ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 20 februari 2011

Onverbeterlijk onderdeurtje

Papa plaagt dochter. Ze kan daar mee lachen. In het begin dan toch. Maar papa weet niet van ophouden en dan is het over met de pret voor het kleine meisje.“Dik, vet varken,” roept ze ineens. Daar worden we allemaal muisstil van. Want grote broer probeert al eens graag het ‘speelplaatsgescheld’ in huis uit, maar van zus zijn we dat niet gewoon. Nog vooraleer papa in zijn mond vol tanden wat woorden van protest bij elkaar verzameld heeft, steekt dochterlief al haar gestrekte vinger uit naar haar broer en verkondigt vastberaden:“Dat heb ik van prins geleerd!”Niet wat ze zegt, maakt dat we in lachen uitbarsten, maar de manier waarop ze dat doet. Met de grandeur van iemand die ons net een moeizaam aangeleerde driedubbele salto mortale getoond heeft.

“Fout,” zeg ik tegen mijn dochter en geef een plagerig rukje aan het etiketje van haar truitje dat aan haar kin komt piepen.“Oei, achterstevoren,” zegt poppy hoofdschuddend. “Wat ben ik toch dom.”“Van wie zou je dat hebben, die domheid,” vraag ik gespeeld ernstig.Dochter worstelt nog even om haar hoofd door het gat van het truitje te krijgen, maar antwoordt me dan met een stralende glimlach:“Dat heb ik helemaal van mezelf!”Grof geld zou ik betalen voor het zelfbeeld van dat kind.

Poppy identificeert zich graag met personages op de televisie. Het begon met elfjes en engeltjes, die over het scherm dartelden.
“Dat elfje daar. Met de roze vleugeltjes,” zei ze dan stellig. “Dat ben ik.”Maar daar bleef het niet bij. Tegenwoordig mogen ook de door haar gewaardeerde leden van fauna en flora en zelfs voorwerpen tijdelijk haar identiteit lenen. Of is het andersom? Ze hanteert hierbij vanzelfsprekend wel de strengste criteria. Alleen een snoezig dier met een zacht pelsje en lieflijke oogopslag maakt kans om uitverkoren te worden. De boom uit het tekenfilmpje moet mooi zijn, van het aller-groenste soort, kortom de boom die het meeste zonlicht vangt. En voorwerpen die niet glitteren en schitteren maken geen enkele kans om haar naam te dragen. Maar op een zondag, tijdens een voorfilmpje van een misdaadserie, loopt het helemaal de spuigaten uit.“Ik ben die vrouw met de rode krullen,” zegt ze. “Die dode vrouw.”“Wat?” roep ik verstoord en kijk met verbijstering naar het onfortuinlijke personage van haar voorkeur. Ze heeft verdorie een kogelgat van 5 cm diameter in haar hoofd.“Poppy,” zeg ik. “Wie wil er nu in hemelsnaam een DODE vrouw zijn!”“Ze is op televisie,” stelt mijn dochter onverstoorbaar. “En ze heeft mooie, oranje krullen.”Natuurlijk. Als je het zo stelt, is de dood slechts een kleine bijkomstigheid.

Ik krijg dat kleine meisje maar niet in de broek en zeg nu zelf, men kan een vrouw niet jong genoeg aanleren de broek te dragen. Helaas is het voor Poppy allemaal kleedje en rokje wat het modeklokje slaat. Veel ‘zwierig’ en kort, een overdaad aan roze in combinatie met speldjes van glitter en schitter. Maar tijdens het noodzakelijk kwaad dat winkelen heet, valt mijn oog op een kort broekje. En vooruit, ik koop er nog paarse broekkousen, een fuchsia rolkraagje en een paars truitje met V-hals bij. Het wonder geschiedt. Mijn dochter is razend enthousiast. Na elk aangetrokken kledingstuk volgt een halve pirouette voor de spiegel.
Wanneer ze uiteindelijk helemaal aangekleed is, gaat ze op een tipje van de zetel zitten glunderen. Af en toe verlegt ze haar vlechtjes op haar schouders, wrijft een denkbeeldig pluisje van haar broek, probeert één been over het andere te slaan zonder haar evenwicht te verliezen, wat een beetje mislukt, waarop ze dan maar terug in het haar typerende vrolijke heen en weer gewiebel van de benen hervalt. Zo treft haar vader haar aan.“Wat zie jij er mooi uit,” bewondert hij haar.Met een intens gelukkige blik kijkt ze hem aan:“O, papa, nu kriebelt het zo in mijn buikje.”Belangrijke boodschap aan mijn toekomstige schoonzoon: gelieve bij het grondplan rekening te houden met een inloopkast.
Ze ligt in foetushouding in bed. Haar knuffel Paboe dicht tegen zich aangedrukt. Ze is zo warm en lief. Zo absoluut om op te eten. Maar als ik haar een kusje geef, veegt ze dat onmiddellijk en onverbiddelijk met de rug van haar kleine handje weg.“Vanaf nu kus ik alleen nog maar jongens,” laat ze me weten.Hoe moet het nu verder met mij?

zaterdag 12 februari 2011

Last van E=mc²

‘Ik moet flink in de rij gaan staan.’ Eerder toevallig stoot ik in een kladboekje op twintig strafregels, uitgevoerd in het kriegelige handschrift van mijn zevenjarige zoon. Het verbaast mij enigszins dat men sinds de blitse opkomst van de time-out-stoel in het onderwijs de strafmantra nog toepast. Hier en daar heeft zoonlief er inventief een witregel tussen gefoefeld en de ‘flink’ is er na regel twaalf ook bij ingeschoten. Ik vind dat nogal geestig. De vriend van mijn zoon die zelf eerder het zwijgzame type is verschaft mij gewillig de context rond de strafregels. Prins had B. gestampt. Ik kon me daarbij perfect voorstellen dat het quasi onmogelijk was om én flink in de rij te staan én tegelijkertijd iemand aan te vallen. Maar blijkbaar had even tevoren B. eerst zijn vriend geslagen. Wat de juf niet gezien had. En iets is natuurlijk alleen maar ‘niet flink’ als het door de zintuigenpoort van de juf gaat. Dat is zo. Daar zijn hele filosofische theorieën rond opgebouwd.
Nog geen week later lees ik in de agenda van junior een nota van de directrice: “Beste ouders, tijdens de speeltijd heeft  prins samen met enkele andere leerlingen een fikse ruzie gehad. Na een gesprek en extra werkje volgen we dit op. Met vriendelijke groeten, R.K.” Ook hieromtrent wordt mij door onze huisreporter D. bijkomende uitleg gegeven. “Ze waren aan het vechten,” verhaalt hij een beetje ademloos. “Met veel waren ze aan het vechten!" (Ach, dat wonderschone eufemisme ‘een fikse ruzie’.) Blijkbaar had prins zich op een bepaald ogenblik ook in de strijd gegooid, hierbij aangemoedigd door een erekring: “Pri-hins! Pri-hins! Pri-hins” Weerom lijkt mijn zoon vanuit een zekere ridderlijkheid gehandeld te hebben. Of dat wil ik althans graag geloven. Mijn fragiele jongen is fysiek bijzonder slecht uitgerust om aan een carrière als gevechtsmachine in de lagere school te beginnen.
Twee dagen later waaien mij weer verontrustende berichten rond een fysieke aanvaring met een klasgenootje in het oor.
Ik begrijp er steeds minder van. Ik ken mijn zoon toch. Thuis kan hij het tot mijn grote vreugde doorgaans goed vinden met zijn zus en hebben ze af en toe zelfs iets van een oud getrouwd koppel. Maar wat sich liebt neckt zich ook bij tijden en het is inderdaad vooral onze volbloedprins die tijdens deze schermutselingen uit pure machteloosheid al eens zijn toevlucht neemt tot het letterlijk nekken van zijn zus. Dan vliegt onze prins onverbiddelijk in de hoek met de niet mis te verstane boodschap: “Pijn doen mag niet!” En in het kielzog van de supernanny geef ik nog wat goede tips mee: dat een time-out kalmerend werkt, het uitdrukken van gevoelens een helend effect heeft en dat hij in tijden van nood kan rekenen op de hulplijn: zijn alwetende ouders.
Zelf geven wij natuurlijk al-tijd het goede voorbeeld door elkaar niet naar het leven te staan en onze handen in de zakken te steken wanneer onze kroost een geslaagde poging onderneemt om het monster van woede in ons tot leven te wekken. Of dat is alleszins het plan. Zo hoort het. Wij hebben daar niet voor niets generaties lang een weg in afgelegd. Van de fikse, in heilig drievoud uitgevoerde afrossing door leraar, pastoor en vader in de tijd van onze grootouders, via de eerder sporadische oorveeg en tik tegen de billen met achteraf een schoorvoetend, onuitgesproken schuldgevoel van onze ouders naar het pedagogisch verantwoord en dus geweldloos straffen en opzichtig belonen, waarin onze generatie ouders zich dient te bekwamen. Dus van ons kan hij het niet geleerd hebben. Of dat is alleszins de bedoeling niet.

Deze bedenking voert me terug naar die maandagochtend, een paar maanden geleden. Ten huize L. zit het er bovenarms tegen. Poppy Hilton weigert haar kleren aan te trekken omdat ze die gisteren al heeft aangehad. Beiden twijfelen ze irritant lang over het beleg dat ze tussen hun boterhammen believen, onderwijl een gemeenschappelijke knuffel vierendelend. Ondertussen tikt de klok gejaagd de luttele minuten weg die ons scheiden van een vrolijk weerklinkende schoolbel. Bon, het wordt uiteindelijk worst voor zoon en choco voor dochter. Het ontbijt wordt geserveerd, maar dat zal zoon worst wezen, want het beleg moet erlangs liggen en niet ertussen. Bijkomend probleem: er hangt nu boter aan het beleg en dat is vies. Prins klettert bijgevolg een volledig omgewoeld bord neer voor mijn neus. En dan valt de druppel in mijn kolkend emmertje. Ik ontplof. Op ongeziene wijze, want tijdens een woeste monoloog (die mijn kinderen door veelvoudig gebruik nu onderhand wel al kunnen dubben) over de derdewereldlanden, schiet een lichaamsdeel uit, alsof het mij niet eens meer toebehoort. De spijt volgt onmiddellijk. Boven de boterhamdozen van Mega Mindy en De Droomboom sta ik mijn tranen te verbijten en heb zin om een vinger in mijn eigen oog te steken. Aan verzachtende omstandigheden voor mezelf doe ik niet.
Wanneer mijn kind even later zijn tanden staat te poetsen op het veelkleurig stoeltje van zijn zus, vraag ik hem schoorvoetend of we het goed gaan maken. Hij wijst op zijn mond vol tandenborstel en schudt instemmend met zijn hoofd.
“Begrijp je waarom mama zo boos was?”
Weer dat schuchter knikje.
“Omdat er kinderen zijn die sterven van de honger en ik mijn boterhammen niet opeet,”
bauwt hij me veelzeggende zacht na. Een blauw riviertjes ontsnapt van tussen zijn lippen en loopt over zijn kin.
“Maar ik had zo niet tegen je mogen doen,” geef ik schuldbewust toe. “Dat was fout van mij. Als jij zoiets doet, ben ik boos. En nu doe ik het zelf. Ik heb het slechte voorbeeld…”
“Vergeven en vergeten,” onderbreekt zoon grootmoedig mijn schamele verontschuldigingen, neemt een slok water, spuwt die krachtig terug uit, duwt zijn gezichtje tegen mijn buik, kijkt me dan indringend aan alsof hij me wil lezen en begint wild met zijn handen te wapperen:
“Die energie, hè mama, die energie van u, die moet er toch érgens uitkomen.”
Ziehier, de wetenschappelijke verklaring van mijn zoon: U.L.[1]= E = mc². Daar moest ik aan denken toen ik de nota van de directrice las. Als u dit zou lezen, mevrouw, begrijpt u misschien hoe mijn zoon en ik in elkaar zitten. Wij delen namelijk een teveel aan energie. In oorlogstijden zouden wij zonder aarzelen in het verzet gaan (tegen de slechteriken natuurlijk) en het overschot aan energie dat door onze aderen bruist zou ongetwijfeld uw redding betekend hebben, maar in deze slaapverwekkende tijden van vrede hebben we er alleen maar last van en dat spijt ons verschrikkelijk.

[1] Uitschietende Lichaamsdelen

zondag 6 februari 2011

Een moeder

Antonio Vallejo Najera, fluistert ze met opeengeklemde kaken, alsof ze de naam samen met de man tussen haar gebit wil vermalen.
Een psychiater, zegt ze. Een man, zuiver van geest, zou u misschien denken, want een wetenschapper. Hij had een theorie: marxisme was een ziekte. Ik ben tweeënnegentig jaar nu. Kijk naar mij. Kijk. Ik leef nog. Het is geen dodelijke ziekte blijkbaar.
Señora Maria blijft met een dunne, kromme vinger de rand van haar koffiekopje volgen als wilde ze het verleden bezweren.
De bevindingen van de wetenschapper werden overgemaakt aan Franco, zegt ze. Die ademde tweemaal in en uit en de nieuwe wet was een feit. De kinderroof gerechtvaardigd. Om maar te zeggen: zo snel kan het gaan. In mijn buik groeit ondertussen het kind, terwijl de wet als het zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt. Wij houden ons gedeisd, maar de oren hebben muren.
Mijn man Juan, hij duwt zijn lippen tegen mijn ronde buik en roept: mijn kleine dwarsligger, je wordt net zoals je vader!
De laatste weken kan ik door een geknelde zenuw enkel nog op mijn linkerzij liggen met mijn rechterbeen over de rugleuning van de zetel gevouwen.
Stil toch, fluister ik tegen mijn man. De muren hebben oren. Stil toch.
Ik slaag er zelfs in om de kreet binnensmonds te houden als hij komt, mijn jongen. Ogen van het zwartste zwart, en kogelrond. Evenbeeld van zijn vader. Uit duizenden kinderen, ik zou hem er zo uit halen. Die ogen. Ik heb ze gezocht, weet u, elke dag in het gelaat van elke mannelijke voorbijganger. Een bitterzoet ritueel, meer was het niet.
Op een dag vielen ze binnen. Het is de wet, zeiden ze. Het waren de geweren. En iets anders nog. Al heb ik er nooit een naam op kunnen plakken. Hoe noem je dat wat een medemens ertoe drijft het broze leven uit de armen van een moeder te rukken als een waardeloos stuk speelgoed en dat alles in die moeder dan breekt en scheurt, barst en splijt en onherstelbaar versplintert?
We zijn aan de dood ontsnapt, Juan en ik, maar ik kreeg een beschadigd mens terug, die van het leven niet meer moest weten. Het sijpelde uit hem weg als water uit een gebroken vaas. In nachtmerries ging hij de vijand te lijf en vervloekte het verlies dat hem bij het ochtendgloren tegen het gezicht sloeg. Dat oorlogsdromen is hem fataal geworden. Ikzelf heb de droom als een zachte barrière tussen mezelf en de dood kunnen plaatsen. Ik heb mijn fantasieland, weet u. Elke avond voor het slapen gaan verzin ik achter geloken oogleden mijn glooiend landschap, een huis zonder geschiedenis, een terras en een schommelstoel. En daar wacht ik dan op mijn zoon. Ik weet niet wie ik verwachten moet, de kleuter van twee die uit mijn armen getrokken werd of de man van eenenzeventig die hij geworden is. Maar ik wacht. En elke avond opnieuw val ik in slaap vooraleer ik hem over de laatste heuvel kan verzinnen. Ik weet het, ik steek teveel tijd in het oproepen van de sfeer. De details moeten kloppen, begrijpt u. Wij verdienen een paradijselijke omgeving bij onze ontmoeting.
Elke avond schilder ik de juiste lichtinval, wuivend gras als een ontroerende melodie, dauwdruppels in de vorm van perfecte parels. En elke avond komt er ook weer iets bij: een meer om in te zwemmen, een grote boom voor de lommer, een boomhut,… En weer val ik in slaap, vooraleer ik hem de heuvel op verzinnen kan.
U vraagt zich af waarom ik die ontmoeting nu al zestig jaar uitstel. Dat zal ik u uitleggen: ik wil ons samenkomen niet verzinnen, begrijpt u. Ik geloof dat ik op een dag erin zal slagen mijn verzonnen paradijs over de drempel van de slaap te tillen. Op een dag zal dat gebeuren. Na al die jaren zal de allerlaatste droom me eindelijk mijn jongen terugbrengen.

(Dit fictieve verhaal is gebaseerd op een artikel uit De Morgen van 29/1. Tijdens de Burgeroorlog nam het roven van kinderen in Spanje een begin, zogenaamd om de Spaanse bevolking te zuiveren van de marxistische ziekte. Tegen 1944 waren er al 12.000 kinderen weggehaald bij hun ouders. Zelfs tot in de jaren ’80 werd moeders voorgelogen dat hun pasgeboren baby dood was, waarna de boreling voor grof geld werd doorverkocht. Het zou over de hele periode over een 300.000 kinderen gaan.)