ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 31 mei 2011

Mijn brein

Ik schrijf op mijn hand: een woord, een beginletter. Een blad papier kan natuurlijk ook dienen. Maar papier raakt kwijt en mijn hand hangt vast. In tegenstelling tot mijn horribel hoofd. Dat heeft de vervelende eigenschap om te vergeten waar ik dingen leg. Alles wat niet te groot of te zwaar is, komt daarvoor in aanmerking. Let me line up the usual suspects: mijn sleutelbos, de gsm, allerlei paperassen (waardoor ik sinds kort weet dat het precies negen Euro kost om een duplicaat te laten maken van de loonfiche die je nodig hebt om je belastingsbrief in te vullen), de helft van een paar kousen, een paraplu, een pas gekocht doosje met panty’s (dat ik terugvond bij het oud papier tijdens de zoektocht naar de loonfiche),…

Maar er is meer aan de hand. Ik vergeet ook woorden. Sommige van hen verkiezen met stugge volharding om op mijn tong te blijven liggen. Daar sta ik dan op een woensdagvoormiddag aan een kraampje een beetje hulpeloos te wijzen naar… naar…, nee, dat daar, nee…. De blozende groenteboer houdt zich van den domme en strekt zijn mollige vinger uit naar de broccoli, waardoor ik genoodzaakt ben om me aan een omschrijving te wagen. “Die rode bolletjes,” zeg ik en mijn hoofd krijgt ongeveer dezelfde kleur. “Wit vanbinnen, bitter van smaak.” Waarop de man me een beetje meewarig aankijkt vooraleer hij de bewuste groenten in een papieren zakje frommelt. “Radijsjes!” valt het me plotsklaps veel te laat en te luidskeels van het blad. De man schrikt daar een beetje van. Sindsdien haal ik mijn radijsjes in het grootwarenhuis. Je kan ze daar zelf uit de bakken nemen. Ze liggen vlakbij die ronde, groene lange dingen, je weet wel, die groene dingen waar je tegenwoordig een beetje mee moet opletten.

Het ergste zijn mensen. Het is met enige schaamte dat ik moet bekennen dat ook mensen me ontglippen. Zo sprak me jaren geleden een vrouw aan tijdens een vergadering. “Het is Ann, geloof ik?” Ze gaf me een stevige handdruk en lachte van oor tot oor. Een koortsachtige zoektocht in het rommelige archief van mijn geheugen leverde niks op. De vrouw probeerde me gerust te stellen. Het was ook alweer zo lang geleden, liet ze me vriendelijk weten en ze telde het even uit op haar vingers. Wat ging de tijd toch snel. We stonden pas aan het begin toen. Eerste jaar aan de grote universiteit (en het laatste tegelijkertijd voor mij). Want daar moest ik het blijkbaar zoeken: op de trein van Leuven naar Hasselt. Ik keek mijn voormalige reisgenote ongelovig aan en antwoordde zonder na te denken. “Echt waar? Ik dacht dat ik altijd alleen op de trein zat.” Waarop de vrouw een paar kleine stapjes achteruit zette en de controle over haar wenkbrauwen verloor: “Dat je dat niet meer weet? We zaten elke vrijdag met een hele bende samen op de trein.” Een héél jaar lang dus. Elke vrijdag. Met een hele bende nog wel. Allemaal weggemaaid door die nietsontziende führer van mijn geheugen. Vermoedelijk heeft mijn allesomvattende eenzaamheid in Leuven, die me inspireerde tot een hartverscheurende brief naar mijn ouders, alle andere herinneringen platgewalst. Maar de vrouw draaide zich al om op haar hoge hakken vooraleer ik haar dit kon duidelijk maken. Sindsdien ben ik op mijn hoede. Soms doe je beter alsof je mensen wel nog herkent. In het beste geval krijg je wat extra informatie en floept het peertje van de herinnering alsnog aan. Dingen vergeten kan nog enigszins als aandoenlijk beschouwd worden, maar mensen kwijtraken is ronduit onsympathiek.
Verleden week kreeg ik de kans om het beter te doen. Een enthousiaste stem aan de telefoon, die in eerste instantie niet voor mij maar voor mijn geliefde belde, herkent mij. “Hey, Ann,” roept ze in mijn linkeroor. Ik zwijg. De vrouw herhaalt haar naam nog eens. Misschien denkt ze dat de verbinding slecht is, maar het is weerom de bedrading van mijn brein die niet deugt. Ik doe luidop alsof ik nadenk. De vrouw aan de andere kant helpt me grootmoedig. Articuleert haar naam nogmaals en voegt er aan toe: van het koor. Ik heb indertijd in een koor gezongen, ja, toch wel vijf jaar lang. Maar ik zie nog steeds geen gezicht. De sopraan van weleer begint de plaatsen waar zij en ik indertijd zaten te beschrijven. “O ja, natuurlijk,” onderbreek ik haar geestdriftig. “Nu valt het me te binnen.” Maar er valt me helemaal niets te binnen. Ik ben haar ergens kwijtgespeeld. Zonder beeld is ze reddeloos verloren. Wij hebben nog twintig minuten gebabbeld over het koor. De vrouw zonder gezicht en ik. Over die kleine, grappige tenor onder andere, die altijd “miene pa” zei in plaats van “pater noster” en die ondertussen uit het leven gestapt is. Zij wist dat niet. Wat ik me ook nog herinnerde, maar niet vertelde: na een optreden reden we ooit met de bus langs een hele rij fabriekstorens die enorme, witte wolken uitbraakten. De kleine tenor ging rechtstaan en riep vervolgens door de hele bus: “Maar allez, dat is hier dus dat ze al die wolken maken.”
Zulke dingen onthoud ik dan wel weer.

dinsdag 24 mei 2011

Week in stukjes

1.

Met de autobiografie van Roald Dahl in een zakje wandel ik de Standaard boekhandel uit en denk aan een uitspraak die Dahl ooit deed : “Above all, watch with glittering eyes the whole world around you because the greatest secrets are always hidden in the most unlikely places.” Laat ik dat maar eens doen in plaats van blind, in gedachten verzonken rond te wandelen, bedenk ik, en kijk ongegeneerd naar een man die tegen de gevel van een huis geleund staat. Zijn linkermouw is leeg, stel ik geïnteresseerd vast, en hij steekt een beetje zielig in de zak van zijn anorak. De man staart me dreigend aan alsof ik de arm eigenhandig van zijn magere lijf heb afgedraaid. Ik begrijp zijn frustratie. Stel dat hij een vreselijke vrouw heeft. Hij zou zelfs niet eens in staat zijn om haar eigenhandig de strot dicht te pitsen. Begrijp me niet verkeerd: hij zou zoiets nooit doen, nog geen vlieg wenst hij kwaad toe. Maar het feit dat er ineens zoveel minder opties zijn. Dat wringt.

2.

In de krant lees ik een variatie op ‘de jager vond het konijn, maar het konijn vond van niet’: ‘Dominque Strauss-Khan vond de dienstmeid, maar zij vond van niet.’ Of hoe een ‘straussvogel’ zijn geile kop in het zand steekt.

3.

Bij een wijntje bedenken wij, vrouwen soms dingen. Stel dat god bestaat. Stel dat hij zijn handen in de grond stak en een mengsel maakte met yin en yang en flubber en blubber – wij verzinnen ingrediënten maar zeker zijn we er niet van, want het recept is net zoals dat van cola een goed bewaard geheim. Van die massa klei maakte hij allerlei dingen. Wat struiken en bomen om te oefenen. En later ook vissen en vogels en een dinosaurus. Hij ging tekeer als een razende kunstenaar. Zonder één enkele plaspauze. Stel nu dat hij een geniale inval kreeg: laat ik zoiets maken met een neus en een mond en twee ogen, twee armen, twee benen. Hij was goed op dreef. Er was geen houden meer aan. Stel nu eens dat hij moe werd. Wij denken bij het derde glas wijn dat het werkelijk zo is gegaan. Hij wilde zijn levenswerk afronden. Trouwens, de klei was helemaal op. Het moest maar goed zijn. Stel dat hij nog een laatste keer naar de vrouw en de man keek en teleurgesteld vloekte: 'Miljaar, nu zie ik het, die man is nog niet af.' Wij vermoeden dat god toen nog in zeven haasten een nieuw mengsel maakte en wat experimenteerde met basale vormen. De fut was er helaas uit, dus heeft hij uiteindelijk het slurfje er wat inspiratieloos aan vastgeplakt. Tevreden was hij niet: er was ten eerste het kleurverschil en het wiebelde zo vreemd bij het wandelen. Wij denken dat god toen eens gegaapt heeft en het maar zo gelaten heeft. Het was ondertussen immers zondag.

4.

De schrijfdag wordt afgesloten met schuimwijn. Op de trein naar huis zit ik naast een mooi opgemaakte moslima. Haar moeder tegenover me lacht me vriendelijk toe. Ik ben me zeer bewust van de dranklucht die ik in dit vroege avonduur verspreid en probeer zo weinig mogelijk in en uit te ademen.

5.

Ik ben met het linkse been uit bed gestapt en ben er vervolgens mee naar mijn werk aan het wandelen. Bots bijna tegen een jonge man die uit de voordeur van een huis komt gestapt. Op zijn schouder zit een groene dwergpapegaai. Een beetje verderop staart de deur van mijn werkplek me duister aan. Ik zoek lusteloos naar de sleutels en kan het niet laten om over mijn schouder heen nog even naar de jongen te kijken. Kwestie van mezelf wat op te vrolijken, want persoonlijk kom ik niet iedere dag een jongen met een papegaai op zijn schouder tegen. Mijn blik dwaalt af naar de rug van jongen. Op zijn voor de rest kraaknette, witte T-shirt zit een langwerpige, gelige vlek. Papegaaienkak. Ik bestijg zingend de trappen. Papagaaitje leef je nog hieja héjaa!

6.

Nog steeds geen eekhoorn gezien in het park tijdens het lopen. Ik had nochtans al een woordspeling in gedachte: de eekhoorn was niet opgezet met mijn geren, maar hij hing zo stil tegen de boom dat hij het wél leek.

7.

Door het keukenraam zie ik mijn zoon en zijn vrienden voetballen. Ze stampen gaten in de lucht. Ze denken dat ze Lukaku en Vossen en Courtois zijn. Ze brullen en roepen en maken zich groot. Maar ineens vallen ze stil. Gaan in een kringetje op de grond zitten. Mijn zoon (Lukaku) bindt onhandig maar met veel geduld de veters van Courtois. Ach.

8.

Mijn dochter zucht verlekkerd wanneer ik de verduisteringsgordijnen omlaag laat: “O, mijn lievelingsdonker!” Ze zegt dat ze prinses wil worden, maar ik denk eerder aan vampier of spook, want als ik ’s nachts even ga kijken in de gang omdat ik iemand hoor rondlopen, roept ze met toe vanaf het toilet: ‘Geen licht aandoen mama, want dan kan ik niet meer kijken!’

9.

In de bus rolt er een appel met welgeteld één hap uit van ergens vooraan tot helemaal achteraan en dan weer terug. En geen kind om er achteraan te gaan.

10.

Mijn zoon staat te stuntelen op de vierde trede van de trap. Zijn broek hangt op zijn enkels. Eén arm steekt in de mouw van zijn training. Ondertussen graait hij in de koekendoos (die nog op de trap staat omdat ik even daarvoor Pipi Langkous speelde voor de buurkinderen in de tuin). Bijna verliest hij zijn evenwicht. Elke vrijdag duurt het eindeloos lang vooraleer die kleine treuzelaar zijn voetbalkledij aan heeft om te gaan trainen. Wanneer hij eindelijk klaar is, zie ik de scheenbeschermers nog liggen op de derde trede. ‘Willem,’ zeg ik met opeengeklemde kaken. ‘Nu krijg ik enorm veel zin om je een beetje te mishandelen. Mag ik?’ ‘Geen tijd voor, mama,’ repliceert zoon kalm. ‘Straks na het eten misschien?’
Mijn opvoeding begint eindelijk zijn vruchten af te werpen.

11.

En wat onthoud ik van het nieuws? Dat de auto met Obama erin bleef steken op een pietluttig heuveltje. Al kan niet met zekerheid bevestigd worden dat de president er echt in zat, laat de nieuwslezer ons ook nog even weten. Ligt het aan mij of aan de berichtgeving, vraag ik me af.

12.

Op de bus danst een hooiwagenspin tegen het raam. Heel de rit lang blijft deze paniekdans duren. Een meisje met lange, warrige haren houdt met haar koolzwarte ogen het minuscuul beestje angstvallig in de gaten en wijkt bruusk met haar bovenlichaam naar het gangpad wanneer het insect zich van het magnetische raam dreigt los te maken. Zoveel zinloze angst op één vierkante meter, denk ik luchtig in mijn veilige positie, meters verwijderd van het gruwelijke griezelbeest.

vrijdag 13 mei 2011

Gekrompen

Ik neem plaats in de bus op het zitje achter de ruimte die voorzien is voor de kinderwagens. Een slechte keuze. Mijn voeten raken de vloer niet. Als ik mijn zitvlak naar voren schuif, kan ik eventueel met de tippen van mijn schoenen de grond kussen. Ik ben geen vijftien jaar meer en schuif mijn zitvlak snel terug naar achteren. Telkens wanneer de bus vertraagt of versnelt, wiebelen mijn benen. Ik lijk wel zes.
Vijf minuten eerder spreek ik aan de bushalte een roodharige vrouw aan. Ze lijkt op iemand van heel lang geleden, maar ze is het niet. Dat laat ze me uiterst minzaam weten. “Ik organiseerde daar toen een tekenatelier,” ratel ik verder tegen de vrouw, die zo klein mogelijk glimlacht en af en toe haar frêle schouders ophaalt. Ze heeft precies dezelfde bos rode krullen en dezelfde felblauwe ogen met donker aangezette wuivende wimpers. Waarom doet ze nu zo moeilijk? Waarom kan ze niet gewoon die vrouw van toen zijn?
Eenmaal in de bus diept ze uit haar tas een agenda van een indrukwekkend formaat op en begint ijverig aantekeningen te maken, mogelijk over een labiele lesbienne aan een bushalte. Mijn agenda is nog niet half zo dik als die van haar en mijn benen flapperen willoos heen en weer.
Een kwartiertje daarvoor zat er op het werk een man tegenover mij. Vanonder duistere wenkbrauwen staarde hij me aan alsof hij me wilde opeten. Die man zat daar niet vrijwillig. “Ik doe wat ik moet doen,” zei hij en leek een grom in zijn keel te onderdrukken. “U bent een insect,” liet zijn blik me weten. “Het soort dat je net zo goed even kunt opeten. Niet omdat je het beestje graag lust, maar simpelweg om er vanaf te zijn. Daarnet zat het ongediertje er nog. Hap. Slik. En kijk eens aan: weg vliegje.”
Even later zit ik in de bus met slingerende pootjes. Ik moet gekrompen zijn. Ik ben Alice. Alice in Liefdeloosland. De hele busreis bedenk ik manieren om te groeien. Grabbel naar figuurlijke grootmakers in mijn geheugen. Speur naar situaties waarin ik kortstondig reuzin was. Wanneer de bus zuchtend aan mijn eindhalte stopt, spring ik van mijn stoel en struikel de trapjes af. Ik weet wat me te doen staat: als een hazewind naar huis rennen en me daar terug groot laten kussen.

donderdag 5 mei 2011

Navel

Tien jaren geleden. Ik wandel op wankele benen van het ziekenhuis naar ons appartement. Even daarvoor hebben ze terwijl ik slaap een mislukte garnaal uit mijn baarmoeder verwijderd. Thuis buig ik me over het vraagstuk: ‘waarom heeft iemand pijn aan iets wat er niet meer is’ en probeer in de rode zetel met kussens een baarmoeder voor mezelf te maken. De televisie mag aan, het geluid gedempt, alsof de buitenwereld door een moederbuik gefilterd wordt. Vanuit een ooghoek zie ik een vliegtuig een toren doorboren. Het is te vroeg voor actiefilms, denk ik en zap naar een ander kanaal. Daar staat de toren ook te branden. Het beeld blijft zich van het ene naar het andere kanaal voortplanten op mijn scherm. Ik leg mijn verdrietige en broze gedachten even het zwijgen op. Ik luister. En kijk. De hele dag blijf ik luisteren. En kijken. Naar het tweede vliegtuig. En de tweede toren. Naar de vuurwolken en de brandweerwagens. Naar de wegvluchtende mensen onder het stof. Naar dat stof dat op neerdwarrelende sneeuw uit de hel moet lijken en naar de onooglijk kleine, grijze, vallende schimmen voor de torens die men enkel met camera’s probeert te vangen. En ik huil. Ik vergiet tranen. Om hen die gaan sterven. Om hen die gaan verliezen. Maar ik ween vooral om mijn eigen kleine garnaaltje.

Tien jaar later wordt Osama Bin Laden gevat en gedood. De beelden van toen worden afgestoft en terug opgevoerd in reportages. De mensen in de torens sterven opnieuw. In de woonkamer van ons huis strijk ik de kleren van onze kinderen. Ik luister. En kijk. En weer huil ik om iemand anders. Iemand dichterbij. Iemand die met angst in het hart wacht op het resultaat van een onderzoek.