ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 30 december 2012

Madame 21

Ik geloofde er niks van. Natuurlijk geloofde ik er niks van. Of zagen jullie me echt aan voor zo’n hysterisch vrouwmens waaraan een vermoeide medewerker van de sterrenwacht drie keer moest uitleggen dat er geen complot was, en dat als het toch waar moest geweest zijn, hij wel wat andere dingen zou doen dan in een stoffig kantoor bange mensen zitten gerust te stellen.
Als ik ze zelf niet verzonnen heb, geef ik geen donder om complotten, zelfs niet die met desastreuze afloop. Meer nog, ik begreep niet eens waarom er zoveel aandacht aan dat vermaledijde getal moest besteed worden. Je kon er gewoon niet langs kijken of luisteren, zelfs al zou je dat gewild hebben.  
“Tot volgende week,” zeiden de mensen en vervolgens al dan niet ernstig: “Als we er dan nog zijn tenminste.”
Na een overdosis 3 keer 12 was het ineens één en al Maya’s en 21. Van alle kanten werd je bestookt: krant, televisie, facebook, twitter, aan bushaltes, in de rij aan de kassa,... .
En dan, het ontluisterende moment waarop ik zelf moest vaststellen dat het getal op de één of andere manier onder mijn eigen harde schedel gekropen was. Als een virus had madame 21 zich in de plooien van mijn grijze massa gemanoeuvreerd om daar doodgemoedereerd een beetje te gaan flirten met andere gebeurtenissen. Toen internet op de zondag  voor het einde van de wereld plat lag, vloekte ik nog van ‘nondedju’. De 2-de dag dacht ik: ‘21’. En ook de derde dag schoot het getal me als een schijnbaar ongeleid projectiel door het hoofd. Begrijp me niet verkeerd: nog steeds hechtte ik geen enkel geloof aan de dreiging van Madame 21, maar ze was er gewoon, op dezelfde manier als het roze olifantje waar je alleen maar aan denkt omdat het niet mag.
Ik begon aan bushaltes ook van ‘als’ te doen. Als het toch waar zou zijn, wat zou ik doen die laatste dag? Ik zag mezelf in het grootwarenhuis ingrediënten voor een feestmaaltijd aankopen voor de verdoemden. En champagne. Kwestie van in stijl te verdwijnen. Ik zag mezelf matrassen naar de woonkamer slepen en pyjama’s klaarleggen. Ik zag ons dicht bij elkaar liggen op een paar 4-kante meter, wij 4-en op een rij. ‘Stop,’ zei ik tegen mezelf. ‘Niet op een rij. Want ik kan maximum 2 mensen kiezen. En wie zou dan waar moeten, zonder dat…” Het begon steeds meer op statistieken te lijken en laat ik daar een godsgruwelijke hekel aan hebben. Mijn zus! Met al dat gereken was ik haar bijna vergeten. Zus moest erbij. Kind van zus. Man van zus. Moeder van ons. Vader van ons. Moeder van… Het vervelende aan ‘als’ is het uitzichtloze ervan: voordat je het weet zit je in een feestzaal met kerstversiering het einde van de wereld te vieren en ik wilde verdomme geen zaal. Ik wilde die matras en samen lachen met het gehinnik van Alain Vandam. Kortom, die hele madame 21 begon mij danig de keel uit te hangen. Ik had haar sowieso ver gehouden van prins, die nog beter en gruwelijker in ‘als’ is dan zijn moeder en ik was vast van plan om haar ook ver van mij te houden. Maar toen die bewuste dag aanbrak, lag de trut zich doodgemoedereerd tussen spondegenoot en mij uit te rekken. Ze stapte even later samen met me op de bus. Tegenover mij speurde een bizarre vrouw met grote, opengesperde ogen de lucht af. Van links naar rechts ging haar hoofd, de hele rit lang. Zie je nu wel, fluisterde madame 21 venijnig. Drie vertelmensen belden hun afspraak met mij af. Slecht één moedige vrouw kwam opdagen, maar alleen omdat ze wist dat het einde pas voor 9 uur ’s avonds geprogrammeerd was. Een slechte soap, dat was het en madame 21 telde grijnzend mee af, ze rook terwijl ik het eten bereidde uitdagend aan mijn glas wijn en loerde naar het spelende addergebroed. Waag het niet, zei ik streng en zette het journaal af. Waarom zou een mens willen zien hoe Sirince overspoeld wordt door journalisten en madame 21 het won van Syrië? Wij 4-en keken liever naar dansende mensen op de televisie, de tijd tikte stilletjes verder en toen gebeurde het. Het precieze tijdstip kan ik me niet meer herinneren, behalve dan dat het nog geen 9 uur was, maar het gebeurde: ik vergat haar. Terwijl de dag heimelijk wegsloop, was ze plots uit mijn hoofd gevallen. Juffrouw 22 trad aan, zonder al te veel kapsones. Ze is het al zolang gewoon om in de schaduw van 25 te staan. Op 24 werd spondegenoot 41. Op 28 werd ik 44. We leven nog en het cijferen is bijna voorbij. 2013 duikt nu al overal op met hoge borst en ‘t is het pas voor morgen. Voor mij mag het dan gedaan zijn met de zogenaamde betekenisvolle cijfers. Als het niet teveel gevraagd is, geef mij maar een warm woordenbad.

donderdag 22 november 2012

Microben

“Dat is toch zo,” zegt hij. “Als kinderen ziek zijn, dan is iedereen daarmee bezig. De juf en de dokter en de mama en de papa. Aan kinderen zie je het ook beter als ze ziek zijn. Dan hebben ze van die kleine, triestige oogjes.”
Hij kijkt me aan met de blik van een bezorgd, groot mens.
“En ze mogen thuis blijven,” legt hij verder uit en frummelt wat aan zijn onderlijfje dat niet achterstevoren maar wel verwrongen rond zijn lijf hangt, omdat hij zich na het wassen waarschijnlijk niet goed afgedroogd heeft.
“En dan krijgen ze snoep en iets lekkers om te drinken. Maar volwassen(en) niet, hè mama.”
Ondanks zijn ernst probeert zoon ondertussen een hangende spagaat: één voet op een rieten bankje en de andere tegen de spijl van de deur. Ik plooi handdoeken. Er zit een beetje prikkeldraad in mijn keel. Mijn beenderen zijn nog steeds elastisch. Het begon met een vulkanisch hoofd en een pijnlijk, rillend omhulsel dat geen aanraking meer wenste en koude handen die niet zouden misstaan bij een lijk. Daarna werd een zwerm bijen wakker in mijn voorhoofdsholte, alsof daar iets te beleven viel en produceerde mijn kleine neus zodanig buitenproportioneel veel snot dat ik industriële toepassingen overwoog. De spondegenoot voelde zich die maandag ook niet lekker, en dus prepareerde ik twee glazen water met een bruistablet. Het ongemak niet meegerekend leek het in de verte op romantiek. Nadat wij moedig het vieze vocht doorspoelden, vergaten wij de microben. Mijn negenjarige heeft een punt. Vader en moeder gingen door, ze smeerden  boterhammen met choco, stapten over de drempel, verlieten het huis, namen bus of auto, zij lieten hun bacteriën achter op deurklinken en toetsenborden, vervulden hun plicht als werkende mens, zij
 deden alsof er helemaal niks aan het handje, knookje, hoofdje, neusje of wat dan ook was.
Maar terwijl de microben van de wederhelft door een gebrek aan aandacht wegkwijnden, lieten die van moeder de vrouw harder van zich horen: de ijdele minkukels maakten zich moedwillig nog een beetje breder en langer. Eat this, zeiden ze. En ziedaar, op vrijdag, zo net voor het weekend, doeme toch, crashte het moederschip alsnog.  Met een laaiend vuur in der binnenste sleepte moeder zichzelf die ochtend nog met haar kinders naar school, onderhield op de deinende stoep een gesprek met de buurvrouw en draafde toen in de zetel onder een dekentje ijlend weg met een nachtmerrie. En wel tot het schandelijke uur van half één na de noen. Daar was dan ook alles mee gezegd, want er moest in de volgende dagen nog wel zo het één en het ander gebeuren. Er was het vriendinnetje van dochter - belofte maakt schuld- en u weet vast wel in welke mate meisjesgegiechel door merg en been kan gaan. ’s Avonds hadden we ons ingeschreven voor de spaghettiavond van het voetbal van zoon. Pakt u bijeen, vrouw, dacht ik, en vergiftig die ongewenste pummelmansen van microben met een overdosis prosecco. Het leek een goed plan.
Soort zoekt soort, zegt het spreekwoord en dat geldt, proefondervindelijk getest dames en heren, ook voor microben en hun eigenaars. De hufters, they were here to stay. Dus tufte ik eergisteren na het werk toch maar naar een dokter voor een paardenmiddel.  Drie verschillende soorten pillen staan er nu op mijn keukentablet als zichtbaar bewijs dat ik een mietje ben.
Ondertussen is het donderdag.  Het vuur gloeit na, het beendergestel zwabbert relatief ongeïnspireerd rond in mijn overgevoelige vel en deze avond echode de geluiden nog steeds in veelvoud in mijn snotkop. Het is niet bepaald wereldnieuws, maar zo in kleine kring mag het wel eens worden vermeld, dunkt me, want het lijkt een beetje op oorlog en na elf dagen kan een mens al eens verlangen naar een staakt het vuren.

Ik sta in de badkamer en plooi met een pijnlijk frommelhoofd de was. Mijn jongen springt als een aapje uit zijn hangspagaat op de vloer.
“Grote mensen die ziek zijn, die willen stil en rust,” zegt hij en steekt zijn twee handen zo diep in zijn onderbroekje dat ze er aan de onderkant weer uitkomen.
“Jij zou dat willen, hè mama, want jij bent ziek. Maar dan komen wij van HEY en HAAAAA en GANGNAM STAAAAILE. Amai, zunne, dat moet toch echt heel moeilijk zijn.”
Hij zucht diep, schudt zijn hoofd, maar begint dan toch terug te glimlachen en geeft me een ferme knuffel. Zo eentje met de kracht van een octopus. Ik zweer u, lieve mensen, voor de tijd dat het duurde, heb ik niks en niemendal meer van mijn ongewenste bezoekers gevoeld. Alle medicijnen en zalfjes en pilletjes ten spijt: dit werkte, vooraleer we ons hooghartig van de magie wegdraaiden, nog het beste: moederkeszalf  voor wondjes en ingebeelde aandachtspijnen, en de fantastische octopusknuffel voor de ‘ikkannislaapmonsters' en aanhoudende microbenpijn.

zondag 14 oktober 2012

(Miss)verkiezingen

Hij trapt in de gang tegen een bal. Dat mag niet, maar soms kan ik er tegen en zeg ik er niets van. Tot nu toe heb ik niet de indruk dat mijn wisselvalligheid hem al te erg in de war brengt. Hij zegt met een grijns dat hij maandag niet naar school moet, omdat er vandaag Missverkiezingen in zijn lokaal zijn. Ik heb hem al drie keer geduldig verbeterd.
“Wat is dat dan, verkiezingen?” vraagt hij uiteindelijk. Een mens moet nadenken vooraleer hij iets zegt. Ik had veel liever uitgelegd wat een Missverkiezing inhoudt. Er staan veel kandidaten op een podium te roepen voor aandacht, maar in de politiek is het niet de kandidaat met het schoonste lijf dat zal winnen. Het had waarschijnlijk meer met eindigheid dan met esthetiek vandoen dat BDW aan zijn dieet begon.
Ik praat met mijn zoon over politiek en ja, ik maak er een karikatuur van, het middel bij uitstek om dingen, waarvan je niet zo erg veel begrijpt, over te brengen aan iemand, die er nog minder van snapt. Het is niet omdat ik wel eens een artikel in De Standaard lees, dat ik een deskundige ben. Toch slaag ik erin, ongehinderd door een teveel aan kennis, een uitgesproken politieke mening te hebben. Ik voel me geenszins eenzaam in deze positie.
Wanneer ik uiteindelijk bij de partij aanbeland die streeft naar een scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië, trekt prins zijn ogen groot open.
“Maar… maar…,” hakkelt hij. “Waarom? Dan zie ik Guillaume Gillet nooit meer.”
“Wie?”
Het overkomt me wel eens meer dat mijn kinderen me in kennis – poppyyyy, hoe zet ik dat i-Dingens af? – fluks voorbij huppelen.
Meneer Gillet blijkt een speler van Anderlecht te zijn.
“Anderlecht is toch Wallonië, hè?” vraagt hij ter bevestiging.
Vanuit de badkamer bemoeit vader er zich ook mee.
“Brussels gewest,” roept hij.
Dat hij zwijgt. Ik zit hier nu al vijf minuten te verzuipen. Brussel Halle Vilvoorde kan ik er echt niet meer bij hebben. Gelukkig heeft prins verder geen vragen meer over de verschillende gewesten.
“Dan zou ik niet stemmen voor Bart de Wevers (geen typefout),” monkelt hij met dunne lippen.
“En als Anderlecht in Vlaanderen lag? Zou je het dan wel overwegen, mijn zoon?”
“Zou kunnen, zou kunnen.”
Hij bijt weifelend op zijn lip, tot het licht in de blauwe irissen ineens aangaat en hij een andere partij noemt. Hij lijkt er wel zeker van, knikt enthousiast, noemt zelfs de vrouwen – aha! – op wie hij zou stemmen. Het blijken stuk voor stuk moeders van klasgenoten te zijn.
“Ik ruik iets,” lach ik.
Mijn kind steekt zijn neus in de lucht en schudt zijn hoofd. Hij is zich van geen kwaad bewust.
“Het ruikt hier naar opportunisme en vriendjespolitiek,” zeg ik fijntjes, maar de kleine prins luistert al niet meer.  Met zijn linkervoet geeft hij een enorme trap tegen de bal, die hard tegen de wanden van de gang kaatst.

zaterdag 22 september 2012

Intermezzo

Bericht aan hen die mijn blog regelmatig bezoeken en zich afvragen of ik ergens onderweg mijn inspiratie of goesting verloren ben:

Niets is minder waar, lieve mensen, het zit zo: ik zoek naar evenwicht.
Er is het parttime werk, er zijn Man, Poppy en Prins en sinds kort is er een contract bij Prometheus Uitgeverij. Ik schrijf een boek. Het is dat ik niet zo een fan ben van uitroeptekens, maar u mag ze er gerust bijdenken. Of een wolk, en ik erop. Of een wild bonkend hart. Een tripje naar Amsterdam en op de stoep voor de uitgeverij in de zon kijken en haast ontploffen van blijdschap.
Ondertussen ben ik afgedaald naar mijn schrijversstoel en tafel, staan de voeten op de grond en schrijf ik elke vrije minuut aan dat boek. Dat boek. Dat boek! U begrijpt wat ik bedoel: ik zoek naar het evenwicht tussen wat was en dat wat er nu, zo verrassend, nog bij komt, die grote droom die nu misschien dan toch, als ik er maar hard genoeg voor werk, werkelijkheid gaat worden. Met als gevolg dat het hier wat stiller is geworden, dat mijn fragmenten Frankrijk abrupt gestopt zijn, dat mijn leven ongeschreven verder zijn gang gaat. Toch mis ik het, en daarom heb ik me voorgenomen, om toch, zo nu en dan, een tekst te plaatsen. Het zal wat meer kladwerk worden, iets korter ook, iets minder frequent, maar ik kom terug.

 

vrijdag 3 augustus 2012

Beetjes Frankrijk (5,6)

Poppy is vandaag zeven geworden en dus mag ze mee gaan kajakken. Verleden jaar hadden we een leeftijdsgrens verzonnen. Ze is dat niet vergeten en we kunnen nu geen enkele reden meer verzinnen om haar niet mee te laten gaan. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan om vrijwillig in zo een drenkelingenbootje te stappen, maar man ziet er geen probleem in om zich over het addergebroed te ontfermen en stelt me gerust dat het water voor het overgrote gedeelte laag staat.
Ik blijf veilig thuis, lees en kijk naar de gigantische horzel die dagelijks om geheimzinnige redenen een toertje rond de omgevallen stronk komt maken. Dat is spannend genoeg voor mij.

De jongen in het boek ‘de alchemist’ van Coelho reist naar Afrika en wordt bedot. 'Hij bedacht dat hij, toen de zon ’s morgens was opgekomen, op een ander continent had gezeten, herder met zestig schapen was geweest en een afspraak had gehad met een meisje. Hij was geen herder meer en had niets meer, niet eens geld om terug te gaan en opnieuw te beginnen.
En dat allemaal tussen zonsopgang en zonsondergang, dacht de jongen.'
Ik denk na over de tweedeling die Else maakte nadat ze op 9/11 naar de aanslag op de torens keek. Volgens haar zijn er slechts twee soorten mensen: zij die gaan, vertrekken, springen, desnoods in vrije val met het hoofd omlaag, en zij die blijven en wachten tot de rook hun neus, ogen en oren binnendringt.

Onze avonturiers zijn sneller terug dan verwacht. Man heeft een grote, dwarse snee op zijn neusbrug.
‘Die verdomde Engelsen,’ foetert hij. ‘Ik ga me toch niet laten doen door zo’n stelletje…”
‘Wat?’ lach ik.
Mijn man en vechten? Grotere kans dat ik een perfecte duiksprong maak in het diepe.
Het echte verhaal wil dat man met de peddel kracht op de bodem zette om de kajak correct aan te meren. Op één of andere manier schoot het ding hem plots uit de handen vol tegen de neus.
Wat is beter? Gaan of blijven?

Na de nachtelijke zwempartij met champagne is het de volgende dag tijd voor liters water. De dehydratatie is collectief en dus stellen we de trip naar de watervalletjes van la roque-sur-seize uit. We blijven.

Ik ben niet meer in de stemming voor de sprookjesachtige verteltrant van Coelho, dus speel ik vals, lees het boek snel snel diagonaal tot het einde uit. Bij sommige boeken kan dat.
Gaan en terugkeren is niet hetzelfde als blijven, bedenk ik bij het lezen van de slotzin.

Ik zoek een plekje op het schaduwterras, drink frisdrank uit een bierglas met een plaatje van het hoofd van een voetballer die ik niet ken erop. De jongens spelen een spelletje jeu de boules in het dalletje achter het zwembad en ik laat me helemaal meeslepen door een mooi fragmentje uit ‘meisje ontmoet jongen’ van Ali Smith, waarin Anthea in plaats van naar haar werk te gaan een boekenhandel binnen stapt. ‘Zoals dat gedicht dat ik kende, over hoe je een boek uitleest, het dan dichtslaat en in de kast zet en je misschien, omdat het leven zo kort is, zult sterven voordat je dat boek weer opent en die bladzijden van het boek, die eenzame bladzijden, dichtgeslagen in dat boek in de kast, misschien nooit meer het licht zullen zien, hetgeen de reden was waarom ik de winkel moest verlaten, omdat de man van wie de winkel was me bevreemd aankeek, aangezien ik deed wat ik kennelijk in alle boekwinkels doe vanwege dat gekmakende gedicht: een boek van een plank pakken en het open laten waaieren zodat elke bladzijde wat licht opvangt, het daarna terugzetten, dan het boek ernaast pakken en hetzelfde doen, wat zeer tijdrovend is, ook al lijkt men er in de tweedehandswinkels minder bezwaar tegen te hebben dan bij een Borders of een Waterstones enzovoort, waar men het gewoonlijk niet waardeert als je de ruggen van nieuwe boeken buigt of knakt.’
Ik hou van zulke personages. “Omdat ze springen,” fluistert Else. “Anthea springt.”

donderdag 2 augustus 2012

Beetjes Frankrijk (4)

Het is windstil deze morgen. De gesprekken in het zeteleiland van de kinderen meanderen van snurken naar armbanden en hondjes naar pennenzakrock en een auto die ondersteboven gaat naar de aardbol in Bredene waar je zelf een weerbericht kan uitzenden. Ze zitten gezellig met blote schouders tegen mekaar te keuvelen. En even later aan de tafel gaat het door, want prins vindt dat er twee Olympische balletjes in de doos Cornflakes moeten zitten omdat dat op de voorkant én de achterkant aangegeven staat. Nicht begint omstandig uit te leggen waarom dat niet zo is. Ze weet niet waar ze aan begint. Van mij mag hij thuis tot aan zijn elleboog in de doos dabben om zelf  te ontdekken dat er maar eentje in zit. Hij kan maar beter zo snel mogelijk ingewijd worden in de lepe wereld van de reclame. Op de doos van nicht staat: Crunchy Muesli, een moment van intens plezier.

Het is woensdag, windstil, 30 graden Celcius en het is markt. Wij zweten ons dapper door het volk heen en plukken hier en daar wat van de kraampjes mee: een mottige, helgroene horloge (poppy), een voetbalshirt en broek (nee, geen pistool, prins), een strooien hoed (man) en oorbellen (moi). Achter een smeedijzeren poort bij de kruidenkraam – heerlijke geuren in onze neuzen - hinkelen kinderen op een speelplaats, maar wij willen niet meer bewegen. Wij willen van onze zweetsnor af en gaan op zoek naar een terras. Er is iets vreemds met die terrassen in Frankrijk. Je mag alleen aan de eerste rij tafeltjes iets drinken, ook al zit er voor de rest van twaalf tot drie niemendal. We zijn met elf personen en er zijn niet genoeg stoelen. Dus stapelen wij, dorstige maar meegaande toeristen, ons op mekaar, en het loont de moeite, want een frisse pint smaakt op zijn best met een zweetsnor, zeg dat ik het gezegd heb. En ijs voor de kinderen kan ook niet, laat de jonge garçon ons zuurtjes weten, want er is geen plaats. Wat een zeer snuggere opmerking is, gezien we al aan de derde pint zitten en er nog steeds niet afgeruimd werd.

Geen blad beweegt. We glibberen ons de dag door. Als het niet in het zwembad is, dan wel in eigen nat. Maar we klagen niet. Het is fris in Vlaanderen, heel fris. We zouden niet durven klagen. Bijlange niet, wij kijken roerloos maar tevreden naar de vochtparels op onze lijven. Kijk, hoe schoon de zon er zich in spiegelt.

Ik lees in Japin: dagboeken 2000-2007, terwijl Raymond na al die jaren nog even hartstochtelijk l’amour wil hebben. Zoiets gaat niet voorbij. Het licht valt zo hard op de bladzijden dat mijn hoofd er ijl van wordt.

‘Vrijheid is me lief, maar liefde is met liever.’ – Japin
Prins is boos op me. Hij is zo schattig als hij boos is. Hij lijkt op een grootogig zeehondje dat van zijn moeder voor straf op het zand moet. Maar ik zie hem liever vrolijk en probeer uit te leggen waarom ik het niet leuk vind als hij aan me trekt in het bad. Hij kijkt stuurs weg, met getuite mond, kleine frons in het voorhoofd en alle spanning in de armen die hij ferm gekruist houdt voor zijn natte shirt. Er is geen beginnen aan als hij zo is. Ik weet dat ik het dan even moet laten. Hij is ergens anders, daar waar tralies zitten en donkere wolken. Geduld. Tien minuten later volgt hij stilletjes zijn schaduw naar mij toe.
‘Wat ben je aan het lezen?’ vraagt hij en duwt zijn natte buik naar mij toe.
Ik leg mijn wang ertegen en kan de codetaal van zijn hartje ontcijferen:
‘Ik ben niet boos meer. Ik vind je terug lief, mama.’

‘Geluk is het verstand over het hoofd zien’ – ‘Zelfs door te dromen van een doel bereik je het al.’ – Japin

De drie musketiers hebben gereserveerd bij le Grain de Soleil. Het is stil daar. Sereen. Ik heb de indruk dat de gasten eerder fezelen dan praten. En dus dondert prins eerst achterover van een muurtje, schuift  even later in volle vaart met zijn knieën over de kiezeltjes en toetert daarbij als een kudde gekwetste olifanten. Man neemt hem met de elleboog mee even verderop naar een steegje. Een Vlaamse vrouw die het spektakel heeft gezien, volgt hem en haalt een apotheek uit haar handtas om onze gekwetste prins te helpen. Het gehuil maakt me van streek. Bovendien is het eten niet echt lekker, en heeft één van de vrouwen die ons bedient een uitdrukking die duidelijk toeristenallergie verraadt (onze kennis van het Frans is beperkt, maar we doen ons best). De andere vrouw is beminnelijk. Ze draagt een hele lange bruine jurk, is groot, heeft een mooi gezicht.
Ik vermoed dat het een samenkomen is van te weinig voedsel, teveel wijn, het gehuil van prins en de aanblik van deze engel. Ineens raak ik in een vreemde, zwaarmoedige stemming.
In mijn dagboekje staat net voor de notitie van deze avond een fragmentje van Japin: ‘de zwaarte van mijn jeugd was van mijn lichaam af maar zat voor altijd in mijn geest.’ En ook iets over de uitbarsting van Aldonza die kwaad was op Don Quichot omdat hij haar mooier en beter ziet dan ze is. ‘Door zijn rotsvaste geloof in haar ontdekt zij wat zij niet is maar had kunnen zijn. Hierin schuilt veel van de woede van de mensen. Je voelt het litteken pas als iemand het streelt. Dit is de wonde in bewondering.’
Daar aan tafel draaien mijn gedachten in cirkeltjes.  In mij is het niet vaak windstil.

woensdag 1 augustus 2012

Beetjes Frankrijk (3)

Ze smeren mijn rug in, de meisjes. Peutertje pauw kan er maar niet genoeg van krijgen. Gaat eindeloos bedelen bij mama voor nog wat. Doe maar, meisjes, denk ik, want het is zo fijn, zo fijn met die kleine aspergevingertjes. De wind, jaloers geworden, laat van zich horen. Ze heeft de opblaaszetel op de dorre plukjes gras gesmeten en de krokodil ligt op haar rug tegen de roestige draad van de druivenranken.

 Nonkel, vraagt prins, wat ga je doen? Schoonbroer komt in zwembroek de trappen af. Het is ons allemaal overduidelijk wat schoonbroer gaat doen, maar prins is een meester in het stellen van overbodige vragen. Het gras maaien, zegt schoonbroer droogjes. Wij lachen, terwijl zoon zich in alle ernst afvraagt waar de grasmachine dan wel is.

Een grote witte vlinder zeilt over het water van het zwembad. Ik ken haar naam niet. De plastieken walvis loert over de badrand en lijkt me uit te lachen. Hoog boven ons zweeft een enorme vogel door de lucht.  Welke vogel is dat? vraag ik aan zus. Ze weet het niet. Ik vraag het aan schoonbroer, want die zou het volgens zus wel eens kunnen weten. Een flink uit de kluiten gewassen mus, zegt hij en duikt terug in het water.

Prins, wanneer gaan we het gras maaien? vraagt schoonbroer.

De jongens spelen voor de duizendste keer ‘ik neem je mee van Londen naar Parijs’. Inwendig begin ik stilletjes zelf een verzoeknummer af te spelen: ‘hang the DJ’s’.

Zus leest ‘een schitterend gebrek’ van Japin en ik volg nog even mijn verpleegster en word weer getroffen door haar vermogen tot verwondering: ‘Alles aan de apotheek is mooi – de glazen, de vlammen, de koperen gewichten, de bokalen en kolven, maar nog mooier omdat dit alles zich een verdieping hoger bevindt dat de corridor waarin wij staan en opkijken, door een luik in de muur. Het heeft wel iets, je lijkt wel Gulliver.’ En nog: ‘…geschramde schouders verdragen geen klopjes.’

Theater in het water:
Poppy (in de breedte overzwemmend, kirrend): je bent zo grappig.
Broer pauw (bezorgd over iets waar ik geen  kennis van heb): gaat het een beetje?
Poppy (stelt een paar geïnteresseerde vragen, hoofd schuin, ze doet dat goed, en dan abrupt van onderwerp veranderend, iets waar kinderen in uitblinken): ik wil je proefkonijn zijn.

Broer pauw (die in tegenstelling tot mij dit wel schijnt te begrijpen): oké, jij bent aan het verdrinken en ik kom je redden (zet ostentatief bril op en duwt snorkel in mond).
Poppy (kruipt uit zwembad, doet een bommetje): help! Help!
Broer pauw (peddelt rustig op een rode watermatras naar de vrouw in nood)
Prins (fronsend aan de kant, met chocoladebroodje in de hand)
Ik (over boek heenkijkend): als je zo blijft eten, ga je als reus terug naar België.
Prins (hoort me niet, kijkt jaloers naar de reddingspogingen)
Ik (sta op en ga af)
Prins (gooit bal tegen het hoofd van de drenkeling)
Poppy: mamaaaaa, hij gooit de bal tegen mijn hoofd
(Intermezzo)
Poppy (gooit duikbril tegen buik van prins)
Prins: mamaaaaa, ik bloed!
Ik (duik onder)

Zeg prins, is het nog geen tijd om het gras te maaien?

Mama pauw maakt ovenbroodjes met tomaat en mozzarella. Ondertussen zal ik wel eens voorlezen aan peutertje pauw. Ik spoor haar vader aan om mij twee boekjes mee te geven, want als ik eenmaal op dreef ben… Het draait enigszins anders uit. Ik was vergeten dat peutertjes geen geduld hebben. Na mijn eerste zin draait ze de bladzijde alweer om, want dat is veel en veel leuker. Ooit heb ik dat nochtans geweten hoe dat ging met boekjes en scheurgrage tijgerpootjes.

Na een wel zeer uitgebreide aperitief – zijn er hier andere? – laten we ons wat meedrijven in het water als visjes in een aquarium. Franky zingt: let yourself be beautiful. En dan kruipen we als hagedissen uit het water om roerloos aan de rand te zitten. We laten de benen bengelen in het koele water en in mijn hoofd en lijf lijkt alles te kabbelen. Zo moeten bomen zich voelen, denk ik nu. Het is een kortstondig evenwicht, want langs de kant van het hoger gelegen huis komt een monster de trappen af geslopen, een groot langharig zwart, snuffelend beest. Daar komt hij dichter, het zonneterras op. De kinderen gillen enthousiast en begroeten de gruwel, maar het is niet hen die hij zoekt. Hij loopt hen straal voorbij, mijn richting uit. En dan doe ik wat ik nooit durf, ik spring gewoon langs de diepe kant het bad in. Een onverwacht experiment: mijn angst voor honden is blijkbaar nog groter dan mijn angst voor water. Het is niet anders, ik ben Bandini: ‘Ik liep de trappen af van Angel’s Flight naar Hill Street, honderdveertig treden, met gebalde vuisten, voor niets en niemand bang, maar wel benauwd voor de tunnel van Third Street, bang om erdoor te lopen – claustrofobie. En ook bang voor hoogtes, voor bloed, en voor aardbevingen; maar verder zonder vrees dan voor de dood, behalve de vrees dat ik in een menigte zal gaan schreeuwen, vrees voor blindedarmontsteking, voor een hartkwaal … Maar verder nergens bang voor.’Ik ben Bandini.

’s Avond spelen de vrouwen/meisjes Trivial Pursuit tegen de mannen/jongens. De wijn heeft rijkelijk gevloeid, zodat ik ineens helemaal blij word met iets wat ik nog niet wist, namelijk dat de maan de getijden en de aardkorst bepaalt. Niet weten? Natuurlijk weet ik dat wel. Over hoofdsteden moet je me niet ondervragen. En de namen van vogels ken ik niet. Ook niet van vlinders. En een boom is een boom. Maar de maan. Natuurlijk wist ik dat. Het was de wijn. De maan, haar ken ik toch. Af en toe huil ik naar haar.

(Voor de lezer die het nu wel gehad heeft met het luie leven aan het zwembad, de blauwe lucht en de wind. Er is nog meer van dat, maar er volgen ook nog uitstapjes.)

dinsdag 31 juli 2012

Beetjes Frankrijk (2)

Al dat groen rondom ons en daar op de heuvel het dorpje Cornillon. Eén enkele onzichtbare weg met blikkerende autootjes die het uitzicht in een rechte horizontale lijn doorklieft, maar het lijkt allemaal niet echt, onbeduidend, schattig,  auto’s in speelgoedformaat. Je zou niet verwonderd zijn als uit het blauw ineens een grote kinderhand tevoorschijn zou komen om met de minivoertuigjes te spelen. Wij mogen klein en zorgeloos zijn in deze omgeving.

Ik lees ‘dagboek zonder data’ terwijl mijn zus de twee eerste hoofdstukken van mijn manuscript op haar knieën heeft. Ik moet me bedwingen om niet voortdurend te vragen hoever ze al zit. Het boek van Enid Bagnold is vertaald door Erwin Mortier. In de inleiding schrijft hij dat men haar vroeg waarom iemand schrijft. Zij antwoordde: ‘Het is de vloeiende reden om te leven.’ Ik ben al verkocht.

"... achter hen, onder hen, bezit ik die taaie, geheime vrijheid van een instituut, die als de wind door me heen jaagt en mijn gemoed optilt als een herfstblad." (Bagnold)

Ik lees nog steeds. De wind lijkt met alle blaadjes van de boom afzonderlijk te spelen. De  kinderen in het bad doen alsof ze elkaar redden. Er zijn geen wolken. Ik lees. De kinderen spelen bommetje en het water spat omhoog. De wind aait mijn armen en ik kijk naar het blije gelaat van mijn kleine, bleke prins die ook in het water zijn shirt draagt om niet te verbranden. Ik lees. De wind tilt de lange blonde haren van peutertje pauw op. Ze heeft haar pauwenkreet verloren maar aan dramatische expressie gewonnen. Ze zijn allemaal net iets anders na een jaar. Nichtje is ondertussen een hoogpotige, knappe hinde geworden die met een stoïcijnse blik het kindergejoel kan overzien maar er net zo goed nog aan mee kan doen. Zus is twee voortanden en een groot stuk van haar jaloezie kwijt. En de jongens staan elkaar niet meer naar het leven.

De mannen hebben hun bakboter vergeten en offeren zich nu op om terug te rijden en een welverdiende pint te gaan pakken in het dorp. Ik lees. De jongens spelen DJ. Door de open ramen waait Gers Pardoen ons toe: ik neem je mee-e-e-e-e-ee. Prins komt ons vragen naar verzoeknummers. De keuze is beperkt. Dromerijen en voetballen staat zijn muziekkennis enigszins in de weg, bedenk ik. Poppy slaat als ik ter afkoeling in het lage water ga haar benen om mij heen. Ik ben de bandjes vergeten maar die heeft ze niet meer no-ho-ho-dig, want ze is een waterrat zoals iedereen in de familie, behalve die arme sullige ik. Het beeld bij uitstek van haar deze vakantie: voortdurende springend in het water en die ene keer per ongeluk duikend, omdat ze haar vader nadeed, breed lachend en proestend boven komend en in één theadrale beweging de duikbril op haar hoofd duwend om dan weer richting trapje te zwemmen. Het genot van de herhaling.

“…vannacht aan elke tak een ster, en een ongenaakbare maan scheen genadeloos…” (Bagnold)

Ik hoor nichtje per ongeluk druikbil zeggen en ik lach vanbinnen de kriebelige lach van kinderen na een flauwe grap. En ik zie hoe de zon zich door mijn glas wijn smijt in twee dansende sterren op de gele terrastegels. Ze bewegen, zeg ik. Het is de wind, zegt mijn zus, de navorser.

Op het terras ligt er van alles zomaar te liggen: een omgekeerde pet, twee slippers, een stripverhaal, een slordige handdoek, een groene duikbril – druikbil  – met twee kikkertje aan de bovenkant, een roze borstel met de stekelrug omhoog, een opblaasbare grijnzende krokodil langs de klimop, een flesje factor 20, een flesje factor 50, een plastieken doosje, het tasje met duikspullen van nichtje, een stuk waterpistool op de rand.

“Ik hou van mensen die dingen opmerken.”(Bagnold)

Ik lees en de wind kietelt aan mijn tenen en de lucht is blauw en ik bedenk dat ik verleden jaar Tonio las en nu weer iets over oorlog, alsof ik mezelf moet straffen voor al dat blauw en die wind en de sterren van mijn wijn. Ik duw de sigarettenpeuken in de gaatjes tussen vier tegels want straks, ooit als ik recht sta of iemand mij recht takelt, zal ik ze wel opruimen. Ik lees en plet per ongeluk een vliegje tussen twee bladzijden en als ik aantekeningen maak doet de zon mee in een lange sierlijke schaduw over mijn blad. Ik lees en zus klapt mijn manuscript dicht en zegt dat het goed is.

maandag 30 juli 2012

Beetjes Frankrijk (1)

Het fotoapparaat lag zichzelf nog op te laden in het bureau van man. In de koelkast nog een boterhamdoos met ronde broodjes en kipsalade. Op het kastje in de badkamer een paar opgerolde kousen, voor onderweg in de auto tot die niet meer nodig zouden zijn eens de poort van de zon voorbij. Op vakantie gaan is dingen meenemen die je niet nodig hebt en dingen vergeten die je wel nodig hebt.

Onderweg in een tankstation zit hoog aan een raam een ongelukkig vogeltje ingesloten. Een dronken jongen ligt met zijn hoofd op een tafeltje te slapen. Een opengescheurde zak chips op de grond. Vanaf het moment dat we de deuren openden woei de urinegeur onze neuzen in. Het vogeltje piept angstig, fladdert halfslachtig tegen het venster. Gevangen. Net zoals wij met onze volle blaas.

Dan is er het eerste zonnebloemenveld. Eenmaal Lyon voorbij is het licht anders. Er is eindelijk zon tussen de wolken die nu slechts nog een onschuldig schaduwbuikje hebben.

Man rijdt. Ik deel broodjes uit. Dat is heel ingewikkeld: gordel uitdoen, bovenlichaam tussen de zetels wringen, koelbox open proberen te krijgen, vissen naar het gevraagde pakje. Man rijdt en ik hou hem wakker, verwissel de CD’s van de prehistorie. Zing met Annie mee en dans met Marcia. Liedjes van vroeger hangen vast aan herinneringen. Altijd. Won’t you forget about me zal me altijd terug voeren naar morsige fuifzaaltjes en plastieken pintjes bier.

Afslag Bolline, eindelijk weg van die saaie autostrade. In de bocht van de afrit gooien man en ik de ramen open. Niet omdat het zo warm is, maar omdat we ze willen horen, de krekels. Alles is pastel hier, en schots en scheef en schoon. Ik vraag aan man welke bomen het zijn onder wiens loofdak we passeren, alsof we hoog bezoek zijn. Hij weet het ook niet. Dan over de brug, Pont St. Esprit, alsof we een prentenboek gaan binnen rijden. In de wolken lees ik andere dingen dan thuis. De autodame leidt ons langs slingerwegen en heuvels vol broccolibomen. Ze is ook moe, zeg ik, ze lispelt af en toe.

“Mogen we het zwembad in?” vragen de kinderen.
“Te koud,” zeg ik.
“Laat ze toch,” zegt man.
Gelukkig is hij er om af en toe mijn rechte lijnen wat krom te duwen, want kinderen hebben het nooit koud. Ik ben het die nergens tegen kan.
En daar gaan ze: prins, poppy, vriend en nicht, maar man springt er niet, zoals verleden jaar, als eerste in. Te koud, vermoed ik.

De drie vaders beramen een ontsnappingspoging. Ze gaan winkelen. Op zondag. Wij doen alsof dat in Frankrijk wel mogelijk is en kijken naar het gespetter van de kinderen. Maar als we aan het eten willen beginnen, werkt het gasfornuis niet. Wij zoeken het wel zelf uit. Wij hebben ook poten aan ons lijf en een stel hersenen. Wij plegen overleg. Wij klaren het zaakje wel.
Het lukt ons niet. Wanneer de mannen – olijk en zonder boodschappen – terugkomen, laten we hen weten dat het fornuis niet werkt en dat we alles gedaan hebben om het te laten werken. Het is duidelijk: de gas is op. Ze geloven ons niet, onze mannen. Ze buigen zich over de gasfles. Kijken ons collectief grijnzend aan wanneer een seconde later het vlammetje brandt.

En dan is er schuimwijn. En woorden die verwaaien vooraleer ze onze vermoeide oren bereiken.

zondag 17 juni 2012

Regenboog

In den beginnen was er de vrije wil. Dat heeft hij in een verstrooid moment zo beslist en dus heeft hij het er eigenlijk zelf een beetje naar gemaakt dat de mens zijn heil in de wetenschap ging zoeken. Niet dat ik helemaal van god los ben, ’t is te zeggen, ik hang nog enigszins vast met een veiligheidsdraadje, want het is een toornig wezen, hij die ons naar zijn evenbeeld zou geschapen hebben. De tijd dat ik hem na elke ontkenning stilletjes mijn excuses aanbood, is ondertussen voorbij.  Maar toch, zie je me al staan straks, helemaal op mijn ongemak, cirkeltjes in de wolken draaiend met de punten van mijn schoenen en dat het baardwezen dan  ‘Awel?’ dondert? Als ik niet al morsdood was, zou ik wel eens een tweede keer kunnen sterven van de schrik.
Mensen die van god los zijn, dienen hun kinderen niet naar een katholieke school te sturen. Dat spreekt voor zich. En bovendien was onze prins een schrikachtig kind dat als baby na elk onverwacht geluid, een deksel die op de grond kletterde of een vlieg die neerdaalde op de tafel, met opengesperde ogen en de handjes en voetjes omhooggestoken in de wieg op het einde van de wereld lag te wachten. Zo iemand hoor je met zijn pantoffeltjes aan een lieflijke freinetschool af te zetten. Het kind zou niet eens weten dat hij niet meer thuis was, zo gezellig zou het er daar aan toe gaan. Helaas diende ik dan wel elke dag een wereldreis te ondernemen van 15 kilometer. Overtuigingen zijn enkel aangenaam als ze het praktisch gemak volgen en u moet weten dat wij pal tegenover een grote katholieke school wonen. Echt waar, als je de wind in de rug hebt, moet je even opletten dat je er niet aan voorbij waait. Konden we de auto laten staan. Goed voor het milieu. Ook belangrijk. Te voet naar school. Gezonde buitenlucht in de neus van onze kinderen. Het is maar hoe je het bekijkt. En gemakkelijk, dat ook natuurlijk.
In het lessenpakket van onze kinderen zit dus een flinke hap godsdienst. Tot nu toe hebben we er geen traumatische ervaring aan over gehouden. Tot ik onlangs  prins hielp met het voorbereiden van zijn toets. Het ging over de ark van Noach. Waarom redde God Noach en zijn familie? las ik hardop. Omdat Noach en zijn familie lief waren, stond er. Dat die Noach een  etter met een drankprobleem was, mompelde ik, want dat had ik in een boek van Julian Barnes gelezen. Wat zeg je, mama? vroeg prins. Niets jongen, helemaal niets, zei ik en ging vlug over tot een meerkeuzevraag: Wie/wat maakt een regenboog? Antwoord één luidde: regen en zon. Antwoord twee ben ik vergeten, maar het was iets in de aard van ‘de Farizeeërs na een avondje stappen’ en bij antwoord drie, waarvan het bolletje met potlood was ingekleurd, stond: God himself. In afwachting van het antwoord, klemde ik mijn kaken op mekaar. God, antwoordde prins olijk en overtuigd, waarop ik draad en naald nam en mijn mond dichtnaaide. Is er iets, mama? vroeg prins. Welnee, welnee, mompelde ik, want ik wilde het kind zo vlak voor zijn toetsenweek niet in de war brengen. Ik heb gezwegen en ik zwijg nog steeds. Het valt me zwaar, god, u mag dat weten. Maar ik ben geduldig. Op een dag zullen zon en regen voor mij een boog maken, een dubbele als het even meezit, en dan zal ik het hen vertellen. Had u me maar niet met een vrije wil moeten opzadelen.

En voor het onderwijzend personeel, het zit dus zo: “De regenboog wordt veroorzaakt door breking en weerkaatsing van zonlicht in waterdruppels. Deze zweven of vallen vrij en hebben dankzij hun oppervlaktespanning een bolronde vorm. Het licht breekt bij het binnengaan van een druppel, weerkaatst aan de achterkant van de druppel, en treedt na nog een breking aan de voorzijde uit, zoals uit een prisma. De verschillende kleuren in het witte zonlicht breken onder verschillende hoeken, wat een spectrum oplevert. De waterdruppel werkt dus tegelijk als een spiegel en een prisma.” (wikipedia)

donderdag 31 mei 2012

Soms vergeten we de liefde

Om twee uur stap ik van de trein en klimt opa de ladder op. De zon schijnt. Opa probeert op het dak een latje vast te zetten. De ladder schuift. De hersenen werken razendsnel, maar de reactie volgt trager.
“Opa is gekwetst. We moeten nog even wachten op nieuws vanuit het ziekenhuis.” Ik formuleer mijn zinnen voorzichtig, want prins is een gevoelig en fantasierijk kind. Poppy slaat haar handen dramatisch voor haar mond. Prins informeert naar de hoofdwonde. Of ze J-of L-vorming is. Hij plaatst wijsvinger en duim op zijn voorhoofd ter verduidelijking.
Voor het eerst sinds ik laat werk op woensdag  blijven de kinderen niet slapen bij oma en opa. Ze mogen wel even op bezoek. Voor de geruststelling. ‘De wonde is C-vormig,’ laat prins me weten, als ik me bij hen voeg.
Even later zwaait opa ons dapper uit met één arm. Het wit verband op zijn neus steekt scherp af tegen de gebruinde huid. Een indrukwekkend litteken, bedenk ik met iets van plaatsvervangende pijn.  Het is stil op de achterbank van de auto.
“Met die witte neus lijkt opa een beetje op een koalabeertje,” zeg ik wanneer we wegrijden.
Het blijft stil. We zwaaien terug en wanneer we de straat oprijden, zegt poppy met een dun stemmetje:
“Ik heb tranen voor opa.”
Ik draai me half om, leg mijn hand op haar knie en zie nog net hoe ze met de muis van haar hand het water wegveegt. Prins kijkt stug uit het raam en zwijgt. Maar ’s avond in bed, verzucht hij na het gebruikelijke, heimelijke denkwerk enigszins opgelucht: “Ik ben zo blij dat mijn vriend terug thuis is.”  
Soms vergeten we de liefde omdat ze zo daar is, zo stilletjes, zo vlak voor onze neus. De dagen ritselen voorbij. De zon blijft duren. We denken overmoedig dat alles blijft duren. En dan schuift onverwachts een ladder onderuit. We schrikken. We wachten. We halen opgelucht adem. Want het had erger kunnen zijn. Het had veel erger kunnen zijn. En dan zien we het weer. We staan stil bij de veilige nesten waaruit we gevlogen zijn en waar wij altijd opnieuw zo welkom zijn.

(Bedankt oma, opa, moeke en vake.)

woensdag 25 april 2012

Een hart in een doosje

In het eerste studiejaar begon het te kriebelen. Dat merkte ik toen op mijn dagelijks gestelde vraag ‘hoe is het geweest op school’ een ‘goed, we hebben meisjes gespioneerd’ volgde.  Enige tijd later vroeg hij me of ik geen mooi doosje voor hem had en toonde me in zijn openvouwde handje een steen in de vorm van een hart. Terwijl hij het geschenkje met de grootste omzichtigheid op een watten bedje in een cilindervormig horlogedoosje schikte, droomde hij luidop een beetje weg over het frêle meisje in zijn klas. Ik smolt en vermoedde dat zij dat weldra ook zou doen, maar het  draaide enigszins anders uit. Prins kwam na school naar huis met zijn hart in zijn knuistje en zijn kwetsbare jongensziel onder zijn arm. Over het doosje, het mag gezegd, was ze laaiend enthousiast geweest. ‘O, leuk, hier kan ik mijn armbandjes in leggen,” had ze gekird. Maar het hartje was als een zielig schuitje tegen zijn boterhammendoos gestrand, nadat ze het hem achteloos tussen de kruimels door terug had toegeschoven. Edoch,  jongensharten herstellen snel op die leeftijd. Veel meer dan een dessert was er die dag niet voor nodig.
Dochter werd al sneller iets gewaar. In de derde kleuterklas beoefende zij reeds de kunst van het giechelen, het hoofd ietwat schuin. Voor even dan toch, want het verveelde haar al snel.
Al bij al stelt wat ik hoor en zie me gerust: ze zijn lief voor mekaar, die jongens en meisjes. De heertjes staan al eens tegenover elkaar als schattige haantjes met sponsen spieren, maar tussen de seksen blijft het bij onschuldig plagen en giechelen, elkaar achterna zitten of een kus die dichter bij het oor dan bij de mond belandt. En laat ik vooral niet vergeten te vermelden dat ondanks het beperkte arsenaal aan flirttechnieken er geen brokken gemaakt worden.
Soms kijk ik als ouder vooruit: hoe zal mijn zoon later, als zijn sproeten verbleekt zijn en het testosteron door zijn lijf jaagt, met meisjes omgaan? Gezien zijn ietwat bedeesde natuur en met een zachtmoedige vader als voorbeeld zie ik de jongen niet meteen transformeren in een man die onuitgenodigd met zijn vuile laarzen de grenzen oversteekt. En hoe zal dochterlief zich later tegen opdringerig manvolk verweren? Rad van tong is ze en fel in haar gebaren. Dus voorlopig hoef ik me daar ook geen zorgen over te maken.
Maar laat ik hier toch maar even oefenen, voor later. Lieve dochter, als een man te dichtbij komt, zo dichtbij dat  het alarm in je buik loeiend afgaat, ga er dan niet aan voorbij. Want dat alarm is geen goedkope, haperende rookmelder. En nee, je bent niet flauw, als je er iets van zegt.  
Lieve prins van me, flirten is een subtiel spel. Het heeft niets met grove borstels te maken, maar alles met fijne penseelstreken. En, nee, gemakkelijk is het niet, lichaamstaal kan verwarrend zijn. Schrik ik je af met mijn woorden? Dat is niet de bedoeling,  jongen. Laat ik je geruststellen, we zijn echt niet van porselein. Wij, althans de meesten onder ons, hoeven niet perse op een troon gezet te worden, maar de tijd dat we met de haren de grot in getrokken werden is definitief voorbij, en de verbale oervariant  daarvan zal altijd verloren raken in bevallige dovemansoren. Vinden jullie het allemaal nogal verwarrend? Ik kan jullie een trucje verklappen: als de lichaamstaal van de anderen je voor een raadsel stelt, vraag dan gewoon wat ze ermee bedoelen, met hun glimlach, of het handgebaar, met de stilte tussen hun regels. Zo simpel en vanzelfsprekend kan het ook zijn.  En gegarandeerd komt er dan die mooie dag waarop ze het hartje houden en het doosje teruggeven.   

maandag 9 april 2012

Ik bel wel met mezelf

Mijn dochter heeft een nuchtere geest. Dat weten we al sinds dat ze het bestaan van draken afdeed als onzin en bijgevolg ook zichzelf bevrijdde van de angst voor het donker. Gisteren deelde onze bijna zevenjarige Poppy, nadat ze zich in de grootste stilte over het bestaan van de paashaas gebogen had, argeloos haar conclusie mee aan haar oudere broer. Prins wordt negen jaar in de zomer en hij zal zowat de enige in zijn klas zijn die nog in paashazen gelooft. Daar staat hij nu, in het midden van de woonkamer, een beetje verloren en hoofdschuddend  naar zijn zus te kijken.
“De paashaas bestaat niet,” zegt ze en onderstreept alle zinnen van haar betoog met strakke armbewegingen. “De paashaas loopt op vier poten. Als die eieren moet gaan leggen, moet hij op twee poten lopen. En dat kan een haas niet. Dat heb ik op televisie gezien. En hij kan ook niet praten. Hij heeft een mond, maar hij kan niet praten. Dus de paashaas bestaat niet, prins.”
Prins lijkt zich onaangedaan op een speelgoedje te concentreren, maar zijn frons verraadt zijn bezorgdheid. We staan op het punt om naar de grootouders te vertrekken voor een grootscheepse zoekactie in de tuin en nu gooit zijn zus hem deze ontluisterende informatie in zijn gezicht.
“De paashaas is een man in een kostuum,” gaat hij tegen zijn zus in, maar zijn woorden komen er wat hortend uit.  “En die komt dan de eieren in onze tuin leggen.”
Poppy verwaardigt zich niet eens om daarop in te gaan. Ze blijft zelfzeker voor hem staan, maar dan lijkt zoon zich te herpakken en komt met de ultieme vraag.
“Zeg, poppy, als de paashaas niet bestaat, wie legt de eieren dan in de tuin?”
Het baat niet, zelfs over die vraag heeft het duivelskind nagedacht.
“Oma en opa leggen die eieren in de tuin,” laat ze hem met een zelfvoldaan lachje weten.
“Dat kan niet,” smaalt prins. Nu heeft hij haar. “Want oma en opa weten zelf toch nooit waar ze liggen. Die zoeken toch mee.”
Poppy schudt zachtjes met haar hoofd en geeft het op. Er wordt verder niet meer over gesproken, maar als onze snoodaards ’s avond bij de grootouders stiekem de kraan in de tuin opendraaien om elkaar kleddernat te spuiten en ik bijgevolg gewoontegetrouw ermee dreig de paashaas voor de volgende dag af te bellen, kijkt mijn zoon mij lachend en blakend van zelfvertrouwen aan en sneert: “Dan ga je dus jezelf afbellen?”
Ik haal het steeds minder van mijn kroost. Het ziet ernaar uit dat ik nog veel met mezelf ga moeten bellen.

zaterdag 17 maart 2012

Wijvenweek (5) - Schat

Veel kan ik niet. En al helemaal niet veel tegelijk, maar  ik heb wel een klein talent: ik kan in het park die haan zien, die prachtige, enorme haan. Hoe hij over het grasperk statig komt aan paraderen. Hoe hij traag aan me voorbij schrijdt. Als een koning. En tegelijk voel ik iets. Iets dat zich moeilijk laat beschrijven. Het licht misschien, of het gebrek eraan. Het groener gras misschien. De manier waarop een eend over mijn hoofd afdaalt naar de vijver. Of de vijver zelf die koel, grijs en geheimzinnig de lucht weerspiegelt. Of dat allemaal tegelijk. Hoe de dingen samenspannen en mijn verbeelding op hol doen slaan, want zomaar,  ineens kan ik me voorstellen dat de haan een horloge uit zijn borstveren plukt en moppert dat hij nog te laat gaat komen. Het is niet ondenkbeeldig dat ik straks in een konijnenpijp beland.
Ik kan niet veel en al helemaal niet veel tegelijk, maar ik kan wel kleine dingen vangen. Ziehier, de trotse eigenaar van een persoonlijk museum van miniaturen. Ze draait de tijd terug in haar hart en daar verschijnt hij weer, die prachtige koning van het park. En verder, verder terug langs fragmenten kindertijd naar de vader die zachtjes denkbeeldige eieren stukslaat op het hoofd van zijn dochters. Proef de magie van zijn vingers die als lopend eiwit door de haren glijden.
Veel kan ik niet, maar ik heb een klein talent voor details.  En datgene wat door mij gehoord en gezien en geroken en geproefd is, die schat aan alledaagse zaken, probeer ik te laten aanmeren in poëtische havens. Zodat ze niet verloren gaan. De dichteres Wislawa Szymborska beschrijft de vreugde van het schrijven als volgt: Er bestaat dus een wereld/ waar ik absoluut over het lot regeer?/ Een tijd die ik met tekenketens bind?/ Een bestaan, continu op mijn bevel?//De vreugde van het schrijven./ Het vermogen te bewaren./ De wraak van een sterfelijke hand.

vrijdag 16 maart 2012

Wijvenweek (4) - Schop


Beste lezer,

Als je schrijft over iets zuurs, is de kans groot dan je zelf klinkt als een augurk. En dat wil ik niet. Daarom heb ik Pippi Langkous ingeschakeld. Ze is dan wel groot geworden – de pillen van de zolder bleken niet te werken -  maar haar paard loopt nog steeds rond in Villa Kakelbont  en ze eet nog regelmatig slagroomtaarten voor ontbijt. Haar vlechten heeft ze ingeruild voor een onbestaanbaar hoog kapsel, maar haar puntige heksenschoenen zijn nog altijd een maatje te groot. Want goede dingen, zo beweert zij, moet je niet veranderen. Zo blijft ze nog steeds om meducijn vragen, ook al weet ze ondertussen wel beter. Toen ik haar mijn probleem voorlegde, kwam ze onmiddellijk van het dak af waar ze lag te zonnen met mijnheer Nilson en zocht de apotheker op. Ziehier het verslag van haar bezoek.

“En wat mag het wezen?” vroeg de oude man. Als kind bracht ze hem al eens in verwarring, maar nu waren haar bezoekjes een welkome afwisseling tussen de saaie om Dafalgan en Nurofen vragende dorpsbewoners.
“Het is niet voor mij, hoor,” zei Pippi en bekeek een doosje vitamines alsof het toverpillen waren. “Het is voor de anderen.”
De apotheker grinnikte.
“En wat scheelt er dan precies met de anderen, als ik vragen mag?”
Pippi keek dromerig naar buiten. Haar aandachtsprobleem was nog steeds legendarisch.
“Wat hebben ze dan?” drong de farmaceut vriendelijk aan. “Hebben ze misschien last van spoenk?”
Het was al anderhalve maand geleden dat hij nog een grapje had gemaakt en hij genoot intens van de kriebel die hem dat bezorgde in zijn buik.
“Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben,” zei Pippi ernstig. “Maar zeker zijn we natuurlijk nooit.”
“Natuurlijk niet,” kuchte de oude man, waarop Pippi zich vertrouwelijk naar hem toe boog en fluisterde: “Maar ik kan je wel wat meer vertellen over die anderen, als je dat verder kan helpen.”
“O, alsjeblieft, vertelt u vooral verder,” giechelde de man. Hij zat nog steeds met spoenk in zijn hoofd.
“Die anderen zijn het soort,” begon Pippi bedachtzaam en legde haar wijsvinger op haar neus die nog steeds vol sproeten stond, “dat eerst naar het rotte plekje gaat zoeken als je ze een appel geeft en daar dan heel lang over gaat zeuren. Het maakt voor hem niet uit hoe lekker die appel is. Meer nog, hij vergeet hem op te eten.”
“Ach, dat soort,” zuchtte de oude farmaceut. “Spijtige zaak, zeer spijtige zaak.”
“Dus je kent ze ook: die anderen die altijd alles beter weten en wolken voor de zon trekken en zoet in zuur veranderen en gekwetsten omver lopen om de schuldigen aan de paal te nagelen? ... Goed zo. En, wat denk je? Zou het besmettelijk zijn, Peter Pillendraaier?”
“U hoeft niets te vrezen,” zei de apotheker snel. “Mensen met paarden en aapjes zijn immuun voor zulke zaken.”
Hij deed daarbij erg zijn best om ernstig te kijken en ging toen verder:
“Maar ik vrees dat ik u teleur moet stellen, mijn beste Pippi. Voor moraalridders, azijnpissers, betweters en mierenneukers bestaat er geen medicijn.”
Zijn lievelingsklant trok een pruilmond en liet ondertussen een doosje op haar hoge kapsel balanceren.
“Maar wat moet ik dan met die augurken? Kan je niet zo hier en daar wat mengen?
“U weet best dat ik op zulke verzoeken niet meer kan ingaan,” zei de oude man gespeeld streng en plantte zijn met witte haren begroeide handen op de toonbank. “Maar ik weet wel iets anders wat zou kunnen helpen.”
“Echt waar?” riep Pippi vurig, terwijl het doosje met keelpastilles kletterend op de grond viel.
“Echt waar. Wat volgens mij nog het beste werkt, is de ouderwetse schop onder de kont.”
En zo komt het dus, beste lezer, dat ik vandaag goed nieuws kreeg. Pippi Langkous, in eigen persoon, belde tien keer na mekaar bij me aan en kwam zingende de drempel over:
“Schop onder de kont, schop onder de kont, dat maakt de anderen weer gezond.”
U bent gewaarschuwd.

woensdag 14 maart 2012

Wijvenweek (3) - Schade

Een getuigenis, zelfs een fictieve, zegt soms meer dan een mening:

De eerste keer dat ik het gedicht las, ik weet dat nog goed. In de lege wachtkamer van de dokter was het. “Zo tedere schade als de bloemen vrezen/Van zachte regen in de maand van mei.” Zo begon het. Ik ben niet zo voor gedichten, maar daar en toen heb ik dat gedicht zeker tien keer gelezen. Om mijn gedachten te verzetten. Om de tanden die niet meer in mijn mond zaten te vergeten. Toen de dokter mijn wenkbrauw bijeennaaide dacht ik de hele tijd ‘tedere schade, tedere schade’ en ik gaf geen kik. Ik lach nog liever dan dat ik jank. We waren nog geen twee maanden samen toen zijn vuist over de tafel heen naar me toeschoot. Want ik zeg u, ik was direct verkocht toen ik zijn scheve lachje zag, als dat van de cowboys op televisie, maar hij kon hard slaan. Knokkels van staal had hij.
Tedere schade, ik was daardoor gepakt, ik proefde die woorden tussen het bloed in mijn mond door. Ik heb het gedicht toen uit dat boek gescheurd. Dat mocht niet. Weet ik. Weet ik wel. Dat is diefstal. Ik pikte in die dagen als de raven. Ze hebben me ondertussen uitgelegd dat ik de dingen terugpak die me ooit afgenomen zijn. Eerlijk gezegd vind ik het nog altijd gemakkelijker om te geloven dat ik een loser ben, want dat was ik al zo lang. Een stukje stront aan een voetzool. Dat voelde ik in de vuisten van mijn stiefvader en in het zwijgen van mijn moeder, in de blikken van de flikken en de opgetrokken neus van dat mens van het ocmw. En het stond ook op mijn strafblad.
Er is geen tederheid voor losers, denk ik. Voor mensen zoals ik blijft er alleen maar schade over. Ik dacht, toen, na twee jaar, als hij zo blijft doorgaan, zal ik ooit gaan lijken op één van die mozaïeken in de wachtzaal van de dokter. Gevallen, zei ik elke keer tegen hem. In het begin sprak die nog over bewijsmateriaal en klachten, maar dan maakte ik van mijn vingers een sleuteltje. Mondje dicht,  zei ik dan,  krik krak. Zachte handen had die dokter, zachte lippen ook, denk ik, maar op het laatste zwegen ze. Dus ging ik maar weer terug naar mijn cowboy. Want wie wil er nu een wilde kat in huis.
Maar toen, twee maanden geleden,  toen ik zijn sigaretten had vergeten en we tegen elkaar schreeuwden  en ik hem duwde en hij me bij mijn haren greep en door de gang sleepte en ik deed wat ik altijd deed als hij zo was: mijn gedicht in stilte voordragen, want ik kende het ondertussen vanbuiten, en hij natrapte en nog eens en ik het gedicht bleef herhalen, omdat het dan precies wat minder pijn deed,  een pijnstillend gedicht was het, geloof het of niet, toen merkte ik ineens dat ik hardop aan het praten was, en daar werd hij nog kwader van. Hij moet gedacht hebben dat ik het deed om hem te pesten.  Zo woest was hij dat hij me opsloot en het huis uit liep voor sigaretten. En ik, ik bleef maar bezig met dat gedicht, sprong door het raam in het gras en deed wat ik al jaren geleden had moeten doen: ik wandelde weg. Niks  had ik, geen proper ondergoed, geen tandenborstel, geen brood, niks, alleen mezelf en mijn gedicht en een lentedag, en ik mag doodvallen als ik  lieg, maar ineens begon het te regenen en het water landde,  zacht en warm, op mijn gezwollen gezicht. En ik begreep ineens hoe dat voelde: tedere schade.

Een Hart voor Limburg | Projecten die wij steunen in 2010 - CAW 't Verschil vzw

dinsdag 13 maart 2012

Wijvenweek (2) - Schuld

Vandaag moest ik voor de rechtbank verschijnen. Mij werd ‘diefstal van momenten’ ten laste gelegd. Nog voordat mijn zitvlak het beklaagdenbankje raakte, stak de aanklager al van wal.
“Bewijsstuk nummer één,’ riep hij een toonde het publiek een pan met gestold vet.
“Is dit uw pan?” vroeg hij en keek daarbij iets te zelfvoldaan naar mijn goesting.
“Ja, maar…, wierp ik tegen. De aanklager legde me echter snel het zwijgen op:
“Enkel antwoorden met ja of nee, mevrouw.”
“Ja,” piepte ik.
De pan, zo stelde het heerschap, stond daar al een avond, een hele nacht én een hele dag te verkommeren op een  - hij haalde luidruchtig zijn neus op – aangekoekt fornuis. Helaas was dat bewijsstuk iets te onhandelbaar gebleken om naar de rechtbank te sleuren.  Maar daar werd verder niet op ingegaan, stelde ik enigszins verongelijkt vast. Zo begon het dus. En daar bleef het niet bij: de aanklager loodste het publiek van de pan naar de verminkte en geschroeide strijkplank die artritis in haar poten had van langdurig werkloos in de woonkamer te staan, naar de vaat die klaagde over een collectieve bronchitis die ze over had gehouden aan langdurige zelfopdroging, naar een komkommer die ongewild pootjes had gekregen in een uithoek van de koelkast, die zich op haar beurt weer beklaagde over een gebrek aan hygiëne. Het duizelde me. Na al die jaren van samenwerking hadden deze ondankbaren een complot tegen mij gesmeed.
Op een moment werd de bewijslast zelfs de rechter teveel. Met een mollige, behaarde hand legde hij de aanklager het zwijgen op en richtte zich rechtstreeks tot mij:
“Dit is een hele waslijst, als u me de woordkeuze vergeeft, maar wat ik me eigenlijk afvraag is het volgende: waarmee vult u die gestolen momenten dan zo al op?”
“Met van alles,” mompelde ik.
“Met van alles, met van alles,” bauwde de aanklager, die duidelijk in zijn gat gebeten was door de onderbreking van de rechter. “Van alles, dat is kiekenstront.”
De rechter trok zijn wenkbrauwen op tot halverwege zijn voorhoofd en gebaarde dat ik aan het woord was.
“Ik schrijf. Of ik lees.”
Die invulling leek de goedkeuring van de man wel weg te dragen.  En toen maakte ik een cruciale fout, ik werd overmoedig:
“Ik blink ook uit in plannen maken zonder ze uit te voeren. In lijstjes maken en ze te verliezen. En in onvervalst koekeloeren.”
“Koekeloeren?”
“Koekeloeren, ja, door het raam naar de tuin kijken, bijvoorbeeld.”
Het schuim stond de aanklager ondertussen op de lippen, hij wipte van het ene been op het andere en fulmineerde:
“Door vui-le ramen, wel te verstaan. Door sme-rige ramen die al maanden smeken om gepoetst te worden, mijnheer de rechter. Want we hebben hier wel degelijk te maken met een recidivist. Al jarenlang steelt zij schaamteloos momenten. Naar het schijnt loopt ze zelfs de helft van de tijd met haar hoofd in de wolken.”
De rechter keek mij vragend maar niet onwelwillend aan.
“Ja,” riep ik opstandig. “Dat is allemaal waar. Zoals je een vlieger aan een touw laat vieren, zo laat ik mijn hoofd op in de lucht. En dan gebeurt er iets wonderlijks, dan worden al die verdomde pannen en potten en ramen en pluisjes piep- en piepklein.”
De advocaat gooide zijn armen triomfantelijk in de lucht. Dit leek verdacht veel op een bekentenis.
“Maar voelt u zich dan nooit schuldig?” vroeg de rechter oprecht verbaasd.
“Zelden,” lachte ik. “Wanneer men bezocht wordt door schuld, dient men het zo snel mogelijk door te spoelen met een glas wijn.”
“Proost!” riep de rechter onverwacht en hief zijn hamertje als wilde hij ermee klinken. De aanklager greep vertwijfeld naar zijn hartstreek.
Vijf minuten later stond ik terug buiten als vrije vrouw, gered door een rechter die elk jaar een bestelwagen  volgestouwd met wijn ging ophalen in Frankrijk. Een zonovergoten terras wenkte me.

maandag 12 maart 2012

wijvenweek (1) - Schoon


Die keer dat ik in bed lag. Een warme zomernacht was het en ik had niet veel om het lijf; een weinig flaterende onderbroek die vloekte met de mottige bh die ik droeg, omdat ik nog borstvoeding gaf. Mijn lijf, dromend en dus achteloos, met duidelijk zichtbare sporen van de zwangerschap.
Hij had, zoals altijd om ons niet te storen, de slaapkamer op de tast doorkruist en het licht in de badkamer aangedaan. En in die streep licht had hij naar ons gekeken. Naar mij in het grote bed, diagonaal tussen slordige lakens. Naar ons vers kind in haar kleine bedje dat aan mijn rechterzijde met twee voorpoten een stapel forse sprookjesboeken besteeg tegen het duivelse terugvloeien. En naar onze tweejarige prins van oranje in een iets groter bed aan mijn linkerzijde.
“Schoon,” zei hij de volgende ochtend. “Schoon. En wonderlijk. Telkens wanneer de kinderen zich op een andere zij draaiden, draaide je met ze mee.”

En dan die andere keer, dat ik aan de tafel zat te schrijven met mijn bril scheef op mijn neus. Onder mijn ogen zaten nog resten mascara van de vorige dag. Elke keer als een zin tegenspartelde en ik met mijn handen vertwijfeld door mijn ongekamde haren woelde, viel er sneeuw op mijn tekst. Op mijn linkerknie, die nogal onbeschaamd door een grote scheur in mijn versleten spijkerbroek stak, had ik gedachteloos een zonnetje getekend. Ik had niet eens gemerkt dat hij tegenover me was komen zitten, maar voelde ineens toch zijn blik op me rusten.
“Wat?” zei ik en keek even op. “Wat?”
“Je ziet er goed uit,” zei hij.

En dan was er nog die keer, dat ik door de woonkamer paradeerde in een wolk parfum. Met nieuwe schoenen en een nieuwe jurk. Met wimpers, zo lang dat je er een half continent koelte mee kon toewuiven en een huid zo glad dat elke ongewenste aanraking ervan af zou glijden. Met een blik, zo diep, dat argeloze gluurders zichzelf erin zouden verliezen en rode lippen die men zou willen maar niet durfde te kussen. Althans, dat was de belofte die een assortiment stiftjes en tubes drie uur voordien aan mij had gedaan. Ik schreed door de ruimte met glanzend golvende haren, zoals die vrouwen op televisie dat doen, omdat ze het waard zijn. Elegant plukte ik tas en jas van een stoel en sloop katachtig naar hem toe. Of deed daar een niet onverdienstelijk poging toe. In de deuropening stond hij te wachten, rammelde met de autosleutels, liet zijn blik vluchtig over me heen gaan en vroeg: “Kunnen we dan nu vertrekken?”

woensdag 29 februari 2012

Diesel of benzine

Wat hij wil: de felste gladiator zijn van het park, de bal hard wegtrappen, over de garage als het moet, met zijn hoofd in zijn nek het grijs uit de lucht kijken, snode plannen beramen met zijn vriend. Wat hij niet wil: de weg afleggen van zetel tot tafel, op zijn stoel gaan zitten en zijn huiswerk maken. Hij staat op zijn hoofd in de zetel en kijkt naar de zoveelste herhaling van Heidi in de bergen. Al drie keer heb ik hem bij me geroepen, maar het kind veinst tijdelijke hardhorigheid. Dus voeg ik wat dreiging in mijn stem toe: “Kom, prins! Nu!”  “Ik kom niet!” bijt hij me toe.
Misschien voelt hij het, de halfhartigheid in mijn vraag. Kinderen hebben bijzondere antennes: zij registreren feilloos de twijfel die zich regelmatig schuilhoudt achter de woorden van volwassenen. Ik herinner me ineens een voorval. In een ver verleden vloog op een zonnige zomerdag mijn neef met schommel en al tegen mijn hoofd. Een roestige spijker boorde zich een weg naar mijn schedel. Van de leraar kreeg ik een bundel lege rekenblaadjes als geschenk. Die had hij tussen de bladeren van verschillende boeken in mijn lessenaar terug gevonden, alwaar ik ze ijverig verstopt had. Een hersenschudding dwarsboomde dus mijn briljante plan. De week voordien was het al bijna misgelopen toen mijn door enig schuldgevoel gedreven, vermoeid zieltje tijdens een slaapwandeling iets gebrabbeld had over rekenblaadjes, maar mijn moeder, opgelucht omdat ik in een boog rond de cirkelzaak in de gang was gelopen, had aan die bekentenis verder geen betekenis gegeven. Het mag dus duidelijk zijn dat ik bereid was om ver te gaan om aan dat vermaledijde huiswerk te ontsnappen en ik heb lang in de waan geleefd dat ik deze kwelling voorgoed achter me gelaten had. Maar niets is minder waar, want de goede oude tijd waarin je als kind zielsalleen zat af te zien boven die beduimelde taal- en rekenblaadjes is voorgoed voorbij.
En zo ben ik hier beland, drieënveertig jaar oud, roepend naar mijn blozende zoon die niet ver van zijn moederlijke boom gevallen is. Ik zet nog wat kracht bij. Daar komt hij aangesloft. Lijdzaam. Boos. Op mij ook, want ik zit mee in het complot. Wijselijk negeer ik alle lichaamstaal en hou met geforceerde monterheid mijn hand op de tekst in de onderste balk van de voedingsdriehoek.
‘Wat is dit?’ vraag ik, en probeer zo bemoedigend mogelijk te klinken.
Hij slaat zijn armen over elkaar en kijkt weg.
‘Ik weet het niet. En ik wil het niet weten.’
Ik slik snel de opkomende waaromvraag in, omdat ik weet waar het antwoord toe leiden kan. Deze torenhoge berg van weerstand ben ik nu al weken aan het beklimmen en de uitputting slaat toe. Ik verlang naar vlakke bodem.
‘Dit is bewegen,’ zeg ik toegeeflijk. ‘Zeg mij even na, prins, dan onthoud je het beter: bewegen.’
‘Tetegel,’ zegt hij en laat een straal speeksel op de tafel druipen.
Ik loop leeg, alsof er iemand een stop uit me getrokken heeft, leg als een kind mijn hoofd op het schrift en mompel gekweld:
‘Dit houd ik niet meer vol, zoon. Echt niet. Ik wil je helpen. Maar dit houd ik niet meer vol.’
Als ik getergd opkijk, zie ik een traan over zijn wang lopen. En er volgen er nog. Een stroom. Niet meer tegen te houden. En met het water komen de woorden, gierend, met lange uithalen.
“Ik ben dom, mama, ik ben stom. De stomste van de wereld. Ik kan niets. Ik kan helemaal niets.”
En er is meer, over mijn bezwaren heen gaat hij verder, het moet eruit. Ze hebben hem langs de slimste jongen van de klas gezet. Die schrijft als een sneltrein, maakt geen fouten en weet alles.
“Ik word er zo zenuwachtig van, mama, want dan wil ik ook zo snel, en dat gaat niet, en dan maak ik nog meer fouten en dan moet ik opnieuw en dan zit ik helemaal achter en dan word ik nog zenuwachtiger en ik heb al geprobeerd om niet te kijken, maar mijn hoofd kijkt toch en …”
Prins legt zijn hoofd tegen mijn schouder. Ik aai hem. Ik weet wat me te doen staat: ik laat mij inspireren door de film cars en vertel mijn kind een verhaal. Dit is de korte versie:
“Er waren eens twee auto’s. De ene heette Kwikkel en reed op diesel. De andere reed op benzine en heette Kwakkel. De vrienden hadden een schatkist gevonden, met twee sloten erop. Ze moesten dus op zoek naar twee sleutels. Gelukkig vonden ze ook twee schatkaarten. De vrienden gingen uit elkaar, elk op zoek naar een schatkaart. Kwikkel racete er als de bliksem vandoor. Kwakkel was iets trager en reed ook al eens verkeerd. Je kan al raden dat Kwakkel als eerste zijn sleutel vond en als eerste terug aan de schatkist stond. Maar zoals ik al zei, had hij de tweede sleutel nodig om de schatkist te openen. Kwikkel was er ondertussen ook in geslaagd om de sleutel te vinden en een halfuurtje later kwam hij blij aangetuft en konden ze samen de kist openmaken.”
Mijn zoon kan terug glimlachen. Hij vraagt niet eens wat er in de kist zit. Met nieuwe moed beklimmen we de voedingsdriehoek.
Ik was dit voorval al haast vergeten, maar gisteren zag ik toevallig op het internet een artikel met als titel: ‘diesel steekt benzine voorbij’.
“Zoon,” zei ik 's avonds. “Moet je nu eens wat weten?”

dinsdag 14 februari 2012

Het zat zo...

Het zat zo, hij was een ventje op een communiefoto op het nachtkastje van mijn zus, zijn haren waren o zo blond en lagen netjes in de plooi, en zijn jasje was blauw met revers, och, een mens kon niets anders dan daar engelenvleugels onder vermoeden, zo lief zag dat ventje eruit.
Het zat zo, hij was de tengere jongen die soms met zijn lief voorbij fietste in de straten van mijn dorp, en als ik nu zoek in het archief onder mijn hersenpan, dan vind ik daar geen groet of een in elkaar gehaakte blik van terug, en ergens is het betreurenswaardig dat dingen verloren gaan omdat we nog niet weten wat er van zal komen.
Want het zit natuurlijk zo, dat we niet alles kunnen weten, het is mogelijk dat die jongen en ik gelijktijdig wakker lagen en dezelfde treinen hoorden voorbijrijden,  heel goed mogelijk, want we woonden niet ver van mekaar, misschien schrokken wij van dezelfde vliegtuigen op,  wie weet of niet dezelfde vogel door ons heen klonk, gisterenavond, elk alleen (Rilke), het is mogelijk, maar wij kunnen dat niet weten, alleen een Grote Geschiedschrijver boven op een wolk kan reconstrueren hoe dat gaat met mensen die elkaar ooit gaan ontmoeten, en dus scheerden wij, de jongen en ik, regelmatig rakelings langs elkaar heen, dat kan niet anders, maar nooit dicht genoeg, nooit dicht genoeg.
Het zat zo, er was iets op til, het toeval kreeg de hulp van een lieftallige deerne uit hetzelfde dorp, op een dag stapte ze op dezelfde bus en redde mij in één ruk door van de vergetelheid en weekendfilms, en toen, ineens, van het ene moment op het andere, werd het ventje van de foto en de jongen op de fiets, die misschien ook naar treinen luisterde, zomaar ineens, werd hij de jongen naast me aan de toog.
Het zat zo, er kwam nog wel wat meer bij kijken, muziek en woorden en wijn en soeskes en de kriebel in de buik en verlegenheid en misverstanden en moed verzamelen en wachten en tussen de regels door en opnieuw moed verzamelen en de stijgende wanhoop en denken dat er nooit meer iets van komen gaat.
Het zat zo, dan toch, eindelijk werd hij de jongen die mijn hint begreep, de jongen die er niet teveel woorden aan vuil maakte en mij kuste, en ik zou u wel willen vertellen welke de soundtrack van onze kus was, maar wij herinneren ons andere melodieën en dus laat ik het over aan uw verbeelding.
Het zat zo, hij kon zo schoon naar mij kijken, dat ik vergat mijn buik in te trekken.
Het zat zo, hij kon zo schoon naar mij luisteren, dat ik, zoals voorheen, weer terug praatte vooraleer ik nadacht.
Het zat zo, hij kon me zo lief vastpakken, dat ik toen al wist dat er veel moest gebeuren om mij nog uit die oksel te krijgen.
Het zat zo, hij was het lief dat achter elke wolk de zon kon zien en in elke omgevallen steen een paleis, en dus kochten we een huis met duizend kamertjes en hij haalde alle muren naar beneden, en in onze woeste tuin zaten we met onze voeten op de tafel en een glas wijn in onze handen en een boek voor mij en een kruiswoordraadsel voor hem, en eerlijk waar, we dachten dat we nooit meer op reis zouden moeten gaan, want hier was alles wat we nodig hadden.
Het zat zo, hij was content en ik ook, en van al dat graag zien, daar kwamen kinderen van. Ze schreeuwden zich de wereld in en we legden hen bij ons op de kamer en oefenden ons in harmonieus ademhalen en leven.
Het zit zo , we zijn nu zeventien jaren verder na de eerste kus en hij is nu mijn man, wij zijn  getrouwd, wij durfden dat, ik durfde dat, want als ik thuis zit, zo zonder schmink en met vet haar, dan zegt hij nog dat hij me graag ziet, en hij kan niet goed aan mij voorbij lopen zonder me even aan te raken, en nog iets, als ik zaag, dan  zegt hij nooit dat ik zaag, nog altijd niet na zeventien jaar, en als ik iets grappigs zeg, dan lacht hij, en daar krijg ik nog altijd, elke keer weer kriebels van in mijn buik. (En als we al eens fronsen of de tanden laten zien, dan nooit te lang, want dan komt hij zo een beetje, of ik ga zo een beetje en och ja, om er rap vanaf te zijn, maken we het snel weer goed.)
Dus, wat ik nu eigenlijk de hele tijd al wilde zeggen, het zit zo: ik zie die man nog altijd heel graag.

woensdag 25 januari 2012

Een triest verhaal


Herkent u het, de zoete melancholie bij het ontwaken van je innerlijke kind? Enkele weken geleden. Prins en zijn vrienden spelen in het park dat grenst aan onze tuin. Door mijn keukenraam op de eerste verdieping zie ik één van hen aan onze tuinpoort op uitkijk staan. De andere drie, waaronder mijn zoon, zijn onzichtbaar. Ik vermoed dat ze achter de garages, die onze tuin aan de linkerzijde afzoomt, aan het rommelen zijn in de brokstukken van afgebroken koterijen. Zoon en buurjongen hebben in het verleden al regelmatig pogingen gedaan om er in een hoekje van het park een kamp van te maken. Een doorn in het oog van onze buurman, vermoeden wij, ook al onderhoudt hij aan de andere zijde zelf een clandestien tuintje. Slordige kinderkampen zijn natuurlijk enkel schoon in de ogen van achtjarigen of van hen die nog weten hoe het was om acht jaar te zijn. Hoe dan ook, ik ruik kattenkwaad, maar grijp niet onmiddellijk in. Ik heb toch zelf ook nog kampen gebouwd. Valstrikken uitgezet. Ik heb ooit een katapult gemaakt waarmee ik een jongen uit het vijandelijke kamp een blauw oog bezorgde – wij schoten met scherp indertijd. Ik heb met een vriendin een vuurtje gestookt. We werden op heterdaad betrapt door haar vader en moesten een lang krantenartikel overschrijven. Ik had, mijn kinderverleden indachtig, misschien alerter moeten zijn. Wanneer ik uiteindelijk polshoogte ga nemen, schieten de jongens er in alle richtingen vandoor, het hoofd ingetrokken tussen de schouders, de struiken in.
“Volgens mij zijn jullie iets aan het doen wat niet mag!”
roep ik en daar piepen hun rode gezichten al grijnzend door takken en loof heen. De dapperste onder hen vraagt of ze de stenen, die in rijtjes tegen de muur opgestapeld liggen, mogen gebruiken voor de vloer van hun kamp. Een afleidingsmanoeuvre, begrijp ik nu.
“Doe maar,”
zeg ik. Omdat ik ooit ook acht geweest ben. Omdat kampen bouwen fijn is. Omdat de leefwereld van kinderen  door de toenemende angst steeds kleiner wordt. Omdat jongens van acht ontroerend zijn in hun jong ondernemingschap. Zo vond ik gisteren in de boekentas van mijn zoon een zelfgemaakt lidkaartje. Op de voorkant in drukletters: “de beestjesclub”,  aan de achterkant voor- en achternaam, een vette vingerafdruk in groene inkt en de beestjes waar het om ging: worme, lieveheesbeesje en slaken. Ik was daar enigszins door aangedaan omdat ik als kind idolaat was van de rode naaktslakken in onze tuin. Zoon heeft nu de leeftijd waaraan ik herinneringen heb die verder gaan dan de ingefluisterde verhalen van mijn ouders. Het is vertederend om je zoon bij zijn vader zien aan te kloppen met een grondplan en de vraag of hij dat even zou willen uittekenen op zijn computer. Zoon en vrienden willen namelijk een huis bouwen. Ze hebben hun wensen netjes op papier gezet: 4 tv-aansluijten en een zwembat met kap en groote slaapkamers en een inloopdoesj…  
Nog even kijk ik in het park toe hoe de  jongens de stenen over en weer dragen naar hun kamp. Ze zien er zo gelukkig uit. Zo helemaal vrij.

Het verhaal krijgt echter een staartje. Gisteren zie ik door mijn keukenraam twee agenten aan onze tuinpoort staan. Ze voeren een gesprek met iemand die achter de garage staat. Zijn duidelijk op zoek naar iets in het kamp. Eén agent bukt zich, maar ik kan vanuit mijn positie niet zien wat hij opraapt. Er wordt druk over en weer gepraat en de agenten wijzen meermaals in de richting van ons huis. Hier wil ik het fijne van weten. Ik spoed me naar beneden, maar de agenten zijn al gevlogen. Onze buurman staan wel nog wat na te genieten in het gezelschap van een mij onbekend heerschap. Wanneer ze me zien, willen ze zich snel uit de voeten maken, de kop tussen de schouders, als betrapte kinderen.
“Heren,” zeg ik met een welklinkende juffrouwenstem. “Is er een probleem?”
“Ja,” zegt de onbekende man. Ik krijg de indruk dat hij zich probeert groter te maken. “Er is een probleem. Er lagen hier messen.”
“Ja,” valt buurman hem zuur bij. “Vier grote messen.”
“Groooote messen,” bauwt de andere hem na. “En scherp.”
Er verschijnt een heel krantenartikel voor mijn geestesoog: een moord, een verhakkeld lichaam en een vermelding van de bebloede hakmessen die vandaag teruggevonden werden in het kamp van mijn zoon. Mijn hart bloedt, nu ook deze veilige, ongerepte kinderhaven bezoedeld is.
“Maar hoe komt die messen hier dan?”
vraag ik verward. De mannen kijken elkaar samenzweerderig aan.
“Hier komt toch niemand anders dan de kinderen,” probeer ik nog. Weer die blik.
“Misschien moet ge eens kijken of ge geen keukenmessen mist,” zegt de buurman.
“Keukenmessen?” herhaal ik enigszins onnozel en stel mijn beeld van gigantische hakmessen ogenblikkelijk bij. Een giftig vlammetje wakkert aan in mijn borst. Ik laat de heerschappen afgemeten weten dat ze mij daar ook voor hadden mogen aanspreken. En dat ik geen messen mis. Dat weet ik wel zeker. Ze kijken weer naar mekaar. Alsof ze me niet geloven. De situatie is duidelijk voor hen: de kinderen hebben de messen ontvreemd en hebben er in het kamp mee gespeeld. En wij zijn een stelletje onverantwoordelijke ouders. Dat spreekt voor zich. Ik trek mijn lippen nog wat strakker.
“Hij heeft de politie gebeld,” wijst de onbekende naar buurman. “Ja, met al die messen hier. Hij was bezorgd om de kinderen.”
Ik verdenk buurman van velerlei zaken, maar kinderliefde zit daar zeker niet tussen. De man heeft zijn aversie tegenover onze kroost al meermaals op overtuigende wijze geëtaleerd.
Echter, als ik het verhaal even later aan mijn man vertel, zie ik een lichtje aangaan in diens ogen. En ja, hij gaat me voor naar het tuinkot en wijst naar een lege plaats op een rek. Daar lagen ze, hoog en droog: de vier keukenmessen, achtergelaten door de vorige eigenaar. Mijn man gebruikt ze blijkbaar zo nu en dan om de randen van het gazon af te steken. Ik wist niet eens dat ze daar lagen. Ik wist niet dat zoon al zo goed kon klauteren. Ik wist niet dat hij nu al de appel was die niet ver van de boom valt.
Toen prins terugkwam van school werd hij op de rooster gelegd. Zijn ogen en schuchter lachje bekenden schuld nog vooraleer zijn lippen dat deden. Ze hadden de messen gebruikt om takken van de bomen te snijden. Dus hielden wij een betoog over het gevaar van messen. Wij spraken ernstig en bestraffend. In koor. Tot zijn ogen begonnen te tranen.
“Maar,” snotterde zoon. “Maar, maar waarom is buurman naar de politie gegaan? Dat snap ik echt niet. Hij had toch gewoon aan jullie kunnen vragen of die messen van jullie waren? Maar hij gaat naar de politie. Waarom, mama?”
Een pertinente vraag stelde dat kind van ons.
“Ik weet het niet, zoon,” zei ik.  Maar ik wist het wel. Het was alleen te moeilijk om uit te leggen. Een triest verhaal. Want hoe vertel je een achtjarige over het heengaan van het innerlijke kind van de buurman? Een geval van pure verwaarlozing. Buurman zal nooit meer in staat zijn tot verwondering. Hij herinnert zich de magie van een beestjesclub niet meer, van wilde plannen, van het klimmen in  bomen. Een intriest verhaal is het.
“Gewoon nooit meer doen," heb ik nog gezegd tegen mijn kind, ben naar boven gegaan en heb in mezelf een minuut stilte gehouden ter nagedachtenis van het gestorven kind.
(voor de ongeruste lezers: alle gevaarlijke voorwerpen zijn ondertussen verwijderd. Onze zoon schrok die namiddag bij elk belgeluid op omdat hij dacht dat de politie hem kwam ondervragen. Wij hebben ons lesje allemaal geleerd, maar voor onze buurman is het helaas te laat.)

dinsdag 10 januari 2012

De beul en de sater

Ik sta nog steeds achter de tekst die ik onder deze titel schreef, en heb er ook nog geen klachten over gekregen. Toch heb ik besloten hem te verwijderen, omdat ik het gevoel heb dat anderen er last van zouden kunnen ondervinden. Al doet deze zelfcensuur, moet ik bekennen, toch wel een beetje pijn.