze.
“Voor wie in Frankrijk?”
“Gewoon, voor Frankrijk,” zegt ze ongeduldig, wandelt de trap af, opent de voordeur en laat de brief in de gleuf van onze eigen brievenbus glijden. Als een verstrooide vader de volgende dag de brief op de trap legt, is ze voor het eerst verontwaardigd over het postapparaat.

89.

Ik krijg een sms van zus: “Ik was daar zo graag.”

90.
Binnen twee dagen begint de school. Zoon voegt zout water toe aan het bad.
“Ik ben er niet klaar voor,” jammert hij. “Ik ben niet klaar voor de school.”
De vakantie is nu bijna definitief voorbij.
“We moeten in het derde wel tot duizend kunnen tellen,” schudt hij mistroostig de natte haren.
Ik probeer hem gerust te stellen door hem het belabberde begin van mijn eigen schoolcarrière voor te houden.
“Och, ik weet ook niet wat er met me aan de hand is.”
Prins klinkt als een oud wijf en we moeten er allebei een beetje mee lachen.
“Ik denk dat ik nu aan het wenen ben, zodat ik deze nacht in bed niet hoef te wenen.”

91.

Het wordt herfst. Ik voel het. En ik ben er niet klaar voor. Ik ben er helemaal niet klaar voor. Er gaan wel duizenden bladeren vallen. Misschien moet ik nu al beginnen huilen. Dan hoef ik het straks, als alles gaat verkleuren en vallen, niet meer te doen.

vrijdag 26 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (13)

Buik-, teen- en hartaangelegenheden

22/7

76.

Buik
Jarige prins is, zoals te verwachten viel, een vroege vogel deze morgen en zijn vader is ook al uit de veren. Als officiële stand-in van schoonbroer mag hij nu voor het eerst een blik werpen op de delicieuze frangipane die werkzaam is bij de bakker. Zus waart ondertussen onrustig rond op het zonneterras. Zij deelt mijn talent voor plaatsvervangende pijn en ziet er bijgevolg uit als iemand die heel de nacht met hevige pijnen op de pot heeft gezeten. Wij verliezen onszelf in speculaties over de mysterieuze ziekte van schoonbroer. Op de achtergrond geeft peutertje Pauw luidruchtig aan dat het prille leven haar enigszins zwaar valt. En zo vergeten we bijna dat er nog een jarige rond dwarrelt. Poppy had haar nieuwe levensjaar al luidkeels opgeëist, maar prins is stukken bescheidener.
Rewind: acht jaren. Prins zit rechtop in mijn baarmoeder als een kleine, wijze Boeddha. De gynaecoloog beslist dat er een keizersnede zal volgen op negen augustus om negen uur. Ik bazuin overal rond dat deze gang van zaken precies past bij mijn karakter en noteer de geboorte van mijn kind gewoon in mijn agenda. Alles onder controle. Prins zal als Leeuwtje het licht zien. Op tweeëntwintig juli om vijf uur ’s ochtends loopt ons bed vol. “Mijn water is gebroken,” roep ik en probeer mijn logge lijf het bed uit te kantelen. Man mompelt, de stem vol slaap: “Ben je wel zeker?” “Ik ben zeker,” herhaal ik een paar keer en dus springt man uit bed. Op het nippertje. Bijna was hij verdronken in het vruchtwater. Man en ik graaien als kippen zonder kop in lades en kasten en gooien blind wat spullen in een tas. Dit stond niet in mijn agenda. Ik kon toch niet weten dat de Leeuw had besloten om een Kreeft te worden. Buiten waggel ik in een doodstille straat naar de auto, een handdoek tussen de benen.
In het ziekenhuis puf ik, in afwachting van de dokter, onbeholpen de opkomende weeën weg. Die weeën stonden trouwens ook niet in mijn agenda. Maar dan is het zover; daar is hij dan, onze kleine, fragiele jongen. Te klein, naar de zin van man. Waarop een koppel verpleegsters hem behulpzaam nog een centimetertje uitrekt. “Meer kunnen we er niet van maken,” zeggen ze. Een klein kereltje dus. Zijn neus staat scheef en zijn hoofd loopt uit in een punt. Hij lijkt op een heel oud ventje. Een waarlijk bevreemdende ervaring, zo een eerste kind. Wij kijken en kijken en kijken en kunnen er niet genoeg van krijgen. De volgende dag als ik mijn neus wil snuiten, blijken er alleen maar handdoeken in mijn koffer te zitten.
Het is allemaal goed gekomen met dat punthoofd en die neus. Acht jaar later zit prins een beetje verlegen op zijn kapiteinsstoel op en neer te wippen. Hij lonkt verlangend van mij naar de geschenken. Doe maar, jongen. Poppy lijkt het allemaal maar niks te vinden. Al die heisa. Bovendien wil ze weten waar dat goed voor is: die twee bladen op het raam. Bij haar hing er maar één.

77.

Nog buik
Schoonbroer is uit zijn bed gesukkeld en loopt bleekjes rond. De krampen die hij de hele nacht heeft moeten doorstaan, waren hels. “Net zoals die van jou voor de bevalling acht jaar geleden,” merkt mama Pauw gevat op. Helaas levert het voor schoonbroer geen sproetenprins op.

78.

(hoog)Hart(ig)
De kinderen zwemmen. Vriend noemt poppy ‘baronest’ (de 's' is trouwens geen typefout). Ik wou dat ik dit zelf bedacht had. Het dekt zoveel beter de lading dan ‘poppy’.

79.

Hart
Tijdens het waterspel besluit poppy in een onbewaakt moment dat ze haar moeder graag ziet. Dus verzint ze vijf lengtes lang liefdesliedjes. Ik durf bijna niet te ademen.

80.

Teen
Poppy is uitgezongen, maar ik ben vastbesloten om nog een aantal lengtes te zwemmen. Man zit met sudoku op de schoot in de lommer. Ik roep hem er even bij voor een deskundig oordeel. Mijn benenwerk blijkt voor verbetering vatbaar te zijn. Dus kantel ik als een brave leerling mijn voeten in een rechte hoek en strek mijn benen krachtig uit. Er is een Turks spreekwoord dat beweert dat ‘de nagel niet van het vlees mag’, wat in figuurlijke zin betekent dat familieleden niet gescheiden mogen worden. Maar letterlijk geldt dit evenzeer, want in mijn enthousiasme stamp ik keihard met mijn teen tegen de bodem van het zwembad. De pijn bliksemt onmiddellijk naar mijn knie en ik grijp met beide handen naar mijn voet. Want ja, nagel heeft vlees verlaten. Onder water duw ik nagel terug op zijn plaats. Huppel onderwijl zacht jammerend naar het trapje en laat me uiteindelijk neerzakken op een ligstoel. Mijn bloed racet razendsnel over een hersenbaan tussen Nagel van Vlees en Flauwvallen. Man informeert zonder opkijken of hij een kusje moet komen geven. Mijn gejammer schiet blijkbaar te kort. Maar daar is zus, met in het kielzog poppy. Bij het zien van bloed maakt zus meteen rechtsomkeert naar haar medicijnencontainer. Poppy bekijkt de ravage onaangedaan en laat me onverstoorbaar weten ‘dat ik op mijn tanden moet bijten’. Heel even lijkt de pijn zich omwille van een lachstuip terug te trekken. Maar dan ben ik terug één en al teen. En, nee, teen heeft geen zin in overschotje pizza van gisteren. Teen leest de krant, ter afleiding. De koning heeft een toespraak gehouden. In een fotoreeks worden zijn uitdrukkingen geanalyseerd. Slotsom: koning is boos. Gelijk heeft hij. Maar teen doet wel nog altijd pijn.

81.

Teen en buik
Zij zitten naast mekaar aan tafel. Buik knabbelt heel voorzichtig aan een broodje. Teen slikt een pijnstiller waarvan ze een beetje high wordt. Dit kan niet de bedoeling zijn. Dit kan echt niet de bedoeling zijn.

82.

Tenen
Maar Buik laat zich minder snel temmen dan Teen. Bij haar heeft een pilletje de pijn doeltreffend de nek omgedraaid. Teen duikt zelfs opnieuw de keuken in en zus helpt. De jongens stormen af en toe in wilde achtervolgingsdrang langs. Als ze op Teen trappen, zal ik verplicht zijn om hen te vermoorden.
Na het eten praten we nog wat na en durf ik eindelijk de schade te bekijken. “Valt mee,” besluit mama Pauw. Ze heeft gelijk. Of toch een beetje gezwollen misschien? Even vergelijken met de andere onbeschadigde teen. Blijkt ineens dat ik twee 'dikke' dikke tenen heb. Was me nooit eerder opgevallen. Ook dat nog.

maandag 22 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (12)

Perceptie

21/7

72.

Op het onder de slaapkamerdeur geschoven blad staat op de ene zijde in grote drukletters de naam van mijn dochter met een zwart kruis erdoor en aan de andere een tekening van drie vreemde wezentjes met groene, blauwe en gele gezichten. Maar wanneer ik de gulle schenkster hiervoor wil bedanken, keert ze zich resoluut van me af, kruist de armen, fronst de fijne wenkbrauwbogen tot grillige duizendpootjes en spuwt me toe: “Dit is geen geschenk!” Denkfoutje van mama. Mis poes. En kindlief zal het me uitleggen ook. Ze trekt het blad uit mijn handen en wijst met gestrekt vingertje op de doorkruiste naam: “Als jij een ander kind graag ziet, dan ben ik jouw dochter niet meer!” De onvergeeflijke daad van haar moeder blijkt een achteloze aai over het bolletje van peutertje Pauw te zijn.
“Ach,” zeg ik rustig terwijl ik wegwandel. “Dat is spijtig. Ik was nog wel zo blij met de tekening.”
Mijn vileinde dochter laat het al eens graag knetteren tussen ons. Ik verdenk haar ervan verzot te zijn op enig weerwerk, zodat ze nog meer kan fronsen en brullen. Maar negeren werkt uiteindelijk het beste. Gegarandeerd komt ze dan met een langoureuze blik in de ogen over het smalle weggetje van spijt terug naar haar moeder gedrenteld. En ja hoor, even later ligt ze daar alsnog, onder de deur, de tekening: een groot hart met onze twee namen erin.

73.

De Pont d’Arc is een gigantische rotsenboog waardoor de rivier de Ardèche stroomt. 59 meter lang en 34 meter hoog. Er ligt ook een strandje bij en daar gaan wij vandaag naartoe. ‘Of we veel bochten mogen verwachten,’ informeert zus, die sinds jaar en dag overal een netjes opgevouwen, plastic zak tegen wagenziekte in jas of tas meeneemt. ‘En hoe zit het met ravijnen?’ vraag ik schrikschijterig. De mannen schudden unisono de hoofden en dus kunnen we enigszins gerustgesteld vertrekken. Ze hebben gelogen, die mannen van ons. Er zijn wél bochten. En de rotsige afgronden zijn schoon voor de ogen, maar lastig voor de maag. Dus ademen zus en ik bij aankomst opgelucht en gretig de verse lucht binnen.
Van het strandje zelf is weinig te zien. Vrijwel elke vierkante meter wordt enthousiast ingenomen door een toeristenkont. We vinden nog een strook strand in de schaduw van een boom. Toegegeven, die boog is ronduit indrukwekkend, net zoals de rest van de ons omringende rotsmassa’s. En de kinderen gaan meteen met hun tenen de temperatuur van de rivier meten. Schoonbroer en nichtje zijn de eerste die er voluit in duikelen en de Ardèche overzwemmen. De rest volgt, één per één onder begeleiding van man. Een hachelijke onderneming lijkt het me om tussen al die kano’s te laveren. Straks krijgen ze nog een peddel tegen de kop. U weet ondertussen wel via welke kronkels mijn gedachten steevast reizen.
Tussen het oversteken van de rivier door, dabben de kinderen verlekkerd in de modder langs de stroom. Want het grauwe gruis kan je bezwaarlijk zand noemen, maar is wel uiterst geschikt voor prins om er irrigatiekanalen in te graven.
Zelf heb ik het na een half uur al zowat gehad. In gedachte reis ik terug naar Zeeland in de herfst. Man en ik knepen er voor een weekend tussen uit. We waaiden het hotel in en toen we na het uitpakken wilden gaan wandelen, waarschuwde de mevrouw aan de balie ons grijzend voor ‘zandstraling’. Maar wij hadden geen vrees, wij wilden d
e woeste zee in haar smoel kijken. Eenmaal boven de heuvel, met zicht op zee, transformeerde ik mezelf spontaan in een compact bolletje om de kans op wegvliegen te verkleinen. Man lachte me uit, eventjes dan toch, want de wind stak hem meteen zijn gebalde vuist in de keel. Het was uiteindelijk een kwestie van techniek: leunen. Tegen de wind in gaan liggen en leunen, én je voeten niet te hoog optillen. De panden van mijn jas leken vlerken te worden, ik stak mijn armen wijd uit en durfde even te denken: “Wat die meeuw daar boven doet, dat kan ik ook.” Praten met elkaar lukte niet, de woorden waaiden onmiddellijk stuk. Gelukkig hebben we ondertussen niet zoveel woorden meer nodig. De grijze lucht ging over in de grijze zee. Met haar wild schuimende mond probeerde ze het zand op te vreten. En wij, wij waren de enigen die het zagen. Dit desolate stukje rauwe natuur. Voor ons bedoeld, zo leek het wel. Zoals de ongerepte sneeuw op de speelplaats van de lagere school voor het eerste kind (de oma van man woonde vlakbij school). De wilde golven, het natte zand, de jagende wolken, de zwiepende struiken; allemaal voor ons.
Daar moet ik aan denken op dat strand van iedereen. Het ligt aan mij. Ik hou van bijna lege bioscopen en bussen, van leeglopende markten, pretparken in november en winkels tegen sluitingstijd. Van mensen ook wel hoor, maar dan met mondjesmaat.

74.

Ben ik blij als ik weer aan onze boomstam/aperitieftafel sta, bij onze foeragerende vrienden, de mieren. Er wordt pizza gehaald. De kinderen spelen bommetje. Ik kijk tevreden toe. De energie en goesting waarmee ze zich uit het water hijsen, over het terras rennen, een rij vormen en springen. Telkens weer opnieuw. Ik kijk toe maar zie het niet. En Poppy springt en springt en zwemt en zwemt, maar beseft het niet. Totdat ze ineens de handjes voor de mond slaat en roept: “Ik ben vergeten mijn bandjes aan te doen!”
De jongens hebben zich broederlijk in de woonkamer teruggetrokken. Ik geef hen een complimentje. Hun geworstel heeft al eens de neiging om in oorlog op kinderformaat uit te draaien. Gisteren hebben ze plechtig beloofd hun leven te beteren. Als ik hen een pluimpje geef, beginnen ze in stereo te blinken. Er is niks zo schoon als blinkende kinderen.

75.

Schoonbroer voelt zich niet lekker en gaat heel vroeg slapen. Persoonlijk zou dat verboden moeten worden, vind ik, die gruwelijke combinatie van verlof en ziekte. Wij zitten collectief in met de pechvogel en hopen dat een goede nachtrust hem zal genezen. Ons, man en ik, wacht nog een uurtje versieren, want morgen is Prins jarig. Als ik even opkijk van de piratenstoel, zie ik man twee bladen tegen het raam plakken. “Bij Poppy hing er maar één,” waarschuw ik hem . “En reken maar dat ze het gaat zien!”

donderdag 18 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (11)

Cirkels en een vierkantje zon

20/7

67.

Het marktje van Goudarche puilt uit van het volk. Verleden week was het er nog gezellig, want uitdovend. Nu lopen de toeristen in de weg en verdwijnen mijn kinderen uit mijn angstig oog. Een klein, rondbuikig mannetje spuit met een felkleurig waterpistooltje water op de voeten van de voorbijgangers. “Il pleut,” roept hij telkens olijk. Een marktvariant van de dorpsgek, oordeel ik te snel. Dan blijkt dat hij de eigenaar van de speelgoedkraam is. Even verderop probeert een reus van een kerel zijn charmes uit op zus. “Vous êtes belle,” zwijmelt hij, wijst dan bliksemsnel op een paar scharminkeltjes van hondjes en smeert haar vervolgens twee dozen snoepjes aan, want zorg voor gestrande beestjes kost geld. Ik kan het niet laten om zus smalend aan te kijken, waarop ze zich nog een beetje groter maakt dan ze al is en me laat weten ‘dat die snoepjes, wel, dat die snoepjes echt lekker zijn, want dat ze, ja, dat ze nog eens van die snoepjes van zo een hondenman gekocht heeft’. Misschien moet ze bij mijn geliefde te rade gaan. Die houdt ondertussen de reus succesvol af (het mag gezegd: ze hebben wel voelsprieten voor de lieftallige mensen onder ons, die kerels). Man is daar trouwens niet altijd goed in geweest. Vroeger zou het zelfs niet ondenkbaar zijn geweest dat hij even zou invallen, zodat de arme donder een plaspauze zou kunnen nemen. Voor alle duidelijkheid, die mens ronselt geld voor een goed doel, geen kwaad woord daarover, maar met nepcharme kan je mij nu eenmaal niet vangen.

68.

We moeten nog even wachten tot de tafels gedekt zijn, vooraleer we mogen gaan zitten op het overdekte terras. Wat ik nogal bizar vind. En als ze dan even later een klein kookpotje voor me neerzetten, schiet ik in paniek. Denk: Parijs, een gezellig restaurantje, en ik die overmoedig een gerecht kies dat ik niet vertalen kan, maar dat afgaande op de klank overheerlijk lijkt. Denk: er wordt mij een ‘casseroleke’ met een dekseltje voorgezet, ik licht het nieuwsgierig op en staar ontzet naar twee gruwelijke vetbollen. Ik moet niet zoveel denken. In dit potje zit namelijk wel vurukkuluk voedsel!

69.

Tonio. Een citaat: “Het menselijk bestaan klopte van geen kant, maar de cirkels waren altijd mooi rond, en dat was nou precies wat er niet aan deugde. Dat de cirkel van mijn leven die van Tonio bleek te kunnen omsluiten, dat maakt er voor de rest van de wiskundige eeuwigheid een besmette meetkundige figuur van.”

70.

Onze kinderen proberen het snorkelen onder de knie te krijgen. Op de markt stonden ze ons smekend aan te kijken voor de veelkleurige marteltuigen – ik weiger door een dun buisje adem te halen. Ik ging als eerste overstag, terwijl ik toen eigenlijk al het beeld van de verweesde prullen op het zonneterras voor me zag. Vriend en nichtje zijn er het eerste mee weg. Poppy volgt moedig, maar gebruikt het adempijpje meer als rietje om het zwembad mee leeg te drinken. Prins zit in nesten. Ik had dit kunnen voorzien. Zoon worstelt met zijn snorkeltuig: dan is de elastiek weer te los, dan weer te vast en het mondstuk krijgt hij ook al niet behapt. Ik krijg er plaatsvervangende kokhalsneigingen van. Het dekselse ding van Prins ligt dan ook als eerste aan de kant.

71.

Het is telkens weer een opdracht om mijn kinderen hier de douche in te krijgen. Ze willen van water niks weten of er moet chloor in zitten. En bovendien hebben ze echt geen tijd voor zulke futiliteiten. Vandaag probeer ik hen onmiddellijk na het eten bij de lurven te pakken, wat me verrassend snel lukt met Prins. Zoon volgt me even later fris geboend naar de woonkamer, waar zijn zus nog stevig aan de Nintendo vast hangt. Dan zie ik zus staan in de laatste rechthoek zon aan de linkerkant van het zwembad. Zalig wiegend op de muziek, die haar uit de transistor op de vensterbank aan het open raam toewaait. Ik kijk naar Poppy die me straal negeert en denk: verrek, ik ga ook eventjes in de rechthoek. Nichtje komt vrolijk van de trappen afgestormd in bikini en begint het doek over het zwembad terug op te rollen. Blijkbaar heeft schoonbroer nog wat avondlijk watergeploeter beloofd. Mijn kleine jongen kijkt me met een onmiskenbaar verlangende blik aan. “O, nee,” zeg ik meteen. “Geen sprake van. Je bent nu gewassen. Dat kan niet, hoor.” Poppy heeft ondertussen ook lucht gekregen van de plannen en voert het argument aan dat zij nog niet gewassen in. Ondertussen schiet man als een flits ons voorbij en duikt het zwembad in. Ik vermoed dat het een genetische kramp is die me dwingt die zielige agenda in mijn hoofd als een gedachteloos schaap achterna te jagen. Mens, denk ik bij mezelf, je ging toch zelf ook voor het vierkantje zon. Dus kijk ik vanuit mijn ooghoek naar mijn stille jongen, zo vol verlangen, een beetje lijdzaam ook.
“Spring erin,” zeg ik. De lichten in zijn ogen gaan terug aan. Maar daar kondigt zich een nieuw drama aan: vriend komt de trapjes afgesjokt. In pyjama. Zijn ouders zijn binnen nog met peutertje Pauw bezig. Vriend blijft een beetje rusteloos cirkeltjes trekken rond het zwembad, maar krijgt dan ook groen licht.
Ze spelen bommetje. Vanuit het vierkantje licht plonzen ze in het water. Maar het is man die erin uitblinkt. Hij neemt een aanloop, springt, blijft vervolgens een poosje onder water – puur om de spanning op te voeren, vermoed ik – schiet als een raket omhoog en om het helemaal af te maken, schudt hij net voordat hij het hoogste punt bereikt heeft het water van zich af.
Ik moet bekennen dat ik toen dacht: “Wauw!”. En ook: ‘Nog een keer, nog een keer.’

maandag 15 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (10)

Double dip(s)

19/7

57.

Lang uitgerekte, babyachtige kreten dringen mijn droomland binnen. In halfslaap lokaliseer ik hun oorsprong ergens onder ons raam. Een radeloze kater, raad ik. Dat iemand dat verschrikkelijke beest laat zwijgen, denk ik lui en probeer me tevergeefs van het gejank weg te draaien. Met één zuinig opengetrokken oog aanschouw ik een stukje boze lucht en hoor tegelijkertijd iets druppelen. Snel laat ik mijn ooglid vallen en vlucht weg in een droom via een verschrikkelijke luchtbrug die misselijkmakend veel kronkels maakt. Maar dan breken de stemmen van de kinderen, paniekerig en loeihard, mijn dodenrit onverbiddelijk af: “Het regent binnen! Het regent binnen!” Slaapdronken spoed ik me naar de plaats des onheil en zie het water langs de trap afzeiken. Prins volgt onvoorzichtig zijn stijgende adrenalinegehalte, maakt een uitschuiver op de natte vloer en belandt op zijn rug.
“Goed begonnen, is half gewonnen,” verzucht ik binnensmonds.

58.

De verjaardagsochtend van Poppy verloopt aldus chaotischer dan gepland. Zes jaren geleden kwam ze op een vroeg avondlijk uur op de wereld. Diezelfde ochtend had de gynaecoloog het aan mij overgelaten om de bevalling in gang te laten zetten. Zus zou de volgende dag op vakantie naar Frankrijk vertrekken, en dus zei ik ferm: ‘ja, doe maar’. De gedachte dat zus mijn tweede kind niet zou kunnen zien voor het vertrek, leek me aanvankelijk pijnlijker dan mijn vliezen te laten breken. Een mens kan zich al eens vergissen. Na een aantal uren dapper opboksen tegen de weeën, die ik op aanraden van een vriendin/vroedvrouw probeerde te visualiseren als golven, vroeg ik om een epidurale verdoving. De wilde baren hadden ondertussen in mijn beleving de omvang van een tsunami, maar lieten zich door één spuit gewillig intomen tot lieflijk, kabbelende golfjes, waarop ik me slaperig liet meedeinen. Toen de bruingebrande en ontspannen gynaecoloog arriveerde in een strak T-shirt met bloemen, diende ik nog maar drie maal te persen vooraleer de ronde baby met de bolle wangen en het zwarte punkkapsel eruit floepte. Vier kilo en honderd gram levenslust.
Zes jaar later lijkt de stortregen het feestvarkentje niet te deren. Ze zit als een prinses op haar ereplaats en slurpt cola. Zij is de baas en wij, haar onderdanen, zingen vals maar uit volle borst ter hare glorie.

59.

Schoonbroer heeft de krant met een onheilstijding op de tafel gelegd. Iemand leest voor en ik schrijf het bericht met pijn in het hart over in mijn reisdagboekje: ‘Zware onweders dreigen in Italië en Zuid-Frankrijk – Vakantiegangers die ons rotweer ontvluchten zouden wel eens van de regen in de dop kunnen belanden. Grote delen van Zuid-Frankrijk en Noord-Italië dreigen de komende dagen te veranderen in helse onweersgebieden. Dat melden diverse weerstations.’ Ik tel de dagen die ons resten en stel vast dat voor het eerst tijdens onze vakantie zelfs Corneille onzichtbaar is achter laaghangende wolken. Aan de rechterkant van het huis baant een bruisend watervalletje zich over de trappen een weg naar beneden. Ik denk opnieuw aan de weergoden en vervloek hen, én de weerstations. En ook Frank en Sabine kunnen me de pot op, maar onze kinderen gebaren van krommenaas en gunnen de wolken buiten geen blik.

60.

Tegen alle verwachtingen in begint het toch op te klaren, zelfs in die mate dat de mannen plannen maken om naar de Ronde van Frankrijk te gaan kijken. Nadat Prins zijn Vriend, die zijn interesse in het wielrennen verloren heeft, verwijt voor zijn liefje (Nichtje) te kiezen, volgt er een slangenbeet om de enkels als reprimande en duikt Prins huilerig weg onder een dekentje in het nest (de bijeengeschoven zetels, weet u nog wel?). Vol goede bedoelingen duikel ik hem na en promoveer hem tot kapitein. Afleidingsmanoeuvres hebben vaak een heilzame werking. Maar Prins schudt weigerachtig zijn onzichtbare hoofd, waarop Poppy zich door een acuut aandachtstekort overboord laat vallen. Zus doet vervolgens buitenboord een verdienstelijke poging om de drenkeling af te leiden door een zeemeermin te imiteren. “Of een zeekoe,” plaag ik haar, waarop Poppy weer in de overtreffende trap gaat en met veel overgave een ‘vliegend zeemeerminnenpaard’ uitbeeldt. Uiteindelijk is de kapitein bereid om het gesprek aan te gaan met zijn vader. Na een bemoedigende duik in de zak snoepjes, vertrekken schoonbroer, man en zoon richting Tour de France.

61.

Nichtje en vriend vervelen zich. Nichtje staat al een beetje te drentelen aan de grens van de pubertijd. Haar lach kan al eens een echo hebben. En ze doet iets meer aan zonnebaden dan de anderen. Voor de rest is ze allerliefst. Maar dat vervelen, tja, ik heb zo een vermoeden dat als vervelen niet bestond, pubers het wel hadden uitgevonden.
“Kom, kom,” zeg ik en wapper gespeeld ongeduldig met mijn handen. “Er zijn zoveel dingen die je binnenshuis kan doen. Je kan bijvoorbeeld voor het langst op het hoofd gaan staan. Een wedstrijdje 300 meter platliggen dan? Neen? Geen interesse? Neuskeuteltjes draaien en voor het verst wegschieten? Toch niet? Aha, hier komt het: de wijsvinger in het linkeroor steken en die dan helemaal door het hoofd heen duwen tot die aan de andere kant er terug uitkomt. Ook niet? Tja, dan weet ik het niet meer.”
Ondertussen grinniken ze de lethargie een beetje uit hun lijven weg en beginnen ze vliegertjes te vouwen.

62.

Met de pruttelgeluiden van Peutertje Pauw op de achtergrond vertel ik over die keer dat ons Peutertje Poppy wel erg lang bleef jengelen. Man werd er uiteindelijk horendol van, boog zich over de babyfoon en bromde met duistere stem: “Hallo Poppy, hier Sinterklaas, als je nu niet gaat zwijgen en slapen, kom ik je in december geen speelgoed geven’. Poppy staat ondertussen met grote ogen naar mijn verhaal te luisteren en ik vertel verder. Het gejengel stopte en even werd het muisstil. Tot we haar snelle ademhaling hoorden en uit de babyfoon een lage, trage stem weerklonk: “Hallo! … Ik ben zwarte Piet.”
Ons kind is voor de duivel nog niet bang en ze zal zelfs niet met één venijnig voetje ergens intrappen.
Poppy is verdwenen. Tegelijkertijd horen we Peuterje Pauws gejengel overgaan in een schaterlach. Ik weet onmiddellijk hoe de vork in de steel zit, haast me naar de kamer en zie Poppy aan het bedje staan. “Je weet dat dit niet mag,” zeg ik. Meer is er niet voor nodig om dochter boos te laten wegstuiven. Vastberaden klim ik haar na op haar matrassen toren. “Ik doe al-tijd al-les fout,” huilt ze. Poppy heeft last van aanstelleritis. En vergis u niet: deze schuldbekentenissen zijn enkel rookgordijnen. Straks zal ze weer lief zijn, dat weet ik, maar nu is het even tanden bijten en haar laten pruttelen in haar grote kindergelijk. Jarig of niet.

63.

De mannen zijn terug van hun wielrenneravontuur. Een geheimzinnige Prins wil niet veel kwijt en man grijnst voortdurend zonder ondertiteling. De beelden op het mobieltje van schoonbroer bevestigen mijn vermoedens. Die wielrenners flitsen als een bende road runners voorbij. Ik vermoed dat je het mist als je op een ongelukkig moment je sigaret aansteekt of niest. En aan het gezicht van man te zien, is dat precies wat er gebeurd is.

64.

Alle weerstations ten spijt, hier komt ze, de zon. Ze doet ons vel knetteren. De kinderen ploeteren rond in het zwembad. Op het terras herlees ik aangeduide fragmentjes Tonio. Ooit ging de auteur met een bus naar de Dordogne met een alerte kleuter Tonio, die heel de nacht wakker en met grote ogen naar buiten zat te kijken. “Godverdomme, Tonio, had je vanmorgen vroeg toen het nog licht moest worden boven de Stadshouderskade, diezelfde waakzaamheid maar kunnen opbrengen.” Mijn gemoed schiet alweer vol.

65.

Misschien komt het door de ochtendlijke regen, die een tranendal beloofde en de zon die nu het gevecht met gemak wint, dat wij iets te stevig aan het aperitieven slaan. De sfeer zit er alleszins in. De kinderen spelen uitgelaten, de mannen vangen kleine uiltjes (en maar hopen dat er in hun dromen ook wat zon voorkomt) en de vrouwen keuvelen en giebelen. Maar er moet ook nog gekookt worden. Souschef/zus en ik proberen er, ondanks de aperitiefloomte, het beste van te maken. Pasta curry met scampi’s staat op het menu. Terwijl zus de groenten attaqueert, onthoofd ik de scampi’s en trek hun jasjes uit. Mijn traagheid kan ik mezelf nog vergeven, maar er moet wel kwaliteit op tafel komen te staan. Dus leg ik mezelf streng op om netjes en methodisch te werk te gaan: pellen, reinigen, stukjes hakken, daarna alles opruimen, en dan pas aan de bereiding beginnen. Zo gezegd, zo gedaan. Na de voorbereiding gooi ik het groenafval in de gigantische vuilbak onder het aanrecht, bak wat ajuintjes aan in de pan, meng in een andere pan de reeds gekookte spirelli voor de kinderen met de overschot van de saus van schoonbroer en wil daarna de scampi’s aan de ajuinen toevoegen. Maar waar zijn de scampi’s, vraag ik aan mijn souschef. Ze haalt haar schouders op en kijkt rond. En dan dringt de verschrikkelijke waarheid tot me door. Want ik besef ineens waar de scampi’s zijn. In de vuilbak. Tegelijk met het identieke kommetje met de scampikopjes en -schalen weg gekieperd. Gordon Ramsay zou me afmaken en braden in een ketel. Terwijl ik onderdrukt jammer, duikt zus kordaat de grote bak in. “Redden,” hijgt ze. “We gaan ze redden.” Ze grabbelt vol overgave in het afval en overhandigt me al een handjevol beestjes. “Afwassen,” beveelt ze mij. Ik dwing mezelf tot actie, werp de scampi’s in het vergiet en begin te spoelen. Maar dan komt schoonbroer binnen. Zus richt zich vliegensvlug op en ik roer net iets te overtuigend in een lege pan. “Wat ben je aan het doen?” hoor ik schoonbroer vragen. Als een betrapt kind roept zus uit: “Ik ben niets in de vuilbak aan het zoeken, hoor!” “Wat?” denk ik. Zodra schoonbroer zijn rug gekeerd heeft, buigt zus zich opnieuw over de ravage. Ik probeer verder onheil te voorkomen, door de gaartijden van de twee ketels met pasta in de gaten te houden en regelmatig in de spirelli met saus te roeren. Ondertussen blijft zus me scampi’s toegooien. En daar is hij weer, schoonbroer, informeert vriendelijk of we nog wat wijn believen. Van pure ellende roer ik me een tenniselleboog in de nog steeds lege pan. “Kom, laat mij nog even proberen,” zeg ik tegen zus, nadat onze glazen gevuld zijn en graai nog wat dieper, totdat de geur van afval in mijn neus dringt en me dwingt te stoppen. Teleurgesteld staar ik naar de povere vangst in het vergiet. We hebben niet eens één vierde van de beestjes kunnen recupereren. Schoonbroer komt ondertussen iets in de vuilnisbak deponeren en lijkt een nieuwsgierige blik in de pan te gooien. Zou hij iets doorhebben? Vast niet, proberen we elkaar op te peppen. We gaan keihard doen of onze neuzen bloeden. Misschien merken de anderen er niets van. We zijn immers collectief in de drank gevlogen. Alles komt goed. Helemaal niks aan de hand. Maar staat dat vuur onder de spirelli echt nog aan? Zus kijkt me nu toch ietwat verontwaardigd aan, terwijl ik zwetend door de aangekoekte massa roer en probeer te redden wat er te redden valt.
Wanneer we ons stilletjes aan de tafel bijschuiven, peilen we de blikken van de anderen. Het zou kunnen meevallen, maar schoonbroer stelt schijnbaar achteloze vragen. En dan begint het ons te dagen. Die snoodaard had ons blijkbaar al vanaf het begin in de smiezen. We geven ons keukenfiasco toe. Niemand schuift zijn bord weg.

66.

Zoon en vriend hebben het moeilijk om de slaap te vatten. Last van ‘vieze dromen’ hebben ze. Ik zuig de nachtmerries uit de oren van Prins en mama Pauw neemt die van vriend onder handen. “Nog eens,” zegt vriend droogjes. “Er is een stukje in mijn oor blijven hangen.”

zondag 14 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (9)

To play

18/7

51.

To play (outside) - Schoonbroer haalt zus nogal dwingend achter haar boek uit. De slavendrijver wil gaan joggen. Ik tik met mijn vinger tegen mijn voorhoofd. Zus sputtert eventjes tegen, maar staat dan toch op uit haar ligstoel en sjokt de trapjes op. Mij krijgen ze niet zo gek. Het ritme der schildpadden; dat zal de hele vakantie mijn deel zijn. Ik liet mij voederen, mocht iemand bereid zijn.
Achteraf, zo fluistert zus me grijnzend toe in de keuken, blijkt schoonbroer eerder geïnspireerd geweest te zijn door een aflevering van ‘Van vlees en bloed’. Ik bied hem hierbij dan ook ootmoedig mijn verontschuldigingen aan. En zus zal het ook geweten hebben: na deze bekentenis zal ik niet nalaten haar regelmatige pesterig te vragen of ze ‘eejvèntueeil trek heejft in tweej kootelètjes’.

52.

To play (and cheat) - Terwijl een delegatie naar de Mont Ventoux vertrekt om aldaar het uitzicht in te ademen, installeren Poppy en ik ons op het terras met spelletjesdozen. De zon piept lustig tussen onschuldige wolken door. Poppy speelt schaamteloos vals. Bij het ‘Wie is het spel’ kiest ze ongegeneerd het kaartje van de enige dame met een dikke neus, bestudeert deze zonder schroom en maakt me dan achteloos af met een gerichte vraag: “Heeft zij een dikke neus misschien?”
Bij het volgende spel introduceert ze eigenhandig een nieuwe spelregel waarbij het haar en enkel haar geoorloofd is om de dobbelsteen twee keer na mekaar te gooien. Mij hoor je niet klagen; zo schiet het spel tenminste een beetje op.

53.

To play (and not to disturb) - Prins heeft de Nintendo van zijn vriend herontdekt. Zelf heeft hij er al twee ‘stuk gespeeld’ en we hebben het maar zo gelaten. Er staat een goal in de tuin en de speelkamer bulkt van het speelgoed. Maar nu de kat terug bij de melk zit, drinkt ze. Met volle teugen. In een ietwat ongemakkelijke positie op de leuning van de zetel. Elk woord uit mijn mond schampt af op het geconcentreerde lijfje. Het heeft iets vertederends. Als kind kon ik immers ook al zo compleet onbereikbaar zijn, maar in plaats van in die vermaledijde Nintendo, woonde ik wel in een boek.

54.

To play (cool) - Wij spelen spionnen, Poppy en ik, in het kou-hou-houde water. Onze opdracht bestaat eruit alle dieren van de ene kant naar de andere kant te krijgen, zonder dat het gespuis dat daar in de zon ligt te niksen ons ziet. Keispannend en vetcool schijnt dat te zijn. En het mag gezegd, wij zijn meesterspionnen, want het gebroed in de ligstoelen heeft niet bewogen of zelfs maar één lodderig oog geopend, hoe hard wij ook giechelden om de aandacht te trekken.

55.

To play (and to delete) - ’s Avonds wordt de diavoorstelling van de foto’s afgespeeld op de laptop. En wordt mij, zoals gevreesd, een reeks bikini- en zowaar enkele shortdrama’s door de strot geduwd. Op het einde bekijken de vrouwen elkaar samenzweerderig en leggen een plechtige eed af: alle niet-flatterende beelden gaan eruit! Al geruime tijd was ik overtuigd van zijn nut, maar nu zie ik het alweer maar eens bevestigd: leve de deleteknop!

56.

To play (and decorate) - Man en ik versieren. Niet elkaar, al zou dat ook aangenaam geweest zijn. Dochter wordt morgen zes. Nadat iedereen zijn nestje heeft opgezocht, verzamelen wij gekleurd papier, stiften, schaar en plakband en worden kortstondig kind. Ik versier de erestoel, dek de tafel, leg de geschenken op de ereplaats en vul een wijnglaasje met vieze snoep. Papa kalkt het heuglijke nieuws in veelvoud op papier en attaqueert er de muren, ramen, lampen en zelfs de gangvloer voor de slaapkamer van de meisjes mee. Met een wederzijds schouderklopje gaan wij om twee uur moe maar voldaan de nacht in en koesteren geen enkele twijfel over een stralende ochtendzon.

vrijdag 12 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (8)

La Roque-sur-Cèze

17/7

43.

Prins hangt half staand in zijn ontbijt te poeren.
“Niet met je eten spelen,” zeg ik.
“Maar ik speel zoooo graag met mijn eten,” antwoordt hij vol overtuiging.
En wij maar tonnen lego aandragen, terwijl onze jongen al die tijd gewoon tevreden was geweest met wat broodkorsten.

44.

Nadat ik tijdens een spelletje, waarin ik de rol van boef krijg opgedrongen, het vier keer na mekaar moet afleggen tegen Mega Mindy/Poppy (Studio 100 heeft het begrip ‘nuance’ nog steeds niet ontdekt) rijden we naar La Roque-sur-Cèse. Jongeren met pubervet zwoegen op fietsen de berg op. In de velden laten zonnebloemen collectief de gele hoofden hangen, geknakt door het mottige weer. Over een oude, smalle brug rijden we naar de voet van het middeleeuwse dorpje dat uitgeroepen werd tot één van de mooiste dorpen van Frankrijk. Achter de brug ligt een ruime parking voor bezoekers, maar ons busje is te hoog voor het eerder onnozele raamwerk dat aan de ingang staat. Geliefde rijdt de weg op langs de parking en wil daar ondanks de verbodsborden parkeren. Ik voorzie rampscenario’s. Aan de lamentabele toegangshekken staat een verveeld meisje met een warrig, kort kapsel en piercings. Langs haar een catweazle-achtig figuur. De plaatselijke dorpsgek, denk ik meteen oneerbiedig. De man draagt een grote kapmantel waaronder twee schrale, geschaafde knieën uitsteken. Het zou eventueel mogelijk kunnen zijn dat hij daar helemaal niets onder aan heeft en in een onbewaakt moment zijn vlerken spreidt. Ik mag er niet aan denken. Catweazle is bereid om geliefde naar een parkeerplaats te begeleiden. Met een trolachtige gang loopt hij voor het busje uit. Ik kijk ze na tot ze uit het zicht verdwijnen. Wij wachten. Het duurt even. In mijn verbeelding zie ik de dorpsgek hysterisch van vreugde aan de rand van een ravijn staan, onderwijl krijsend: soixante neuf, …soixante neuf. Mijn zus vraagt me spottend waarom ik speciaal dat nummer kies.
Maar hij keert weer, mijn geliefde. We wandelen naar het dorpje dat gebouwd werd op een rots die over de Cèse hangt en dat enkel te voet bereikbaar is. Het is er werkelijk sprookjesachtig. Bultige, smalle, hellende wegeltjes kronkelen omhoog en mijn praktische ik zoekt naar een katrollensysteem, waarmee men de boodschappen naar boven hevelt, maar daar valt niks van te bespeuren. De huisjes in geelkleurige steen hebben hoge, kleine ramen en geven hun geheimen niet prijs. Wanneer we boven aankomen, verzucht mama Pauw: “Ik verwacht hier elk moment een jonkvrouw met een jurk.” Met sierlijke gebaren schetst ze de grandeur van het kleed. Ik verwacht eerder de duivelse broer van Catweazle, die ons stiekem gevolgd is, afwacht tot wij dorstig en verdwaald zijn om ons dan met een listig lachje een huisje in te lokken. Hij hakt ons in mootjes en vreet ons op. Dit is het dorp dat geen mens levend verlaat. Ik beken, ik heb een gruwelijke fantasie. Tijdens de afdaling valt Prins nogal ongelukkig. Ik verwacht minstens dat zijn neus binnenstebuiten zit, maar hij wipt vrolijk recht met slechts wat oppervlakkige schaafwondjes aan handen en knieën. De afdaling is geen sinecure. Mama Pauw en ik wandelen in stijl. Op hoge hakken. Elegantie voor alles, denken we. Sex and the City, maar dan met iets meer vlees aan. Terwijl we toch allebei nogal verraderlijke enkels hebben, die ons in het verleden meermaals en zelfs op vlekkeloze ondergrond in de steek lieten. De enige wijze om hier levend uit te komen is een afdaling à la Charlie Chaplin. Dat kan men bezwaarlijk gracieus noemen. Charlie in jumpsuit en high heels.
“Kijk daar,” wijst mama Pauw naar het dal. “Toch een beetje gek dat zo een klein huisje een zwembad heeft.” Beschaamd lachend slaat ze de handen voor de mond als ik haar de kast van een huis vijfhonderd meter verderop aantoon. Het kleine huisje is slechts het poolhuis. Mama Pauw, we hebben haar verdorie besmet met onze legendarische verstrooidheid.
Tijd voor drank. Het hoeft geen Cosmopolitan te zijn. Wij nemen genoegen met een biertje. Dankjewel. De mevrouw van de crêperie herkent drankorgels van op drie meter afstand, vermoed ik, want ze legt ons afgemeten en met een gebeitelde, iets te brede glimlach uit dat we enkel cider kunnen krijgen als we ook eten. En, vooraleer onze hoop met ons op de loop gaat, dat die cider een zeer laag alcoholgehalte heeft. Dus bestellen we frisdrank en de kinderen onderhouden hun suikerverslaving met een ijsje.
“Dat is er zo eentje die ons nu in de keuken uitgebreid gaat staan uitkakken,”
zeg ik tegen zus wanneer het vrouwmens verdwijnt. Een gedachte die ze volmondig met me deelt. Dat mensen niet beseffen hoe eenvoudig het is om een onechte van een echte glimlach te onderscheiden, is me een raadsel.

45.

Nichtje zit gebogen over een Franse reclame dreunend tekst af te ratelen. Zus kijkt haar schuin aan en zegt dreigend: “Ik ga een stuk plakband op je mond plakken.”
En voegt er na een korte pauze droogjes aan toe: “Ben je ineens ook van die snor af.”
Ik lach. Wij hebben hetzelfde soort humor en gelieve, alsjeblieft, niet onze kinderen te beklagen, want die zijn daar immuun voor. Meer nog, hun humor is pas gruwelijk.

46.

In België is het vijf voor twaalf. Hier op de klok in de woonkamer in Frankrijk is het voor eeuwig en altijd twintig voor drie. Het heeft iets magisch.

47.

Schoonbroer kijkt mistroostig op de papieren die hij een week geleden in België heeft afgedrukt: 10% kans op regen en 80% kans op zon. Er klopt niets van. De zon hebben we vandaag nog niet geroken, laat staan gezien. De mannen gaan in het stadje in een internetcafé de zon zoeken en in één ruk door reserveren voor het avondeten. Als ze terugkomen hebben ze aan de vrouw die hen bier serveerde gevraagd of er nog zon zou zijn vandaag. Ze zei: ja, het gaat opklaren. Over een betrouwbare bron gesproken.

48.

De kleine, verlegen Tonio klom vroeger in Horta bij de vertaalster van de boeken van zijn vader vaak in de olijfboom. De vrouw heeft na de dood van de jongen een nieuwe stek geplant. Vader en ik zijn daar allebei van aangedaan. Pagina 554 en het einde nadert. Ik word er, zoals altijd, een beetje rusteloos van. Zelfs bij dit boek, waar het einde toch al van het begin af aan vastlag.

49.

We eten half binnen, half buiten een restaurant in Goudarche. De bar/weervrouw had gelijk, de zon komt voorzichtig piepen. De kinderen rennen naar het bruggetje. Ik kan hen daar niet zien. Soms lopen ze ook achter de muur die het restaurant in twee verdeelt. Onrust bekruipt me. Na de dood van Julie en Melissa las ik in een artikel dat kinderen statistisch gezien miljoenen jaren op een brug moeten staan vooraleer een slechterik hen zou meepakken. Het zal wel. Ik wil mijn kruimels in het zicht. Paniek legt maar al te graag zijn ijzeren hand over mijn hart.

50.

Er schiet me iets in het verkeerde keelgat. En het is geen eten. Dus schiet ik terug. Maar wij zijn slechte soldaten, geliefde en ik. Oorlog is niet ons ding. Even later staan we op het terras elkaar alweer overschot van gelijk te geven.

woensdag 10 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (7)

Liefde stinkt

16/7/2011

37.

Achter de balie van de gevangenis zit een oude kennis. Ik ontdek bij mezelf enig leedvermaak. Ze had het nogal hoog in haar bol. ‘Ik wist niet dat je hier werkte,’ zeg ik tegen haar. Tegelijkertijd wil ik naar buiten stappen en ruk zowaar de deur uit haar hengsels. De vrouw kijkt me ontstemd aan. En dan word ik wakker.
De dromen van zus hebben vaak een overduidelijke link met de gebeurtenissen van die dag, maar bij mij valt er geen touw aan vast te knopen. Het is jaren geleden dat ik vorming gaf in de gevangenis en dus weet ik dat zelfs John Massis geen enkele beweging in die deur zou krijgen. Het is me daarenboven een compleet raadsel waarom ik die kennis ineens laat opdagen ter wille van wat boosaardig plezier. Of krijgen de wolken in het hoofd van overdag ’s nachts een venijnig trekje?

38.

Hoe dan ook, ik ben het eerste groot mens dat wakker is. Poppy, onzichtbaar in haar hoogpotige bed, ademt zwaar haar dromen in en uit. Beneden zit Nichtje als een grote vlinderpop in een cocon van dekens te wachten. De zon is ons goed gezind. We mogen van haar zelfs buiten ontbijten.
De mannen maken plannen boven de tafel. Op het moment dat het woord ‘kajakken’ valt, haak ik af. Mij krijg je daar nooit meer in. Ik eet nog liever een keuteltje van een lelijk mens op. De enige keer dat ik onder groepsdruk in dat ding afdaalde, was mijn schuitje het enige dat omsloeg. Door mijn eigen, domme fout dan nog. Ik had namelijk het briljante idee om voortijdig uit te stappen en een stukje langs de stroom mee te wandelen. Een waterdicht plan om de waterval, die mij vast en zeker naar de verdrinkingsdood zou leiden, te vermijden. Helaas, ik maakte een inschattingsfout, sloeg mijn been te snel overboord en sleurde niet enkel mezelf maar ook mijn toenmalig lief de diepe wateren in. Die waterval bleek achteraf dan ook nog eens de naam niet waardig te zijn.
De vaders, zonen, schoonbroer en Nichtje vertrekken. En omdat deze schrikschijter van een moeder haar dochter niet kan begeleiden, verzint ze een leeftijdsgrens voor kajakken. Heimelijk bewonder ik vader Pauw, die besloten heeft zijn heilige watervrees wel te trotseren. Love stinks.

39.

Dochter en ik verstrengelen onder water onze ledematen.
“Je stinkt,” zegt ze met een opgetrokken neusje en wijst naar mijn mond. Voor alle duidelijkheid, ik heb deze morgen heel flink mijn tanden gepoetst en ik vlieg echt pas na de lunch in de drank.
“Naar wat stink ik dan?” vraag ik.
Poppy kijkt me bedeesd aan, alsof ze haar uitspraak al betreurt.
“Naar de liefde,” fluistert ze.
En dat liefde stinken kan, tja, dat wist ik al langer.

40.

In de vroege namiddag snijden we fruit voor onszelf, maar vooral voor Poppy die het wat moeilijk heeft met de grote boodschap.
Even later is het zover. Ik hou haar handje vast terwijl ze drukt en klaaglijke kreetjes slaakt. Het lijkt wel alsof ik langs een barende dochter sta. Maar wanneer het eindelijk lukt, is ze me zo dankbaar dat ze me als een octopus in een stevige omhelzing klemt. Je stinkt zelf naar de liefde, bedenk ik.

41.

Onze rivierridders laten op zich wachten. En wachten. En nog een beetje wachten. Wij zie hen voor ons geestesoog aan het vertrekpunt nog in cirkeltjes rond peddelen. Of misschien waren de kano’s op en zijn ze naar een verder gelegen stadje moeten rijden. Of hebben ze het busje aan het eindpunt gemist. De gruwelijke gedachten spreken we niet uit.
Mama Pauw zit met de voeten in het water verdacht veel naar het wegje waarop wij onze Kaapvaarders verwachten te kijken. Zus en ik stellen ondertussen vast dat de mobieltjes van de drie musketiers in het huis liggen. Maar dan is er uiteindelijk het verlossende getoeter. Van ver al. Ze komen eraan. Heelhuids. Wij wuiven ons te pletter.

42.

Vriend is op Nichtje en Poppy speelt paparazzi. Berichtjes worden aan een irritant tempo doorgegiecheld, totdat Nichtje er ongemakkelijk van wordt en zich een beetje huilering verschanst bij zus om op adem te komen. Prins staat er een beetje als een verlegen chaperonne bij en laat Nichtje op het einde van het gesprek bij wijze van troost weten dat hij verliefd is op Lotte, maar eigenlijk nog niet klaar is voor een relatie.
Paparazzi is terug dochter en dat zal ik geweten hebben. Wanneer ik het waag een strandbal naar peutertje Pauw te rollen, laat Miss Poppy me giftig weten dat ik geen goede moeder ben.
“Neem haar maar als dochter,” roept ze dramatisch uit. “Want je houdt toch meer van haar!”
Liefde stinkt echt.

zondag 7 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (6)

And where will we hide, when it comes from inside? (J. Taylor)

15/7/2011

29.

Buiten schijnt de zon, maar in mijn hoofd drijven wolken rond. Deze nacht heeft iemand de spiegel in de badkamer vervangen. Dat moet wel, want ik zie eruit als een trol. Mistroostig pluk ik aan de kleren in de kast. Haal er verschillende kledingstukken uit, die ik zuchtend weer op de kapstok hang. De lucht is blauw genoeg, maar in mijn kop gutst de regen. Of had ik dat al gezegd? Ik ben zo opgestaan, met dit lijf, dat als een walrus via de duistere golven van een droom op mijn bed moet zijn aangespoeld. De ganse dag zal ik het moeten meesleuren, terwijl ik het liefst van al mezelf bij het kadaver van de vlinder had gedumpt. Want het giet in mijn binnenkant; dikke druppels die in bellen veranderen als ze de bodem raken. Of had ik dat misschien al verteld?
Zus fladdert in de gang rond in een babydollachtig jurkje met grote bloemen. Er is mij onlangs iets opgevallen: als zus buiten komt, klaart het op. Het kan toeval zijn natuurlijk, maar ik ben erop beginnen te letten. Telkens als er grijze wolken hangen, gaat zus eigenwijs met een boek, zonnebril en –melk op het terras zitten. Dan is het een kwestie van in de startblokken te schieten, wil ik eerder dan de zon het terras opstormen. U moet mij geloven, van het groene monster heb ik nooit veel last gehad, maar ik benijd zus vandaag wel. Ze lijkt door de gang te zweven. Ik begeef me zuchtend terug naar de kast en trek inwendig jammerend hetzelfde saaie, bruine paterskleed als gisteren aan. Met beide handen probeer ik mijn treurige gelaat in een min of meer zorgeloze plooi te strijken, maar mijn klein verdriet drupt langs de binnenkant van mijn gezicht weg en blijft ergens ter hoogte van mijn keel vastzitten. Of had ik dat al met niet zoveel woorden gezegd?
Dapper doorworstel ik het ontbijt (Ik registreer voor mijn dagboek dat de pot Duo Choco zus terugvoert naar haar kindertijd en ze er altijd de witte kant van opat. Ik herinner me dat nog.). Alhoewel ik mijn best doe, besef ik hoe broos de communicatieve brug tussen mij en de anderen is. In het beste geval denken ze dat ik nog wat versuft ben of zijn ze ook met zichzelf bezig, maar dat is buiten de antennes van mijn zus gerekend. Ze heeft nu eenmaal de gave om door mijn vel heen te kijken. ‘Is er iets?’ informeert ze, terwijl ik een fles melk terug in de koelkast zet. Ik mompel in het voorbijgaan iets nietszeggends terug. De zon schijnt. Het is vakantie. Dan dient een mens zijn treurnis toch incognito te houden?

30.

We gaan naar Pont du Gare. Het schijnt daar redelijk indrukwekkend te zijn.

De Pont du Gard is een Romeins aquaduct dat later is uitgebreid tot brug. Het bouwwerk ligt iets ten zuiden van het plaatsje Vers-Pont-du-Gard in Frankrijk, niet ver van Nîmes en Uzès, en staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

De kinderen worden de auto in gedreven en we vertrekken. Ik duw nog snel een enorme zonnebril op mijn neus en voel me een grote, mottige vlieg. Besef ineens dat ik nu helemaal in de val zit naast dat andere mens met antennes.
‘Scheelt er iets?’ informeert hij. We rijden langs een zonnebloemenweide. Alle bloemen zoeken verlangend naar de zon, maar ik kan alleen maar denken aan die keer dat ze de hoofden lieten hangen. Geliefde klopt even onhandig op mijn been. En dan, ja dan, gaan de sluizen open. Ik loop over. Ik regen.
‘Ik voe-hoel me zo sle-hecht in mij-hijn vèèèè-hèèèèl.’
Een kilometer of vijf lang produceer ik een ongeziene stortregen achter donkere glazen. Mijn geliefde aait een beetje onbeholpen mijn trollenlijf en waagt het voorzichtig om me tegen te spreken; een medicijnencocktail die enigszins kalmerend werkt.

31.

Vanaf de enorme parking wandelen we in het kielzog van andere toeristen naar het aquaduct. Ik hou me enigszins verborgen achter zonnebril en fototoestel. Poppy dartelt rond in een felblauwe jurk en heeft een enorme nepbloem in haar haren gestoken. Achter me hoor ik een gids praten over een duizendjarige olijfboom en probeer er een foto van te nemen, maar de toeristen zitten me in de weg. Ik wil een boom, geen beige short met harige kuiten eronder. Aan de zon zal het niet liggen. Vandaag dondert zij agressiever dan ooit over mijn aangebakken lijf.
Het aquaduct is indrukwekkend, gezien het tijdstip (1ste E na Chr.) dat het gebouwd werd. Maar pas nu, achteraf, op wikipedia kan ik voelen wat ik toen had moeten ervaren. Ik ben een ‘achteraffer’.

32.

We zoeken een terras voor ons groot gezelschap en dat loopt niet zonder slag of stoot, maar uiteindelijk worden we de zon in geleid en bediend door een kale olijkerd. De kinderen drinken oversized cola. Terwijl ik geniet van mijn Leffe, zie ik hoe de worstelingen tussen Prins en vriend Pauw regelmatig ontsporen. De meisjes zitten lusteloos op een muurtje met de punten van hun schoenen cirkeltjes in de grond te trekken. Peutertje Pauw zoekt lustig naar ontsnappingsmogelijkheden. Maar dan introduceert geliefde 1, 2, 3 piano en is het even rustig. Totdat iemand een beweging ziet die de andere in geen geval gemaakt heeft.

33.

Op terugweg gaan we eten in Uzès.

Uzès eerste hertogdom van Frankrijk is een middeleeuwse stad in de Gard. Onder leiding van André Malraux werd het volledig gerenoveerd en heeft een erfenis van zeldzame schoonheid, die je kan lezen op elke hoek van elke straat, wat het stadje een bijzondere charme verleent.

Wij zoeken en vinden het pleintje terug dat zus en man jaren voordien bezocht hebben. Een pleintje ingesloten door mooie gevels. Een open ruimte met boompjes en een fontein, gezellige terrasjes en lekker eten. We worden zelfs bediend door een kelner die zijn job graag doet. Een mooie omgeving, daar zijn de grote mensen het over eens. De jongens zijn vooral onder de indruk van een gigantische vuilbak. Ze duikelen er voluit met de hoofden in en joelen geestdriftig: “Sjieeeeeeeeek!”.

34.

Eenmaal thuis, want zo beginnen we het stilletjes aan wel te noemen, krijg ik een minder prettig berichtje via sms. Allerliefst geformuleerd, dat wel, maar de afwijzing is reëel. Welja, foeter ik in mezelf, als het dan toch moet, doe het dan maar vandaag. Hebben we het ineens allemaal achter de rug. Wanneer ik me even later geruisloos bij de anderen op het zonneterras voeg, komt Prins me vragen waar zijn T-shirt is. Het tere vel van onze zoon overleeft zelfs met zonnebrandolie nr. 50 de zon niet. Dus hebben we hem ervan kunnen overtuigen om met zijn bloesje aan te zwemmen.
“Is je rug verbrand? Doet het pijn?” vraag ik bezorgd.
“Nee hoor,” antwoordt hij ernstig. “Het is wat frisjes in het zwembad.”
Voor de eerste keer die dag barst ik in een spontane lach uit en breekt tegelijkertijd de zon in mijn kop door. Want u mag gerust weten dat het daar nog een beetje miezerde. Of had ik dat al gezegd?

35.

Nichtje heeft last van een losse kies. Ze zit heel stilletjes weggedoken onder haar grote badhanddoek. Mama Pauw probeert een troostend verhaal: Peutertje Pauw krijgt tandjes en als ze daar last van heeft, jammert ze. Grote broer knikt bevestigend.
“Maar bij haar,” zegt hij tegen mij en wijst met zijn kin naar Nichtje. “kan je het niet zien of horen, de pijn. Maar ze is er wel. Aan de binnenkant.”
Acht jaar is broer Pauw en hij vat zo maar eventjes mijn dag samen. De innerlijke bewolking, bedoel ik. Maar ik val in herhaling.

36.

Ik lees Tonio. Voordat ik op vakantie vertrok, vertelde mijn collega me dat het haar zwaar viel om het boek neer te leggen. Maar dat ze ook vaststelde dat er veel herhalingen in zaten.
Die mij nu ook beginnen op te vallen. Vandaag besef ik ineens dat ze opzettelijk zijn. Herhaling als stijlfiguur van klein en groot verdriet. De echo van de jammerklacht. Want al was mijn verdriet vandaag futiel in vergelijking met het schrijnende verdriet van de schrijver die zijn zoon verloor, het regende wel daarbinnen, in mijn kop. Maar dat had ik al gezegd, geloof ik.

zaterdag 6 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (5)

Peutertje Pauw en Co


14/7/2011


22.


Goed volk is onderweg. Prins vormt nu al een paar dagen een beetje tegen wil en dank het staartje van een tweekoppige meisjeskoor en kijkt reikhalzend uit naar de komst van zijn maatje waarmee hij al de helft van zijn leven bevriend is en die, eureka, bovenop nog een stel fijne ouders heeft. En laten we vooral het zusje niet vergeten, dat ik omdoopte tot peutertje Pauw, omwille van de pauwenkreten die ze tijdens de vakantie op ons uitprobeerde. (Al moet ik bekennen dat ik na een blik op youtube pas besefte welk een gruwelijk geluid die beesten produceren, terwijl de kreetjes van ons peutertje Pauw eerder lieflijk en welluidend klonken.) De dag voor het vertrek zorgt ze nog voor een spannend moment door te dreigen met koorts. Het lijkt een ongeschreven wet dat kinderen niet ziek worden op een vroege woensdagavond wanneer beide ouders thuis zijn en er niets van betekenis geprogrammeerd is op tv. Nee hoor, ze wachten wel tot die ene zondag wanneer je op punt staat te vertrekken naar een concert van je favoriete band. Of ze sparen hun bacteriën op tot de avond voordat je op vakantie gaat.


23.


Uiteindelijk blijkt het allemaal nog mee te vallen en wordt de familie Pauw in de vroege ochtend verwelkomd door een redelijk verkreukeld ontvangstcomité en een champagneontbijt. Wij hebben hier onze weg al gevonden en willen dat ze zich welkom voelen. Prins wijst naar het zwembad alsof hij het zelf gegraven en geïnstalleerd heeft en troont zijn vriend mee naar de jongenskamer met twee stapelbedden, waarin hij zich tot nu toe helemaal alleen verloren sliep, ware het niet dat een trosje knuffels hem nog enig soelaas bracht.


24.

In de keuken hangt een handgeschreven briefje waarin men ons aanspoort om alle vensters te sluiten voor de Mistral. Gezien mijn luchthartige natuur vermoed ik elke ochtend bij het zien van een bewegend blad dat die verrekte, meesterlijke wind ons deel zal zijn.


De mistral is een koude wind, die bij de Romeinen zoveel ontzag afdwong dat ze hem "magistralis" (meesterlijk) noemden. De bijzonder krachtige noorden- tot noordwestenwind, die windkracht 9 (stormkracht) kan bereiken, waait vaak in het dal van de Rhône in Zuid-Frankrijk. Soms wordt zelfs windkracht 10 of 11 bereikt met gemiddelde snelheden van meer dan 100 kilometer per uur en windstoten van 150 kilometer per uur. Meestal houdt de wind zo'n 4 dagen aan en steekt hij in de zomer om de 1-2 weken op.


Bij een ontvangst hoort geen mistral. Ik zou me bijna persoonlijk verantwoordelijk voelen als had ik nagelaten hem tegen te houden.


25.


Maar niemand heeft het over het weer. De gesprekken kabbelen gemoedelijk over de ontbijttafel die nu helemaal ingenomen wordt zoals het hoort. De babystoel met breed uitstaande poten komt aan het hoofd te staan, zodat iedereen er wel eens over zal struikelen. Sommigen onder ons slagen erin om op één en dezelfde dag te struikelen en zich het hoofd te stoten aan één van de drie rode lampen boven de eettafel, die daar feestelijk van gaan zwieren. Thuis zou dit eventueel met een krachtwoord ondertiteld worden. Nu worden we er alleen maar lacherig van. Een restje slaap, het ontbijt met dat tikkeltje alcohol, de ongedwongen gesprekken en de vreugdevolle snoet van Prins geven me een warm gevoel, alsof ik me in een aquarium bevind.


26.


En het weer steekt voorzichtig grijzend een tandje bij, zodat het zeil over het zwembad opgerold kan worden. Prins voelt zich Neptunus, de meisjes zijn zeemeerminnen. En ook de watergeweren zullen het geweten hebben dat er ineens pril testosteron toegevoegd wordt. Voor Prins is de tijd van het eerder bedachtzame duikelen voorbij. De beesten dienen niet meer gestreeld te worden. Het is tijd voor wat anders. De waterwapens worden getrokken. Zoek dekking!
En ook iets anders wordt getrokken: de grens tussen man en vrouw. De jonge helden vragen me om enkele doodshoofden te tekenen op een papier met daarboven de niet mis te verstane boodschap: alleen voor jongens. Van de weeromstuit richten ook de jonge dames zich tot mij met een A4-tje. Twee prinsessen moeten erop en, what did you expect, een duidelijk weerwoord: alleen voor meisjes. Schoonbroer zorgt voor plakband en de affiches worden op de deuren van de slaapkamers bevestigd. Ik betrap Poppy op heterdaad wanneer ze met de tong tussen de tanden de boodschap van de jongens van de deur wil afpulken. Onverdunde girlpower. De grenzen worden dus vastgelegd, maar de eeuwenoude spelletjes van aantrekken en afstoten kunnen beginnen. Binnen afzienbare tijd zal Poppy met een aanstellerig juffrouwenhandje beginnen rond paraderen en ontspinnen zich kleine, Shakespeareaanse drama’s .


27.


Op het zonneterras wordt een opblaasbaar minibadje met paddenstoeldakje geïnstalleerd voor peutertje Pauw, waaraan vooral de hele badende familie teletubbies plezier zullen beleven. Peutertje Pauw smeert mama liever in met zonnebrandolie. Ik was eigenlijk al een beetje vergeten welk intens genoegen peuters kunnen scheppen in het open en dicht doen van dopjes.
Het zijn werkelijk aandoenlijke wezentjes met engelengezichtjes en een ijzeren wil en ze zuigen moeiteloos alle aandacht naar zich toe. Een gegeven dat ook mijn dochter niet ontgaat. Tot nu toe was zij de kleinste en Nichtje de grootste. Nu zit ze ertussen in. Noch vis, noch vlees, lees ik in de frons in haar voorhoofd en hou me stiekem al een beetje schrap.


28.


Als flink uit de kluiten gewassen stukken kebab draaien we ons om en om in de zon. Meer moeten we niet doen. Regelmatig duiken (of in mijn geval tergend langzaam en gillend het trapje afdalen) en weer verdampen in een ligstoel. Van maaltijd naar maaltijd luieren. Met een half oog kijken naar de kinderpret en denken: zo is het goed.