ann schribbelt

ann schribbelt

woensdag 29 februari 2012

Diesel of benzine

Wat hij wil: de felste gladiator zijn van het park, de bal hard wegtrappen, over de garage als het moet, met zijn hoofd in zijn nek het grijs uit de lucht kijken, snode plannen beramen met zijn vriend. Wat hij niet wil: de weg afleggen van zetel tot tafel, op zijn stoel gaan zitten en zijn huiswerk maken. Hij staat op zijn hoofd in de zetel en kijkt naar de zoveelste herhaling van Heidi in de bergen. Al drie keer heb ik hem bij me geroepen, maar het kind veinst tijdelijke hardhorigheid. Dus voeg ik wat dreiging in mijn stem toe: “Kom, prins! Nu!”  “Ik kom niet!” bijt hij me toe.
Misschien voelt hij het, de halfhartigheid in mijn vraag. Kinderen hebben bijzondere antennes: zij registreren feilloos de twijfel die zich regelmatig schuilhoudt achter de woorden van volwassenen. Ik herinner me ineens een voorval. In een ver verleden vloog op een zonnige zomerdag mijn neef met schommel en al tegen mijn hoofd. Een roestige spijker boorde zich een weg naar mijn schedel. Van de leraar kreeg ik een bundel lege rekenblaadjes als geschenk. Die had hij tussen de bladeren van verschillende boeken in mijn lessenaar terug gevonden, alwaar ik ze ijverig verstopt had. Een hersenschudding dwarsboomde dus mijn briljante plan. De week voordien was het al bijna misgelopen toen mijn door enig schuldgevoel gedreven, vermoeid zieltje tijdens een slaapwandeling iets gebrabbeld had over rekenblaadjes, maar mijn moeder, opgelucht omdat ik in een boog rond de cirkelzaak in de gang was gelopen, had aan die bekentenis verder geen betekenis gegeven. Het mag dus duidelijk zijn dat ik bereid was om ver te gaan om aan dat vermaledijde huiswerk te ontsnappen en ik heb lang in de waan geleefd dat ik deze kwelling voorgoed achter me gelaten had. Maar niets is minder waar, want de goede oude tijd waarin je als kind zielsalleen zat af te zien boven die beduimelde taal- en rekenblaadjes is voorgoed voorbij.
En zo ben ik hier beland, drieënveertig jaar oud, roepend naar mijn blozende zoon die niet ver van zijn moederlijke boom gevallen is. Ik zet nog wat kracht bij. Daar komt hij aangesloft. Lijdzaam. Boos. Op mij ook, want ik zit mee in het complot. Wijselijk negeer ik alle lichaamstaal en hou met geforceerde monterheid mijn hand op de tekst in de onderste balk van de voedingsdriehoek.
‘Wat is dit?’ vraag ik, en probeer zo bemoedigend mogelijk te klinken.
Hij slaat zijn armen over elkaar en kijkt weg.
‘Ik weet het niet. En ik wil het niet weten.’
Ik slik snel de opkomende waaromvraag in, omdat ik weet waar het antwoord toe leiden kan. Deze torenhoge berg van weerstand ben ik nu al weken aan het beklimmen en de uitputting slaat toe. Ik verlang naar vlakke bodem.
‘Dit is bewegen,’ zeg ik toegeeflijk. ‘Zeg mij even na, prins, dan onthoud je het beter: bewegen.’
‘Tetegel,’ zegt hij en laat een straal speeksel op de tafel druipen.
Ik loop leeg, alsof er iemand een stop uit me getrokken heeft, leg als een kind mijn hoofd op het schrift en mompel gekweld:
‘Dit houd ik niet meer vol, zoon. Echt niet. Ik wil je helpen. Maar dit houd ik niet meer vol.’
Als ik getergd opkijk, zie ik een traan over zijn wang lopen. En er volgen er nog. Een stroom. Niet meer tegen te houden. En met het water komen de woorden, gierend, met lange uithalen.
“Ik ben dom, mama, ik ben stom. De stomste van de wereld. Ik kan niets. Ik kan helemaal niets.”
En er is meer, over mijn bezwaren heen gaat hij verder, het moet eruit. Ze hebben hem langs de slimste jongen van de klas gezet. Die schrijft als een sneltrein, maakt geen fouten en weet alles.
“Ik word er zo zenuwachtig van, mama, want dan wil ik ook zo snel, en dat gaat niet, en dan maak ik nog meer fouten en dan moet ik opnieuw en dan zit ik helemaal achter en dan word ik nog zenuwachtiger en ik heb al geprobeerd om niet te kijken, maar mijn hoofd kijkt toch en …”
Prins legt zijn hoofd tegen mijn schouder. Ik aai hem. Ik weet wat me te doen staat: ik laat mij inspireren door de film cars en vertel mijn kind een verhaal. Dit is de korte versie:
“Er waren eens twee auto’s. De ene heette Kwikkel en reed op diesel. De andere reed op benzine en heette Kwakkel. De vrienden hadden een schatkist gevonden, met twee sloten erop. Ze moesten dus op zoek naar twee sleutels. Gelukkig vonden ze ook twee schatkaarten. De vrienden gingen uit elkaar, elk op zoek naar een schatkaart. Kwikkel racete er als de bliksem vandoor. Kwakkel was iets trager en reed ook al eens verkeerd. Je kan al raden dat Kwakkel als eerste zijn sleutel vond en als eerste terug aan de schatkist stond. Maar zoals ik al zei, had hij de tweede sleutel nodig om de schatkist te openen. Kwikkel was er ondertussen ook in geslaagd om de sleutel te vinden en een halfuurtje later kwam hij blij aangetuft en konden ze samen de kist openmaken.”
Mijn zoon kan terug glimlachen. Hij vraagt niet eens wat er in de kist zit. Met nieuwe moed beklimmen we de voedingsdriehoek.
Ik was dit voorval al haast vergeten, maar gisteren zag ik toevallig op het internet een artikel met als titel: ‘diesel steekt benzine voorbij’.
“Zoon,” zei ik 's avonds. “Moet je nu eens wat weten?”

dinsdag 14 februari 2012

Het zat zo...

Het zat zo, hij was een ventje op een communiefoto op het nachtkastje van mijn zus, zijn haren waren o zo blond en lagen netjes in de plooi, en zijn jasje was blauw met revers, och, een mens kon niets anders dan daar engelenvleugels onder vermoeden, zo lief zag dat ventje eruit.
Het zat zo, hij was de tengere jongen die soms met zijn lief voorbij fietste in de straten van mijn dorp, en als ik nu zoek in het archief onder mijn hersenpan, dan vind ik daar geen groet of een in elkaar gehaakte blik van terug, en ergens is het betreurenswaardig dat dingen verloren gaan omdat we nog niet weten wat er van zal komen.
Want het zit natuurlijk zo, dat we niet alles kunnen weten, het is mogelijk dat die jongen en ik gelijktijdig wakker lagen en dezelfde treinen hoorden voorbijrijden,  heel goed mogelijk, want we woonden niet ver van mekaar, misschien schrokken wij van dezelfde vliegtuigen op,  wie weet of niet dezelfde vogel door ons heen klonk, gisterenavond, elk alleen (Rilke), het is mogelijk, maar wij kunnen dat niet weten, alleen een Grote Geschiedschrijver boven op een wolk kan reconstrueren hoe dat gaat met mensen die elkaar ooit gaan ontmoeten, en dus scheerden wij, de jongen en ik, regelmatig rakelings langs elkaar heen, dat kan niet anders, maar nooit dicht genoeg, nooit dicht genoeg.
Het zat zo, er was iets op til, het toeval kreeg de hulp van een lieftallige deerne uit hetzelfde dorp, op een dag stapte ze op dezelfde bus en redde mij in één ruk door van de vergetelheid en weekendfilms, en toen, ineens, van het ene moment op het andere, werd het ventje van de foto en de jongen op de fiets, die misschien ook naar treinen luisterde, zomaar ineens, werd hij de jongen naast me aan de toog.
Het zat zo, er kwam nog wel wat meer bij kijken, muziek en woorden en wijn en soeskes en de kriebel in de buik en verlegenheid en misverstanden en moed verzamelen en wachten en tussen de regels door en opnieuw moed verzamelen en de stijgende wanhoop en denken dat er nooit meer iets van komen gaat.
Het zat zo, dan toch, eindelijk werd hij de jongen die mijn hint begreep, de jongen die er niet teveel woorden aan vuil maakte en mij kuste, en ik zou u wel willen vertellen welke de soundtrack van onze kus was, maar wij herinneren ons andere melodieën en dus laat ik het over aan uw verbeelding.
Het zat zo, hij kon zo schoon naar mij kijken, dat ik vergat mijn buik in te trekken.
Het zat zo, hij kon zo schoon naar mij luisteren, dat ik, zoals voorheen, weer terug praatte vooraleer ik nadacht.
Het zat zo, hij kon me zo lief vastpakken, dat ik toen al wist dat er veel moest gebeuren om mij nog uit die oksel te krijgen.
Het zat zo, hij was het lief dat achter elke wolk de zon kon zien en in elke omgevallen steen een paleis, en dus kochten we een huis met duizend kamertjes en hij haalde alle muren naar beneden, en in onze woeste tuin zaten we met onze voeten op de tafel en een glas wijn in onze handen en een boek voor mij en een kruiswoordraadsel voor hem, en eerlijk waar, we dachten dat we nooit meer op reis zouden moeten gaan, want hier was alles wat we nodig hadden.
Het zat zo, hij was content en ik ook, en van al dat graag zien, daar kwamen kinderen van. Ze schreeuwden zich de wereld in en we legden hen bij ons op de kamer en oefenden ons in harmonieus ademhalen en leven.
Het zit zo , we zijn nu zeventien jaren verder na de eerste kus en hij is nu mijn man, wij zijn  getrouwd, wij durfden dat, ik durfde dat, want als ik thuis zit, zo zonder schmink en met vet haar, dan zegt hij nog dat hij me graag ziet, en hij kan niet goed aan mij voorbij lopen zonder me even aan te raken, en nog iets, als ik zaag, dan  zegt hij nooit dat ik zaag, nog altijd niet na zeventien jaar, en als ik iets grappigs zeg, dan lacht hij, en daar krijg ik nog altijd, elke keer weer kriebels van in mijn buik. (En als we al eens fronsen of de tanden laten zien, dan nooit te lang, want dan komt hij zo een beetje, of ik ga zo een beetje en och ja, om er rap vanaf te zijn, maken we het snel weer goed.)
Dus, wat ik nu eigenlijk de hele tijd al wilde zeggen, het zit zo: ik zie die man nog altijd heel graag.