ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 28 november 2010

De prins op de speld

Er was eens, bijna zestien jaren geleden, een jonkvrouw die na enige omzwervingen haar prins vond. Niet de prins op het witte paard, nee, dit exemplaar vergaloppeerde zich liever niet, maar sneed meesterlijk bochten af met een oude Renault R5. Vanaf dat moment kon men voor menig herberg hun beider ros broederlijk naast elkaar zien staan: zijn rode rakker en haar aftandse, maar blozende Opel Corsa ( die zij volhardend haar Opel Corona bleef noemen). Met een groot en luidruchtig gezelschap trokken de prille geliefden op een dag in juli naar de groener weiden van Werchter. Voor de gelegenheid hadden zij een lading tentjes van de jeugdbeweging uitgeleend. Heur lange zwarte haren droeg de jonkvrouw in een middenscheiding en aan weerszijden daarvan flonkerden op twee spelden lieflijke bloemetjes, briljant uit plastiek geslepen. Kitsch was cool. David Blowy, die zijn nieuwe naam te danken had aan een trekje teveel van een kruidige sigaret door een overmoedige prins, waardoor het paar het jaar voordien vroegtijdig zijn aftocht blies, beklom opnieuw het podium en Jeff Buckley had zijn laatste watertje nog niet doorzwommen.
Na het vuurwerk en wat tussenstops kroop het benevelde gezelschap de tros tenten in. De jonkvrouw legde heur delicate speldjes in heur muiltjes om ze niet aan het stoppelgras te verliezen. Maar laat in de nacht, of zo u wil vroeg in de ochtend, dwong een volle blaas haar naar de dichtstbijzijnde struik. Toen sloeg het noodlot toe. De vergetelheid fluisterde de (slaap)dronken jonkvrouw in dat de pijn aan haar linkervoet te wijten was aan een steentje. Bijgevolg kieperde ze haar muiltje om en deed verder wat er gedaan diende te worden. O, jammer- en weeklaag, de volgende ochtend paste het schoentje nog, maar er zaten geen speldjes meer in. De queeste van haar edelmoedige prins naar de verdwenen kroonjuweeltjes leverde slechts één plat getrapt, dof speldje op.
Maanden later trok een gezelschap van grote leiders, waaronder haar prins, naar verre bosrijke oorden. Die eerste nacht draaide en keerde de prins zich duizelig in zijn slaapzak. U denkt misschien dat hij zijn lieflijke jonkvrouw miste, maar dat was het niet. Hij werd geplaagd door een onbekend, scherp voorwerp in de tent.
Toen de prins terugkwam van zijn tocht, kuste hij zijn geliefde innig, hield haar zijn gesloten vuist voor, opende ze langzaam en toonde haar verrukt de boosdoener. Of all the tents of all the towns in all the world, he picked out the one with the lost pin!

De gelijkenis tussen mijn petit histoire en het sprookje ‘de prinses op de erwt’ zal u vast niet ontgaan zijn, maar wat ik me afvraag is het volgende: hoe ging het nu verder met het prinselijk paar na het huwelijksfeest? De schriftelijke overlevering van sprookjes kent geen vervolg, maar zou het er – laat zeggen zestien jaren later – niet als volgt kunnen aan toegaan?
De prinses zit in haar chaise longue naar desperate housewives te kijken. Ze oogt vermoeid, want haar kinders: sij sijn malkander altijd in het vaarwaater. Na de zoveelste schermutseling, die in de prinselijke gracht eindigde, heeft zij en zij alleen haar kroost vanonder het kroos uitgevist. Ook heeft zij de boterhammen en de ophaalketting van de poort gesmeerd. Een opdringerige kasteel aan paleis verkoper van kuisheidsgordels met pijl en boog achterna gezeten. De echo’s in de gangen getest en de spoken op zolder de mantel uitgeveegd.
En nu de aflevering ten einde en de fles Cava half leegloopt, schiet haar plots een stichtende gedachte in het hoofd. Waarom werd zij indertijd in hemelsnaam aan de erwttest onderworpen en haar teerbeminde echtgenoot niet?
“In deze moderne tijden van gelijke rechten voor mannen en vrouwen, dient er het één en het ander rechtgezet te worden!” spreekt zij luid tot zichzelf en haar grimmige echo geeft haar gelijk. De prinses springt uit haar zetel, spurt naar de ijskast en haalt een zak erwten uit het vriesvak. Edoch, op het moment zij de klomp peulvruchten onder een lauwe waterstraal wil houden om er één erwt uit los te weken, hoort zij de gouden sleutel in het slot. Blijkbaar heeft de prins vroegtijdig zijn ronde tafel in de Gouden Draak verlaten. In paniek snelt de prinses naar hun hemelbed, frommelt aldaar aangekomen de hele zak onder de matras en maakt een duikvlucht naar haar zijde van het bed. Ze trekt de lakens op tot onder de kin en wendt slaap voor. De prins neemt alweer zijn tijd. Die vreselijke kruiswoordraadsels ook, verzucht zij nog vooraleer de uitputting haar in de afgrond van de slaap trekt.
Wanneer zij de volgende ochtend aan de ontbijttafel langs haar wipneus weg informeert naar de nachtrust van haar gemaal, is die aangenaam verrast door deze blijk van interesse in zijn welbevinden. Over zijn krant heen lacht hij liefdevol naar zijn teerbeminde, die in spanning afwacht, en spreekt haar toe:
“Mijn lieve schat, ik heb goed geslapen. Diep geslapen. Vast geslapen. Als een roosje, zeg ik u. Prins-héérlijk heb ik geslapen.”

donderdag 18 november 2010

Onverbeterlijke onderdeurtjes (2)

“Kijk daar eens!”
De welluidende stem van poppy overstijgt met gemak het geroezemoes in het lokaal van de buitenschoolse opvang.
“Kijk, daar is mijn papa en zijn haren zijn geknipt!”
Het was eerst even schrikken toen ze haar leeuwenkoning zonder zijn manen zag. Met open mondje staarde ze hem meewarig aan, alsof Samson in één knip al zijn krachten verloren had, om hem er vervolgens op te wijzen dat hij er toch wel heel gek uitzag.
“Kijk, mijn papa met korte haren!” roept ze nog eens.
De onthaaljuf voelt zich nu wel enigszins verplicht er iets over te zeggen, maar blijkbaar is dat niet voldoende voor onze dochter.
“Voel maar eens!” gebiedt ze de juf.
“En heeft de juf gevoeld?” vraag ik aan geliefde wanneer hij het me vertelt. Maar eigenlijk weet ik het antwoord al. Of ik dan ook nog eens mag voelen? Het mag van de Zonnekoningin.

Mijn zoon jongleert met gedachten, die zo nu en dan eens op mijn hoofd belanden. Wanneer ik het op een avond met hem over een familie-uitstap heb, beweert hij nogal stellig:
“Maar mama, jij bent toch geen familie.”
Dat vraagt om enige toelichting.
“Jij bent geen L.. Papa is een L.. Ik ben een L.”
Zelfs die kleine poppy heeft het klaargespeeld om een L. te zijn. De valkuil van de retoriek. Ik ben de enige met een afwijkende achternaam. Eén enkele scheefgetrokken redenering is voldoende om een mens uit het paradijs de woestenij in te jagen. Enigszins verongelijkt repliceer ik:
“Zeg, je hebt wel mooi negen maanden in mijn buik gezeten, hoor.”
Mijn rosse duivel richt zich op in zijn bed en slaakt een kreet die ik iets te voorbarig als verwondering beschouw, maar deze hoop wordt al snel de grond in geboord.
“Mààr negen maanden, ik dacht dat het er tweeëntwintig waren.”
Mijn god, een olifantendracht. Wat moet een mens hier nog doen om indruk te maken?

Poppy leunt liefjes tegen mij aan in de zetel. De aandachtsorgel in mij vraagt haar:
“Hou je van mij?”
“Ja, mama,” zegt ze gedwee.
“En hoeveel hou jij dan wel van mij?” doe ik er een schepje bovenop.
Het antwoord komt snel, geen twijfel mogelijk:
“Honderd graden.”
Zeg nu zelf, daar smelt een mens toch van. Al blijkt even later dat temperatuur voor mijn dochter blijkbaar de maat van alle dingen is. Ze staat te wiebelen op de weegschaal en vraagt me de cijfers voor te lezen.
“Negentien,” zeg ik, waarop ze uitermate tevreden met zichzelf herhaalt:
“Ik ben al negentien graden.”
En ik krijg dat zonnekind al zo moeilijk in haar winterjas.

Ik hoor mijn kinderen om 6u00 al de trap afsluipen en mijn hart begint gelijktijdig te bloeden. Hij is niet gekomen en ik weet dat. Ze gaan het laarsje en het schoentje terugvinden zoals ze het de avond ervoor hebben achtergelaten, met wortel en suiker er nog in. Ik heb het hun nog uit het hoofd willen praten, maar ze wilden van geen wijken weten. Dus daar lig ik dan stilletjes te luisteren naar hun teleurstelling in stereo.
‘Poppy, de sint is niet gekomen.”
“Nee prins, de sint is niet gekomen.”
Als ik naar beneden ga, zitten ze verweesd tegen mekaar aangeleund in een hoekje van de zetel met een dekentje over hun benen naar tv te kijken.
‘Hij is niet geweest, de sint,” zeggen ze.
Dat het de fout is van het water, probeer ik. Zijn paard Goed Weer Vandaag heeft waterangst, wat wil je ook met zo een naam. Ondertussen haal ik de wortels uit het schoeisel. Tast tevergeefs naar de suikerklontjes. Ze liggen niet in de schoenen, maar mijn kinderen staan er blijkbaar wel recht in, want hun laconieke verklaring luidt als volgt:
“Het paard is niet langs geweest, dus hebben we dan maar zelf voor paard gespeeld.”

dinsdag 16 november 2010

Ode aan mijn zoon

Mijn zoon, zo nu en dan word jij, mijn buitenkind, binnenshuis bezocht door een muze, die jou op strooptocht jaagt doorheen het hele huis. Met de nodige ernst wordt de vergaarde buit dan uitgestald op de tafel. Vorige maandag bestond deze uit drie blanco bladen (uit de printer van je vader), een geo-driehoek (van vaders bureau), een rolletje plakband (uit de rommellade van je moeder) en een stompje potlood (uit de eigen kleurdoos). Je bent een rusteloze kunstenaar. Eenmaal het creatieve appeltje in je brein gerijpt is, zou je het in één sprong van de tak willen halen. Voorlopig zie je nog weinig brood in de noeste arbeid die vereist is om de artistieke klus ook daadwerkelijk te klaren. Maar deze blauwe maandag maak je een wel zeer gehaaste indruk. Tijdens je worsteling met een onhandelbaar stuk plakband informeer je wanneer papa terugkomt van het voetbal. Je lijkt een ogenblik de tijd te wikken en te wegen, maar buigt je kleine lijf dan terug diep over de afgrond van je papieren project, één en al rimpels en fronsen van de concentratie. Helaas, de gevreesde deadline wordt niet gehaald en mijn Verongelijkte Ik deelt benepen aan je binnenvallende vader mee dat hij een geschenk mag verwachten. Je mag gerust weten dat ik niet bijzonder opgezet ben met dit deel van mijn persoonlijkheid. Ik moet die valse tik net zo min als jij. Maar bijwijlen moet mijn Dulle Griet, die ik wél graag mag, het afleggen tegen het hormonale legertje van dit mokkende serpent. Zie haar nu eens pruilen:
“Ik ben met de kinderen naar de bioscoop geweest. Ze hebben chips en snoep en frisdrank gekregen. Ik heb hen in bad gezet, en daarna in mijn oksels om een verhaal voor te lezen. Ik heb hen pasta voorgeschoteld. Terwijl ze naar de televisie keken. Het mocht voor een keertje. Dat heb ik allemaal gedaan. En graag gedaan, daar niet van. Maar wie krijgt het geschenk? Juist ja, de grote afwezige papa. En de alom aanwezige moeder trekt weer aan het kortste eindje van het verpakkingslintje.’
Mijn gefluisterde gifpijlen zijn niet voor jou bedoeld en je vader zwijgt wijselijk. Hij weet net als jij dat het geen enkele zin heeft om dit stijfkopje tegen de haren in te strijken. Als de wind straks gaat liggen, valt het vanzelf weer netjes in de plooi.
En kijk, een sprongetje in de tijd later, veer je recht uit je stoeltje en stapt zowaar langs je onderwijl alweer duttende vader heen, in een rechte lijn naar je (het zal toch niet waar zijn) moeder toe. Jawel. Met een plechtstatig gebaar steek je me een zelfgemaakt schriftje toe. ‘Een dagboek,’ leg je me trots uit, ‘waarin je van alles kan schrijven.’ Twee tranen lijken zich klaar te maken voor een noodlanding op mijn schaamrode wagen. Met enige voldoening monster je mijn waterachtige blik en vraagt me of ik ga huilen. Maar laten we het sentiment even voor wat het is en het geschenk van dichterbij bekijken. Op de voorkaft staan twee namen: Prins L. (de gulle schenker) en Mama T. (moederbeest en schrijfster verenigd in een treffende eretitel). Daartussen een morsig mannetje, armloos en kaal, naast een theepot.
‘Het is geen theepot, “ verbeter je me. “Het is niets.”
Wat zoveel betekent als ‘het begin van iets dat op niets uitdraaide’ en waaraan nu een artistieke uitleg gegeven wordt. Op de middenbladen staan met de hand getrokken evenwijdige lijntjes zodat mama recht en met rede kan schrijven. Relatief netjes gelijnd op de eerste bladzijden, met een afstand van om en bij de 0.8mm, maar gaandeweg schots en scheef met openingen van wel 4cm ertussen. Vermoedelijk blies de spanning van het geven je zijn hete adem in de nek. Op de achterflap is het zoals verwacht één en al voetbal. Je eerste woord was niet ‘mama’ maar ‘bal’. Ik neem het je niet kwalijk. Passie gaat voor eigenbelang.
Toch ferm van jou, met een simpel gebaar licht je het bokkende leger van de Verongelijkte Vrouw een voetje. Zie haar daar liggen. Je alom tegenwoordige moeder. Poeh. Ze is er wel veel. Lijfelijk dan toch. Maar haar geest en neus verdwijnen even zoveel in boeken en schriften. En jij, mijn zoon, hebt de gave van de opmerkzaamheid. Jij ziet als eerste de nieuwe bril, de verdwenen snor, de verschoven stoel, de barst in de vaas, de angst om en de pijn in het hart en wat daar allemaal nog meer achter de oppervlakte schuilgaat. Met je geschenk raak je me vol in het hart. Mijn broze jongen, je beseft het nog niet, maar je kan stenen mals maken, woeste wijven naar de kroon steken en stoere kerels in een handomdraai de das omdoen. Voor een zevenjarige is dit misschien van weinig waarde, maar als het waar is dat soort, soort zoekt, zal je een gelukkig leven beschoren zijn.

Liefs,
mama

maandag 8 november 2010

Puur natuur

Ik ben net uit bad en sta mijn blote zelf in de spiegels van de kleerkast ademloos te bewonderen. U hoort het goed. In achtvoud dan nog wel, want dat is een plezierig neveneffect wanneer je de kastdeuren in een bepaalde hoek tegenover elkaar openzet. Ik druk mijn neus wat dichter naar mijn evenbeelden. Ze staan me uitermate beeldig op het lijf geschreven. Wij knipogen buitengewoon tevreden naar elkaar en draaien de bevallige hoofden naar links en naar rechts om nog meer van onze magnifieke zelf te bekijken. Geloof mij nu maar, het ziet er werkelijk langs alle kanten schitterend uit. Ben ik verdorie ingenomen met dit lijf, van het knappe topje tot het fameuze teentje volledig tevreden. Dit mag gevierd worden met wat uitbundig gedans, dat heeft dit ‘vergelukkelijk’ lijf heus wel verdiend. Voeten, benen, buik, borst, armen, hoofd, alles in beweging. Ogenblikje, ik neem even een borstel, want een lied voor mezelf kan er ook nog bij: ‘Ik ruik zo lekker naar bloe-hoe-metjes…’ Het warme applaus voor onszelf, perfect synchroon, ontspoort zowaar in een uitzinnige ovatie met een dozijn huppelsprongen er bovenop. Ziezo, dan sluit ik nu af met een kusje aan mijn jubelende spiegelzusters. Momentje, daar zie ik nog iets over het hoofd, of beter gezegd, over de bekoorlijke lippen, die nog een accentje roze verdienen. Ach wat, ik kleur ze royaal buiten de lijntjes, het leven moet er vanaf spatten.

Mijn moeder staat mij vanuit de deuropening van de badkamer enigszins afgunstig te bekijken. Zij doet dit nooit, sluipt eerder schichtig langs haar evenbeelden. Ik vermoed dat zij bevreesd is voor de naakte waarheid. En luidkeels zingen aan een halte, wachtend op een bus met vertraging , doet ze ook al niet meer, terwijl het kleinste kind toch weet dat een aria de tijd vleugels kan geven. Nee, mevrouw laat zich liever verleiden tot het obligate weerpraatje. Zeg nu zelf. Het is mij een compleet raadsel waarom al die grote mensen de deurtjes naar het onvervalst plezier voor zichzelf dichtgooien. Die moeder van mij durft zelfs niet eens meer met een rotvaart door de naar kruimels pikkende duiven op een marktplein rennen en genieten van de paniekerige chaos die ze veroorzaakt. En ongegeneerd in haar neus peuteren is er ook niet meer bij. Laat staan dat ze zichzelf het genot nog gunt om de inhoud ervan in een egaal pilletje te rollen om het vervolgens zo ver mogelijk proberen weg te schieten. Ze gaat nooit of te nooit meer op schattentocht, u leest het goed; alle steentjes, papiertjes, elastiekjes en schroefjes op haar weg blijven verweesd liggen. En de wolken lijken wel lucht voor haar. Is ze bang om te vallen? Om op te vallen? Ik heb een beetje met haar te doen, want ik denk dat ze het mist. Soms als ik aan het tekenen ben, je weet wel, het echte onvervalste krabbelen, met grote uithalen kleuren laten botsen, strepen trekken tot over het blad heen op de tafel als ik durf, dan bewondert ze me mateloos. Ze wil ons niet te snel binnen de lijntjes laten kleuren. We mogen de wereld stormenderhand veroveren, zegt ze. Als ze braaf is, mag ze van mij eens met ons meedoen. Dan leer ik haar hoe ze de deurtjes terug open kan zetten. Kaboem, killegroem, karrabie, kakladroem, wat trouwens helemaal niets betekent, maar klinkt het niet fantastisch?

donderdag 4 november 2010

De Efteling

Voor veel mensen is muziek een uitstekende manier om terug in de tijd te reizen. Op de tonen van Big in Japan stap ik alleszins moeiteloos met zevenmijlslaarzen naar de dagen waarin ik nog hartritmestoornissen kreeg bij het vooruitzicht aan de schalkse ruiters die mijn zaterdagavonden zouden doorkruisen. Uiteindelijk bleken het meestal eerder bedremmelde puistenkoppen te zijn die door de poorten van dancingland struikelden, maar wij bleven hopen. Ook het gelukzalige gesmak van een doezelend kind dat ik onder naar wasverzachter geurende lakens in zijn bedje stop, kan me in één klap terugvoeren naar mijn eigen kinderland. En tot mijn verbazing bleek de tijd ook niet al te erg aan mijn geheugen geknabbeld te hebben toen geliefde ons onlangs verraste met een tweedaagse uitstap naar de Efteling, alwaar elfen en prinsessen ondertussen met vereende krachten een ‘kasteelhotel’ recht getoverd hadden. Met een verbluffende helderheid verschenen al op voorhand beelden van de chagrijnige kop van Langnek, de dreigende muil van de draak die zijn schat bewaakt, het eeuwig ronkende Doornroosje en de verlekkerde wolf voor de deur van de argeloze geitjes. Ik besef natuurlijk wel dat het geheugen al te lief kan zijn voor herinneringen. Dat ook de tijd graag zijn dromerige waas over gebeurtenissen spreidt, en teleurstelling bijgevolg nooit ver weg is, maar het kon mijn kinderlijke opwinding nauwelijks temperen. Een enthousiasme dat mijn dochter aanvankelijk niet echt met me wenste te delen. Ze vond de ‘Efteling’ eng. Een goedhartig mens zou daar een zekere angst voor het onbekende in kunnen ontdekken, ware het niet dat wij haar ondertussen al langer dan vandaag kennen en beducht zijn voor haar acute aanvallen van tegendraadsheid. Het kind wist godbetert niet eens wat de Efteling was. Zelfs na een geruststellende uitleg van haar moederbeest pruttelde ze nog tegen dat ze geen “Neejderlands kon spreejken” en dat ze haar ginder dus niet zouden verstaan. Need I say more?

Het vertrek naar sprookjesland verloopt gewoontegetrouw hectisch. Mijn kinderen vinden het noodzakelijk om eerst alle spelletjes nog even uit te proberen vooraleer ze er eentje kunnen uitkiezen om in te pakken en poppy doet dat zelfs in stijl, namelijk in haar prinsessenkleren, en dus niet in de kleren die ik klaargelegd heb om aan te trekken. Enige tijd later vertrekken we dan toch, gehuld in sinistere mistnevels, die wonderwel aansluiten bij de wereld van de wolven, trollen en heksen waarnaar wij ons begeven. Aldaar moet ik echter na een blik op de landkaart huiverig vaststellen dat men ondertussen ook een pretpark bij elkaar getimmerd heeft, ongetwijfeld het resultaat van de gebundelde snode krachten van onguur gezelschap, maar dat zijn zorgen voor morgen. Want ach, speciaal voor ons, wemelen de roestkleurige bladeren van de sprookjesbomen (We zijn in Nederland, doet prins olijk, want de bomen zijn oranje.) naar beneden en spreiden een adembenemend bronzen tapijt voor onze voeten uit. De zon heeft zich verstopt achter een onschuldig grijs gordijn. Het is niet druk in sprookjesland, ons geduld wordt op geen enkel moment beproefd. Wat wachttijden betreft dan toch, want Miss Recalcitrant is lastig. Ze wil niet in het treintje, zegt ze en dit herhaalt ze wegens uitblijvende reactie van een tevreden en stoïcijns ouderpaar dreinerig als een kapot grammofoonplaatje, met soms een hoopvolle pauze tussenin om even op adem te komen. Het drenzen houdt aan terwijl we door een gigantische gang lopen, waarin enorme lichtbollen boven onze verwachtingsvolle hoofden zweven. Zij aan zij in een cabine - het gezeur verstomt - stijgen wij op naar een wereld vol bloemen, en nog hoger de bomen in alwaar elfen fladderen en zoetgevooisd zingen. Op een hoge rots torent een edele eenhoorn boven ons uit. Nog hoger gaan we, daar waar geen mens ooit kwam, daar waar verlichte elfenkastelen in het duister rondzweven. En dan dalen we neder in cirkels langs lange, slanke bomen naar duistere poelen waarin guitige trollen rond ploeteren. Heel even is het ons gegund om deel uit te maken van een onbezoedelde wereld en wij, grote mensen, herontdekken ons talent voor verwondering.
Wanneer we nog namijmerend de elfenwereld verlaten klemt poppy schuldbewust mijn hand vast en zegt: ‘Nou (nou?), morgen pak ik vroeg mijn goede been en dan wil ik wel in de treintje.’ En zo geschiede.
Stilte, het is tijd voor wat onvervalste nostalgie: we betreden het sprookjesbos. De kinderen rennen voorop. Poppy zoekt naar richtingaanwijzers en prins leest fier de titels. Vooral onze dochter lijkt erg onder de indruk van de bewegende figuren, plakt roerloos met het neusje tegen de ramen, maar wij, grote mensen, moeten toch bekennen, dat de draak minder angstaanjagend lijkt, Doornroosje minder van vlees en bloed en Langnek minder groot. De tijd lijkt ons dan toch ingehaald te hebben. We kunnen zelfs met moeite onze rennende duivels bijbenen. En dan gebeurt het, bij de rode schoentjes. Daar staan ze, zo klein en fragiel, roerloos te wachten tot de stem is uitverteld en wij wachten vol ongeduld mee. ‘Zouden ze niet stuk zijn?’ vraag ik me een beetje ongerust af, want even daarvoor kreeg Rapunzel haar prins ook al niet aan de machtige vlecht opgetrokken, maar geliefde stelt me gerust. En hij heeft gelijk, want daar gaan ze, klikklakkend over de glazen plaat. Toegegeven, het is geen dirty dancing, geen cancan, maar vooruit gaan ze. Ook prins kijkt toe, of liever, hij monstert de glasplaat waarop ze zich voortbewegen en het verdict volgt snel en meedogenloos: “Magneten!” Ach, mijn zoon toch, zo klein en al geen zin meer om je te laten beduvelen. Blijkbaar werkt de nuchtere kijk van broer aanstekelijk, want ook poppy speurt bij de volgende sprookjes naar magneten. Eventjes dan toch, want al snel fluistert ze me in de oren: ‘Mama, ik denk toch dat ze echt zijn, die trolletjes, want ze bewegen.’ Zo is dat, we moeten er wel in blijven geloven, want als je eenmaal gaat zoeken naar mechaniekjes, kabels, spotjes en draden, ben je verloren.
’s Avonds blijkt er in de bar om de hoek een speelkamer te zijn. Ouders blikken met een drankje in de hand samenzweerderig naar elkaar en laten de kroegtijgers in zich even schaamteloos los. Het is allang slaaptijd, maar de suiker en de adrenaline jagen de kleine lijven van onze hartendieven nog moeiteloos door het ballenbad heen. Wanneer we slapen gaan, zijn het de kinderen die de slaapplaatsen bepalen. ‘De jongens bij de jongens, de meisjes bij de meisjes’, gaat het in koor. Zeer verguld met mijn nieuw lidmaatschap binnen het meisjesdom, val ik tevreden in slaap en wanneer ik terug de ogen open, is prins ’s ochtends een man geworden die zijn kleren zelf uit de kast haalt, zich aankleedt en de tanden poetst, terwijl vrouw poppy de gordijnen opentrekt en het weerbericht verzorgt: het regent niet (de wind blijkt ons even later wel door de schedel te snijden, maar we zeuren niet). Ondertussen liggen de grote kinderen met hun overmaatse lijven nog wat na te soezen in bed. Moet ik nog vertellen over het heerlijke ontbijt waarvan we rustig konden nagenieten omdat twee onbestemde sprookjesfiguren onze kinderen meelokten naar de lobby voor een verhaal? Tevredenheid biedt geen stof tot spannende verhalen, ik weet het, ik weet het wel. Maar er hing iets in de lucht, waardoor ik me zelfs heb kunnen vermannen en overhalen tot een rit met de bobslee. Om uiteindelijk toch weer vast te stellen dat ‘angstvrij zijn’ helemaal niet lijkt op ‘angst onderdrukken’ en dat de krampachtigheid waarmee ik al mijn spieren opspan, en de gedachten in mijn hoofd ‘nee Ann, er gaat echt niets mislopen’ en mijn hart dat zich een weg doorheen mijn borstkast hamert, dat al deze gewaarwordingen in niets lijken op de stralende gezichten van mijn gezin na de dodenrit en hun al even vrolijke uitlatingen over de kriebels in hun buik. Met flanellen benen heb ik de volgende beurten aan mij laten voorbijgaan en een bolwangige, papiervretende zeurpiet gezelschap gehouden, wachtend op mijn elven die met ware doodsverachting nog driemaal de rit overdeden. En mag ik dan nog even, heel even, doorgaan: volg me maar naar het rondtollende huis Volta, waarin we de misselijkmakende straf voor de bokkenrijders mochten ervaren, naar de boottocht door de mysterieuze Verboden Stad en naar de 3D-film waar we middenin de natuur belandden, langs mij probeerde poppy tevergeefs vlinders te vangen. Het is op die plek dat de kinderen eindelijk (na een ‘njet’ in al de winkels waarop de talloze sprookjeswerelden uitmonden) een geschenkje voor zichzelf mogen uitkiezen, een herinnering aan twee dagen vol verwondering. Geen al te dure knuffels, zeggen we met onze ouderpet weer op, en bepalen een bovengrens. De kinderen bestuderen ijverig alle prijskaartjes, maar zoonlief heeft een oogje laten vallen op een zwart pantertje. Een buitenbudget pantertje. Zeuren doet hij niet, maar zijn speurtocht lijkt hem telkens weer terug naar de glanzend zwarte knuffel te voeren. Daar staat onze prins, heel stilletjes, zijn ogen vullen zich met tranen. Onze harten kraken en we gaan overstag. Op terugreis spreken de kinderen via hun knuffels hun eigen geheimtaal en vallen één voor één in slaap. Maar als we bijna thuis zijn, wordt zoon wakker en vraagt aan zijn papa om de autoradio even zachter te zetten, want hij wil ons allebei iets zeggen:
“In de winkel kreeg ik eerst ‘Lanterpanter’ niet omdat hij te duur was, maar daarna kreeg ik hem toch. Daarom wil ik dank u zeggen.”
En dan ben ik helemaal overtuigd: in de Efteling zit er behalve regen ook nog iets anders in de lucht. Zeker weten.