ann schribbelt

ann schribbelt

donderdag 31 maart 2011

Love Lost (1)

Freddy telde luidop zijn bezittingen. Een bord. Een koffiekop zonder oor. Een lepel. Een vork. Een bot mes. Een hongerende ijskast. Een microgolfoven die zich perfectioneerde in het imiteren van een geluidsbarrière doorklievende straaljager. Een bed waarin een mens alleen verdwaalde. Een voorhistorische computer. Een zieke teevee. Veel meer bleef er niet over van de gemeenschappelijke goederen. De rest had Suzy achter zijn rug om weggehaald, ongetwijfeld in goed gezelschap van hem vijandig gezinde troepen, een door haar haastig bijeengesprokkeld allegaartje van oude, in eer herstelde kennissen, afvallige vrienden en familieleden die hem nu openlijk rauw lusten. De stoel had Freddy vlak voor de teevee gezet. Met zijn neus tegen het scherm gedrukt deed hij verwoede pogingen om tussen de lijnen door te kijken. Hij dacht: ik ben een vrij man. De daarbij halfslachtig uitgevoerde juichbeweging bracht de pizzadoos op zijn schoot even uit balans. Hij dacht: zie mij hier nu zitten. Vrij als een vogel. Helemaal, totaal, volledig vrij. Alles was terug mogelijk. Hij kon weer gaan en staan waar hij maar wilde, al wist hij de laatste tijd precies niet meer zo goed waar dat wel zijn mocht. Maar toch, het geluk lachte hem toe. Nee, werkelijk, alles was perfect in orde. Behalve het stemmetje dan. Dat had ze niet meegenomen. Dat hoog, zangerig stemmetje was blijven zitten. In zijn hoofd. Al twee ellendige maanden lang. Het ging maar door en door en door. Eten voor de televisie is ongezond, zei het. Ga slapen, vent. Het is al laat. Morgen ziet ge er weer uit als een lijk. Drinken met uw mond vol eten is vies, zei het. Hebt ge uw tanden gepoetst, anders krijgt ge geen kus. Van roken worden de muren geel, zei het. Om maar te zwijgen van wat het met uw longen doet. De godganse dag door verzorgde het hardnekkig commentaar op alles wat hij wel en niet deed. En als het uiteindelijk zweeg, kwam er iets in de plaats dat nog erger was, een stekende leegte die zijn pas herwonnen vrijheid vakkundig en smalend de nek om draaide.
Freddy staarde naar het portret aan de muur: moeder en dochter vereeuwigd op glanzend fotopapier. Langs de rand van de kader staken hier en daar nog kleine scherven glas uit. Na haar vertrek had hij het verjaardagsgeschenk met een smak tegen de grond gekeild. Een mens moet toch iets doen als het verdriet er niet in slaagt langs de daarvoor bestemde traankanalen zijn uitweg te vinden. Daarna had hij het hoofd van zijn dochter met één scheur van de moeder verwijderd. De genoegdoening die hij voelde bij het versnipperen van de uitbundig lachende kop van zijn vrouw was op slag verdwenen toen zijn ongeschonden dochter hem over de kartelige kant beschuldigend leek aan te staren. De hele avond lang maakte het kind het hem lastig. Ten langen leste had hij met hangende, onhandige pootjes de stukjes bij elkaar gepuzzeld en terug aan de dochter vastgeplakt. Het resultaat was een bij nader inzien artistiek aandoende mozaïek. Het mankementje niet inbegrepen, want uiteindelijk bleek één snippertje onvindbaar, waardoor de verraadster het nu voor eeuwig en altijd met een ontbrekende voortand moest stellen.

Een echoënd applaus voerde Freddy terug de kale kamer in. Achter het scherm stond een vrouw recht uit haar zeteltje, sloop lenig als een kat dichterbij, hurkte neer voor hem en kneep haar ogen tot spleetjes. Aan weerszijden van het scherm raakten hun neuzen elkaar bijna. Wat haatte hij ineens de verbeten kop van die Linda de Win. Die vastberaden blik waarmee ze elke dag triomfeerde. Opvallend ingenomen met zichzelf, die Suzy. “Linda! Linda!” verbeterde Freddy zichzelf snel. En weeral haalde ze het. Die zelfvoldane smoel, hij kon het niet langer verdragen, duwde de teevee uit en de computer aan. Na drie maal heropstarten googlede hij de naam van zijn vrouw en kreeg daardoor onverwacht vrije toegang tot haar facebookvrienden. Ze was ondertussen blijkbaar een relatie aangegaan met een afgelikt heerschap dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wél in alle discretie zijn scheten liet. Het is gebeurd, bedacht Freddy moedeloos, nu heeft ze me volledig gesloopt. De laatste restjes ruïne vakkundig neergehaald. Op zijn eigen prikbord was er, buiten iemand die regen haatte, nauwelijks beweging. Maar het opende wel een deur in hem. In een flits van inspiratie maakte hij zijn eigen facebookpagina: Linda de Win moet weg. In de vier minuten die hij nodig had om te gaan plassen, de bril omlaag en heel snel en met veel misbaar terug omhoog te klappen, hadden tot zijn eigen stomme verbazing drie mensen gereageerd op zijn pagina. Nick wilde het ellendige wijf ook weg. Bruno schreef: ‘je zijdt er te lang in. Mennen avond is weer in zak.’ Bjorn vond dat het ‘hoochtijd was dat die kakmadam uuit de programa en in de hel ging.” En het was nog niet gedaan, de reacties bleven toestromen. ‘ Zie je nu wel’, fluisterde hij schamper tegen het stemmetje. ‘Ik ben wel in staat tot vriendschap.’ Een antwoord bleef uit. Ondertussen ging het op zijn pagina van kwaad naar erger, van pokkewijf naar takketeef. Een zekere Chici met opzichtig geblondeerd haar die het voorzichtig opnam voor Linda werd niet bepaald fijnzinnig afgemaakt door zijn vuilgebekte, virtuele vrienden. Dat was nooit de bedoeling geweest. Hij had er niet aan mogen beginnen, besefte hij ineens. Terwijl hij beschaamd de pagina verwijderde, viel het hem op hoe stil het in zijn hoofd was. Geen hoongelach. Geen verwijt. Zelfs niet het veelvuldig ingezette: ‘Ge zijt een kinderachtig ventje.’ Want Suzy was jong van geest, beweerde ze zelf altijd. Hij daarentegen bleef een groot kind. Hoe hetzelfde toch zo verschillend kon zijn, hij kon dat maar niet begrijpen. De hele avond liet ze niets meer van zich horen. Zelfs niet toen hij de velletjes van zijn voeten in een leeg blikje bier deponeerde. Geen enkele scherpe opmerking sneed door zijn hersenpan. Ze was weg. Nu ben ik haar echt kwijt, dacht hij. Voorgoed en onherroepelijk kwijt. Voordat hij slapen ging, gaf hij de foto van zijn dochter nog een nachtkus, kon het niet nalaten vluchtig met zijn hand over het reliëf van zijn vrouw te strelen. Onnozelaar, fluisterde het stemmetje plagerig.

zondag 20 maart 2011

De poëtische haven

“Ik weet iets,” fluistert prins. Hij buigt zich vertrouwelijk over zijn pannenkoek heen. De kleine man bekwaamt zich al enige tijd in grote mensenpraat. Met een uitgestreken gezicht oreert hij over ‘pallallellogrammen’, becommentarieert op onnavolgbare wijze doelpunten, vergelijkt de prijs van stukken speelgoed en informeert bezorgd naar de graad van radioactieve straling in Bilzen. Ana en ik zijn één en al aandacht.
“Ik weet iets over mijn trainer... Hij heeft een lief…”
Bam! De adoratie sijpelt poppy uit de opengesperde ogen. Wat die broer van haar toch allemaal weet! Die jongen kan woorden, met kleine én hoofdletters, lezen en verliest bovenop meer melktanden dan zij haardspeldjes: hij moet dus wel een soort van dwerggenie zijn. Klein meisje schurkt zich bijgevolg in onderdanige aanbidding tegen zijn vernuft aan door hem voortdurend te bestoken met allerlei vragen.
“En, broertje, weet je dan ook wat zijn lievelingsdier is?”
Het genie staat met de mond vol tanden (min twee) en rolt veelbetekenend met zijn ogen. “Hoe Kan Ik Dat Nu Weten?”
Een goed half jaar geleden had hij nog een lievelingsdier verzonnen. Hij had haar vraag handig omzeild met een totaal ongeloofwaardig, maar lyrisch verhaal. Daar lijkt hij nu stilletjes aan voorbij te zijn en ik vind dat spijtig. Vroeg of laat verlaten kinderen hun dichterlijke haven en stromen met ons mee in die voorspelbare vaargeul van de rationaliteit. Mijn zoon is op de boot gesprongen, maar af en toe herinnert hij zich de poëzie van de kinderhaven nog. Dan zit hij gehurkt door het raampje van de oven te staren naar de pruttelende lasagne en roept hij me: “Kom eens kijken, mama! Het eten ademt. Het gaat op en neer zoals ons buikje."
Poppy spettert wel nog ongedwongen rond in dichterlijk water. Wanneer moeke haar vertelt over de grote hond van een bevriend koppel, gaat zij fluks voorbij ras, stamboom, leeftijd, gewicht en afmeting. Zij laat het gigantische beest voor haar geestesoog verschijnen en informeert ernstig en onbevangen of die hond misschien ook mensenvlees eet. Terwijl haar broer zijn toekomstige zoon ‘Tomas’ zal noemen ‘als zijn toekomstige vrouw dat tenminste goed vindt’, komt poppy met iets van minstens zeven lettergrepen in de aard van ‘Lindemariniliana’. Soms lachen wij met haar. Waarop ze dan heel deskundig een zonsverduistering imiteert. ‘Herman Teirlinck. Zonder ingangsexamen,” merkte een buurvrouw al op toen ze nog heel klein was. Toch begrijp ik het misnoegen van mijn vijfjarige. Misschien lachen we wel uit heimwee naar de haven die al zo lang achter ons ligt. In het kielzog van Antoine de Saint-Exupéry wil ik zelfs pleiten voor onbeschaamde na-aperij. Als we nu eens in navolging van onze vijfjarigen bij een volgende ontmoeting niét informeren naar beroep of woonplaats, het merk van de auto en al die andere volslagen oninteressante feiten. In de plaats daarvan zouden kunnen vragen waarom mensen van bloemen houden en dan collectief hopen dat het antwoord niet als volgt luidt: omdat ze mooie kleuren hebben en lekker ruiken. Dat is een vaargeulantwoord eerste klas. Slaap-ver-wek-kend. Weggooien dat antwoord. Delete in kwadraat en probeer opnieuw. Zou het kunnen dat iemand van bloemen houdt door een foto die ze per post toegestuurd kreeg? Een foto met alleen maar zonnebloemen erop, wat haar enigszins verwarde. In een vorige brief had ze hem immers schoorvoetend gevraagd een foto van zichzelf op te sturen. Ze kreeg zonnebloemen. ‘Is dit geen vergissing?’ schreef ze terug. 'Ik zie alleen maar bloemen.' Een week later kwam zijn antwoord. 'Je moet beter kijken. Ik sta er echt wel tussen.' Dus keek ze beter. Ergens in het midden vond ze hem, althans zijn hoofd, slechts een speldenknopje groot, alsof het zelf een bloemenknop op een stengel was. De man werd haar geliefde. De foto ging in een lijstje. Daarom hield ze van zonnebloemen, zei ze. Ook grote mensen kunnen nog de kinderhaven in het hoofd hebben. Vooral dichters en schrijvers. Aan hen zou ik wel durven vragen waarom ze graag naar sterren kijken. Als er geen kinderen voorhanden zijn tenminste.

woensdag 16 maart 2011

Beentje lichten

Er huilt een kind in het holst van de nacht. Toch blijf ik me koppig vastklampen aan een droom, die me helemaal naar de redactie van een vooraanstaand tijdschrift heeft gevoerd. Ze willen daar dat ik een wekelijkse column schrijf voor hun blad. Dat zie je dus van hier, dat ik me door wat zacht en hulpeloos gepruttel terug in het duistere niks van mijn bed ga laten drijven. Maar het is al te laat. Mijn ogen zijn nog dicht. Dat wel. Maar de oren staan ondertussen al wijd open en volgen slaafs het moederhart. Zij weten maar al te goed dat dit onderdrukt gejammer bij een dochter horen. Zoon maakt er altijd wat meer werk van, die poogt onveranderlijk aan zijn nachtmerries te ontsnappen met scherpe, langgerekte noodkreten. Mijn lijf probeert zich nog even van den domme te houden, koestert zich in bedwarmte en de ijle hoop dat het misschien zo overgaat. Wat het nooit doet. Dus strek ik tenslotte toch maar één teen uit in die ongenadige wereld buiten het dekbed. Maar wacht, daar beweegt iets aan mijn linkerzijde, en het fluistert: ‘Ik zal wel gaan.’ Vliegensvlug trek ik mijn voet terug in, draai me tevreden knorrend op mijn andere zij en droom voor straf dat ik naakt op een overvolle trein zit.
Ondertussen laat klein meisje met lijzig stemmetje aan haar vader weten dat ze pijn heeft. Verschrikkelijke pijn nog wel. Aan haar been. Vader weet dus wat hem te doen staat en begint het zere been te kneden. Zelfs op dit goddeloze uur wordt half werk niet getolereerd. Groeipijnen zijn niet gediend met wat kusjes op afstand of een handvol inspiratieloze troostwoorden. Wat had u dan gedacht? Papa gaat doortastend te werk: kneden, knijpen, drukken, wrijven, het hele assortiment aan pijnbestrijding wordt afgewerkt. Wanneer hij na een kwartier hoopvol informeert of de pijn weg is, blijven de oogjes van het kindje gesloten, stulpen de lipjes zich uit en wordt het mals gemasseerde been ingetrokken. Grote man heeft er alle vertrouwen in en wil zich net terug richting dromenland begeven, alwaar zijn geliefde uit de trein gestapt is, haar kledij teruggevonden heeft, maar nu alweer achtervolgd wordt door iets engs en in paniek wegrent, in slow motion alsof ze onder water loopt. En dan gaat het mondje terug open en kindje spreekt, zachtjes, slaperig, maar o zo duidelijk: “Het is het andere been, papa.”

zaterdag 12 maart 2011

Een knorrel in het park

Geachte mevrouw
Ik schrijf deze brief in naam van de buurtbewoners wiens tuin grenst aan het park van een u onbekend, klein stadje. Er scharrelt namelijk een knorrel rond in dat park en wij hebben daar last van. U vraagt zich waarschijnlijk af wat een knorrel dan wel wezen mag. Begrijpelijk. Wij weten eerlijk gezegd zelf niet goed wat daar precies rond sluipt in het groen, maar het beestje moest een naam krijgen en de door mij verzonnen term ‘knorrel’ dekte de lading nog het meest. Voor een goed begrip is een beschrijving hier misschien op zijn plaats. De kop van het wezen is weelderig begroeid met wit loof, wat in eerste instantie doet vermoeden dat het hier een kabouter betreft, maar daar is dit exemplaar met zijn één meter zestig ruimschoots te groot voor. Te schriel ook. Het heeft een eerder krom, tenger, insectachtig lichaam. Schuifelt meer dan dat het echt loopt. Zijn gelaat is door ouderdom en chagrijn getekend. Wij hebben aanvankelijk even aan een flink uit de kluiten gewassen snottrol gedacht, maar daar is zijn gigantische reukorgaan iets te scherp voor. Bijna net zo scherp als zijn tong. En laat dat astrant blad van hem nu net het probleem zijn. Hij spreekt er een soort Algemeen Nederlands mee, waarvan hij vooral het giftige vocabulaire bezigt, aangevuld met een onbepaald dialect, het Knorrels vermoeden wij. U glimlacht. U denkt: die mensen vergissen zich. U bent er bijna zeker van dat de knorrel gewoon een oud mannetje is. Wij begrijpen uw redenering. Lange tijd waren wij daar ook van overtuigd. Knorrel woont namelijk in een huis, heeft een echtgenote (een buurvrouw spreekt zelfs over kinderen en kleinkinderen) en een vogel in een kooitje waartegen hij nooit knorrelt maar die hij aanspreekt met ‘mijn lieveling’. U moet nu, dat weet ik wel zeker, denken aan dat andere creatuur uit ‘In de ban de van ring’. U denkt correct.
Maar laat ik, voordat u een definitief oordeel velt over dit stuurse wezen, even verder ingaan op zijn gedrag. Hij houdt ervan om onze kinderen te koeioneren en jaagt ze even zo veel keren het park uit, dat zover wij weten eigendom is van de stad en waarnaar er voor de rest nergens, zelfs niet in de boeken van u of van Tolkien, verwezen wordt als knorrelgebied. De kinderen vertellen ons dat hem het schuim op de smalle lippen staat wanneer hij hen betrapt op de euveldaad van het boom beklimmen. Zelf zijn wij daar nooit getuige van geweest, mevrouw, want telkens er een mens van boven een meter vijftig in het park verschijnt, vervalt het mormel in het Knorrels, onderwijl verwoed dabbend in zijn clandestien aangelegd bloemenperkje, als zocht hij naar pieren om leeg te zuigen. Onlangs dreigde hij ermee het zwaard van mijn bleekneusje te begraven. Het stond even onschuldig tegen een boomstam geparkeerd. Het wezen keek daarbij alsof hij net zo graag in één en dezelfde beweging mijn dwergriddertje mee onder de aarde zou steken. Al geruime tijd heeft mijn zoon de gewoonte ontwikkeld om, vooraleer hij het park oversteekt naar zijn vriend, even halt te houden aan ons tuinhek en daar enkele malen van links naar rechts te kijken. Ik zeg u: voor onze kroost lijkt het doorkruisen van dit groen paradijsje even levensbedreigend als het oversteken van een drukke steenweg. Wanneer mijn zoon dan een glimp opvangt van het woeste, witte loof, duikt hij weg en wacht tot het snauwend gevaar geweken is. Mijn lieve mevrouw, er lijkt geen gram hartelijkheid in dit wezen te schuilen. Deze doorgewinterde pestkop wilde zelfs verhinderen dat een boomhut via het park naar een aangrenzende tuin werd getransporteerd. Ook al hield dit precies twee en een halve minuut ‘overlast’ in. Even daarvoor gorgelde (spreektrant die zich ergens tussen het spreken en knorrelen situeert) hij furieus over het transport van grasmatten. Alsof wij in de gelegenheid zijn om ze per helikopter over onze woning te laten vliegen. Om dan vervolgens zelf met zijn knorrelmobiel over het gras in het park te hobbelen met knorrelstenen voor zijn knorrelhol. U bent er nog niet van overtuigd dat het hier niet om een menselijk wezen zou gaan? Het bewijs werd ons nochtans al een hele tijd geleden geleverd door de lieflijkste der buurvrouwen. Ze durfde het aan hem verzoenend toe te spreken. “Komaan,” zei ze. “Wat is er nu zo verkeerd aan om in een boom te klimmen? Bent u dan nooit zelf een kind geweest?” Het antwoord luidde als volgt: “Knorrelknorrel. Knorrelknorrelknorrel!”. Wat evenveel betekent als een beslist 'nee!'.

Ik schrijf u deze brief omdat we met onze handen in onze haren zitten. We hebben al een aantal dingen geprobeerd: de ene negeerde hem, de andere sprak hem erop aan, iemand knorrelde eens deftig terug, en zelf probeerde ik hem uit het lood te slaan met mijn meest angstaanjagende blik. Het haalt allemaal niks uit. Elke stilte is er één voor de storm van geknorrel. Soms troosten wij ons met de gedachte dat deze aanvaringen onze kinderen weerbaarder zullen maken. Wij gaan ervan uit dat er zich nog meer knorrels onder ons bevinden. Maar het blijft ons wel bezig houden, meer dan we zelf willen. Zozeer dat we er zelf wat knorrelig van dreigen te worden. Daarom durven wij beroep doen op uw expertise, mevrouw J.K. Rowlings. U weet immers meer over magische wezens dan ieder ander. Wij vragen u met aandrang: herkent u ons wezen? Wij hopen zelfs op het recept van één of ander toverdrankje of een afweerspreuk. Wij zijn bereid er u grof geld voor te betalen.


Met vriendelijke groeten

de ouders met de tuin die grenst aan het park van een klein stadje waarvan u nooit eerder gehoord had

zondag 6 maart 2011

Onder drie ogen

“Hoe laat komt de bus?” roept hij, nauwelijks twee passen van mij af met de volumeknop van zijn rauwe stem wijd open.
“9u34’,” antwoord ik.
“9u39!” brult hij.
“Ne-gen uur vier-en-der-tig!” roep ik terug.
Hoofdschuddend draait hij me de rug toe en drukt zijn neus opnieuw tegen de uurtabellen van De Lijn. Ik lieg wel eens, maar een mens op leeftijd verkeerde tijdstippen doorgeven lijkt me toch een halte te ver. De man draait zijn grimmige kop naar me toe, snuift luidruchtig en maakt een dwingende armbeweging.
“Kom!” gebiedt hij me. “Kom eens kijken!”
En inderdaad, ik zit verkeerd. 9u30, staat er, en in de kolom van de schoolvakanties: 9u34. Je kan niet zo gek veel ondernemen op vier minuten. Al kan ik me voorstellen dat het gewicht van de tijd zwaarder doorweegt aan het einde van een leven. De man brengt zijn gegroefde gezicht dicht voor het mijne:
“Ik zie slecht! Die kleine lettertjes, ik kan dat allemaal niet lezen! Dit oog, ik ben het kwijt!”
Hij wijst daarbij nogal overbodig op het troebele, grijze vlies in zijn mistig linkeroog. Met het ongeschonden felblauwe oog blijft hij me vinnig aankijken.
“Daar hebben ze het om zeep geholpen! Een oogspecialist! Ging het in orde brengen, zei hij.”
Met zijn duim wijst hij over zijn schouders heen, zodat het mij duidelijk wordt in welke richting ik me vooral niet dien te begeven wil ik mijn zicht behouden.
“’t Zal wel zijn! Toen hij ermee klaar was, was het met mijn oog ook gedaan! En ik had ze niet hoeven te verliezen, hè! Meneer is in de fout gegaan! En niet willen toegeven!”
Hij loopt een paar meter van me weg en praat daar verder. Alsof hij wil verhinderen dat ik in zijn boos aura opgezogen word. Het hele gesprek lang zal hij op die manier heen en weer lopen, alsof een vloed van woedegolven hem telkens weer in de hoek van het bushokje spoelt en hem pas weer terug laat vloeien wanneer de toorn een beetje weggeëbd is.
“Ik heb het hem eens goed gezegd!”
Eb.
“Niet rechtstreeks. Hij was op pensioen ondertussen. Die mannen hebben een gsm en aan dat nummer raakt een gewoon mens niet. Maar de zoon heb ik het eens goed gezegd. Die zat bij hem in de praktijk! Uw vader heeft mijn oog kapot gemaakt! De charlatan! Ik eis verantwoording van die onverlaat! Meneer, zei hij, ik bel de politie!”
Een beetje speeksel wordt in het rond gesproeid en belandt op mijn sjaal, maar ik kan het hebben. Slechtziendheid – bijna min acht aan twee ogen – schept een band.
Vloed.
“Bel de gendarmes maar, zeg ik. Bel ze! Dat ze me maar komen halen! Wat gaan ze doen?”
Met zijn arm maakt hij vreemdsoortige gebaren die ik voor zwaaibewegingen hou. Ik volg zijn blik, maar zie niemand staan.
“Kijk eens!” roept hij weer dwingend en nog steeds verwoed zwaaiend. Hij brengt zijn theatraal zwiepende arm steeds dichter naar zijn neus en net voordat hij zichzelf bijna voor het hoofd slaat, brult hij:
“Vanaf hier kan ik pas terug helder zien!”
Eb. Heel dicht. Zijn neus bijna tegen de mijne.
“Zijt ge bang?”
Maar nee gij, wil ik nogal voorbarig tegenpruttelen, maar hij ratelt alweer verder:
“Dat vroegen ze me in Leuven. De mevrouw die me ging opereren aan mijn andere oog. Want ge moet weten, dat ging ook achteruit. En ik had bang. Ik durf dat gerust zeggen. Want als ze er daar ook langs zaten, zag ik niks meer, hè, niemendal. Dus ik zeg tegen die vrouw, ja, ik ben bang. En weet ge wat ze zei? Ik kan dat begrijpen, meneer, maar ik ben er niet voor 100 maar voor 150 procent zeker van dat ik uw oog kan redden en gelijk had ze. Voor 80 procent dan toch, meer konden ze er niet van maken. In Leuven kennen ze hun vak. Maar die andere prutser, daar achter, heeft er niks van gebakken!”
Vloed.
“En zijn fouten achteraf niet toegeven! Joeden zijn het! Joeden!”
Mijn kennis van de joodse medemens reikt slechts zo ver dat ik de link met de diamantsector, concentratiekampen, Thora, Israël en hier en daar een schrijver kan maken, maar de connectie met de medische wereld is mij totaal onbekend.
“Kijk!” roept de man streng. Wegdromen is blijkbaar niet toegelaten. Ditmaal houdt hij zijn hand voor zijn goede oog.
“Kijk! Nu ben ik nergens meer!”
Hij herhaalt dit nog een paar keer alsof het om een belangwekkend medisch experiment gaat met, helaas, telkens hetzelfde bedroevende resultaat.
Eb.
“En weet ge wat ik dikwijls doe? Ik loop tegen de mensen op. Ik zie ze niet aankomen, hè! De hele tijd loop ik tegen ze op! En ik kan me wel excuseren, maar toch niet de hele dag. Ge ziet me al bezig! Ze zullen wel denken dat ik zot ben!”
Terwijl ik me afvraag of mijn mening hieromtrent gewenst is, kijkt hij ostentatief over mijn schouders heen, de handen boven zijn ogen tegen een zon die niet schijnt. Ik draai me om en zie een bus in de verte. Buiten dienst staat erop. Maar vooraleer ik hem daar behulpzaam op wil wijzen, toetert hij me al in de oren: buiten dienst!
Wanneer even later de bus van dienst wel komt aanrijden, geeft hij me een zacht maar beslist duwtje met de elleboog waardoor hij als eerste via de openzwaaiende deuren de bus in kan stappen.
“Dank u wel!’ roept hij luid, tegen zichzelf lijkt het wel.
De bus is nagenoeg leeg, maar toch gaat kapitein Eenoog niet zitten. Gedurende de hele rit staat hij eigenzinnig, pontificaal, haast bewegingsloos recht, zijn handen om een stang. Zelf wiebel ik wel enigszins van links naar rechts in mijn zitje. Maar hij niet. Ook in de scherpere bochten houdt hij onwrikbaar, statig stand. Overziet door de grote voorruit de woeste baren. En als hij uiteindelijk uitstapt en zijn weg vervolgt, krijg ik zelfs even de indruk dat de bus hem maar met moeite in kan halen.

donderdag 3 maart 2011

De som van Saartje (Vandendriessche)

Dat zou ik nu graag eens doen: de onbewuste verspreiding van melodieën in kaart brengen. Engelenwerk is het: Departement Cultuur, afdeling Muziek. Met gespitste oren en ingetrokken vleugels op een wattige wolk zilveren lijnen trekken op een geografische kaart van Vlaanderen. Van de vrouw die ‘arrrme Joe, geen geluk voorrr jou’ meepikt uit de radiowekker naar man en kinderen aan de ontbijttafel die onbewust besmet raken met de melodie. En zo gaat het dan verder; een sonoor uitwaaierend lijnennetwerk naar speelplaatsen en werkvloeren, supermarkten en krantenwinkels, wachtzalen van dokters en bushaltes,… De voortplanting van een melodie, valse noten inbegrepen, schoon vind ik dat. Al vrees ik er een beetje voor dat daar in onze contreien niet meer dan een parttime tewerkstelling uit te halen valt. Openbaar neuriën komt maar matig voor, laat staan dat het uit de volle borst komt. Terwijl bij het Departement Sociale Zaken, afdeling Wrevel door een hemeltergend personeelstekort de werknemers genoeg vleugelveren verliezen om de donsdekens van half Vlaanderen mee op te vullen. Kramp in de vingers krijgen ze daar van de ene irritante doorn in het oog met de andere te verbinden. Om misverstanden te voorkomen, ik lust ergernis, zelfs rauw, maar dan liefst in de vorm van een brok tekst met een flinke kwak humor erover. De rest doet me altijd een beetje denken aan eeuwige winters.
Laten we elkaar met iets warms besmetten. Het hoeft niet ingewikkeld te zijn. Iets simpels. Een piepklein, maar aanstekelijk verhaal over Saartje Vandendriessche bijvoorbeeld.
“Er is iets met haar,” zegt mijn moeder en ze heeft het niet over de manier waarop Saartje grootogig begeesterend de zoveelste herhaling van De Kampioenen aankondigt.
“Ze doet iets met haar handen,” legt ze uit. “Eerst haakt ze ze in elkaar en dan, terwijl ze verder praat, spreidt ze ze allebei uit. Zo.”
Mijn moeder doet het even voor.
“En dan gaan die handen weer naar elkaar. Even inhaken. En weer open.”
Mijn vader knikt bevestigend.
“Dus zitten we ’s avonds in de zetel te kijken naar die handen van haar. Dicht. Open. Dicht. Open. Zitten we langs elkaar luidop te tellen hoeveel keer ze het doet. Dicht. Open. Eén!... Dicht. Open. Twee!... En drie!... En vier!...”
Sindsdien ben ik aan het wachten op de handen van Saartje Vandendriessche. Mijn moeder heeft me besmet. Voorlopig zitten Andrea en Katja me nog danig in de weg. Maar ik zal wachten. Geduldig. In de hoop een glimp van een recordaantal op te kunnen vangen. Natuurlijk kan ik net zo goed kakken op hondendrollen. Of zeiken over slecht weer. Maar ik maak liever de som van Saartje.