ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 31 juli 2012

Beetjes Frankrijk (2)

Al dat groen rondom ons en daar op de heuvel het dorpje Cornillon. Eén enkele onzichtbare weg met blikkerende autootjes die het uitzicht in een rechte horizontale lijn doorklieft, maar het lijkt allemaal niet echt, onbeduidend, schattig,  auto’s in speelgoedformaat. Je zou niet verwonderd zijn als uit het blauw ineens een grote kinderhand tevoorschijn zou komen om met de minivoertuigjes te spelen. Wij mogen klein en zorgeloos zijn in deze omgeving.

Ik lees ‘dagboek zonder data’ terwijl mijn zus de twee eerste hoofdstukken van mijn manuscript op haar knieën heeft. Ik moet me bedwingen om niet voortdurend te vragen hoever ze al zit. Het boek van Enid Bagnold is vertaald door Erwin Mortier. In de inleiding schrijft hij dat men haar vroeg waarom iemand schrijft. Zij antwoordde: ‘Het is de vloeiende reden om te leven.’ Ik ben al verkocht.

"... achter hen, onder hen, bezit ik die taaie, geheime vrijheid van een instituut, die als de wind door me heen jaagt en mijn gemoed optilt als een herfstblad." (Bagnold)

Ik lees nog steeds. De wind lijkt met alle blaadjes van de boom afzonderlijk te spelen. De  kinderen in het bad doen alsof ze elkaar redden. Er zijn geen wolken. Ik lees. De kinderen spelen bommetje en het water spat omhoog. De wind aait mijn armen en ik kijk naar het blije gelaat van mijn kleine, bleke prins die ook in het water zijn shirt draagt om niet te verbranden. Ik lees. De wind tilt de lange blonde haren van peutertje pauw op. Ze heeft haar pauwenkreet verloren maar aan dramatische expressie gewonnen. Ze zijn allemaal net iets anders na een jaar. Nichtje is ondertussen een hoogpotige, knappe hinde geworden die met een stoïcijnse blik het kindergejoel kan overzien maar er net zo goed nog aan mee kan doen. Zus is twee voortanden en een groot stuk van haar jaloezie kwijt. En de jongens staan elkaar niet meer naar het leven.

De mannen hebben hun bakboter vergeten en offeren zich nu op om terug te rijden en een welverdiende pint te gaan pakken in het dorp. Ik lees. De jongens spelen DJ. Door de open ramen waait Gers Pardoen ons toe: ik neem je mee-e-e-e-e-ee. Prins komt ons vragen naar verzoeknummers. De keuze is beperkt. Dromerijen en voetballen staat zijn muziekkennis enigszins in de weg, bedenk ik. Poppy slaat als ik ter afkoeling in het lage water ga haar benen om mij heen. Ik ben de bandjes vergeten maar die heeft ze niet meer no-ho-ho-dig, want ze is een waterrat zoals iedereen in de familie, behalve die arme sullige ik. Het beeld bij uitstek van haar deze vakantie: voortdurende springend in het water en die ene keer per ongeluk duikend, omdat ze haar vader nadeed, breed lachend en proestend boven komend en in één theadrale beweging de duikbril op haar hoofd duwend om dan weer richting trapje te zwemmen. Het genot van de herhaling.

“…vannacht aan elke tak een ster, en een ongenaakbare maan scheen genadeloos…” (Bagnold)

Ik hoor nichtje per ongeluk druikbil zeggen en ik lach vanbinnen de kriebelige lach van kinderen na een flauwe grap. En ik zie hoe de zon zich door mijn glas wijn smijt in twee dansende sterren op de gele terrastegels. Ze bewegen, zeg ik. Het is de wind, zegt mijn zus, de navorser.

Op het terras ligt er van alles zomaar te liggen: een omgekeerde pet, twee slippers, een stripverhaal, een slordige handdoek, een groene duikbril – druikbil  – met twee kikkertje aan de bovenkant, een roze borstel met de stekelrug omhoog, een opblaasbare grijnzende krokodil langs de klimop, een flesje factor 20, een flesje factor 50, een plastieken doosje, het tasje met duikspullen van nichtje, een stuk waterpistool op de rand.

“Ik hou van mensen die dingen opmerken.”(Bagnold)

Ik lees en de wind kietelt aan mijn tenen en de lucht is blauw en ik bedenk dat ik verleden jaar Tonio las en nu weer iets over oorlog, alsof ik mezelf moet straffen voor al dat blauw en die wind en de sterren van mijn wijn. Ik duw de sigarettenpeuken in de gaatjes tussen vier tegels want straks, ooit als ik recht sta of iemand mij recht takelt, zal ik ze wel opruimen. Ik lees en plet per ongeluk een vliegje tussen twee bladzijden en als ik aantekeningen maak doet de zon mee in een lange sierlijke schaduw over mijn blad. Ik lees en zus klapt mijn manuscript dicht en zegt dat het goed is.

maandag 30 juli 2012

Beetjes Frankrijk (1)

Het fotoapparaat lag zichzelf nog op te laden in het bureau van man. In de koelkast nog een boterhamdoos met ronde broodjes en kipsalade. Op het kastje in de badkamer een paar opgerolde kousen, voor onderweg in de auto tot die niet meer nodig zouden zijn eens de poort van de zon voorbij. Op vakantie gaan is dingen meenemen die je niet nodig hebt en dingen vergeten die je wel nodig hebt.

Onderweg in een tankstation zit hoog aan een raam een ongelukkig vogeltje ingesloten. Een dronken jongen ligt met zijn hoofd op een tafeltje te slapen. Een opengescheurde zak chips op de grond. Vanaf het moment dat we de deuren openden woei de urinegeur onze neuzen in. Het vogeltje piept angstig, fladdert halfslachtig tegen het venster. Gevangen. Net zoals wij met onze volle blaas.

Dan is er het eerste zonnebloemenveld. Eenmaal Lyon voorbij is het licht anders. Er is eindelijk zon tussen de wolken die nu slechts nog een onschuldig schaduwbuikje hebben.

Man rijdt. Ik deel broodjes uit. Dat is heel ingewikkeld: gordel uitdoen, bovenlichaam tussen de zetels wringen, koelbox open proberen te krijgen, vissen naar het gevraagde pakje. Man rijdt en ik hou hem wakker, verwissel de CD’s van de prehistorie. Zing met Annie mee en dans met Marcia. Liedjes van vroeger hangen vast aan herinneringen. Altijd. Won’t you forget about me zal me altijd terug voeren naar morsige fuifzaaltjes en plastieken pintjes bier.

Afslag Bolline, eindelijk weg van die saaie autostrade. In de bocht van de afrit gooien man en ik de ramen open. Niet omdat het zo warm is, maar omdat we ze willen horen, de krekels. Alles is pastel hier, en schots en scheef en schoon. Ik vraag aan man welke bomen het zijn onder wiens loofdak we passeren, alsof we hoog bezoek zijn. Hij weet het ook niet. Dan over de brug, Pont St. Esprit, alsof we een prentenboek gaan binnen rijden. In de wolken lees ik andere dingen dan thuis. De autodame leidt ons langs slingerwegen en heuvels vol broccolibomen. Ze is ook moe, zeg ik, ze lispelt af en toe.

“Mogen we het zwembad in?” vragen de kinderen.
“Te koud,” zeg ik.
“Laat ze toch,” zegt man.
Gelukkig is hij er om af en toe mijn rechte lijnen wat krom te duwen, want kinderen hebben het nooit koud. Ik ben het die nergens tegen kan.
En daar gaan ze: prins, poppy, vriend en nicht, maar man springt er niet, zoals verleden jaar, als eerste in. Te koud, vermoed ik.

De drie vaders beramen een ontsnappingspoging. Ze gaan winkelen. Op zondag. Wij doen alsof dat in Frankrijk wel mogelijk is en kijken naar het gespetter van de kinderen. Maar als we aan het eten willen beginnen, werkt het gasfornuis niet. Wij zoeken het wel zelf uit. Wij hebben ook poten aan ons lijf en een stel hersenen. Wij plegen overleg. Wij klaren het zaakje wel.
Het lukt ons niet. Wanneer de mannen – olijk en zonder boodschappen – terugkomen, laten we hen weten dat het fornuis niet werkt en dat we alles gedaan hebben om het te laten werken. Het is duidelijk: de gas is op. Ze geloven ons niet, onze mannen. Ze buigen zich over de gasfles. Kijken ons collectief grijnzend aan wanneer een seconde later het vlammetje brandt.

En dan is er schuimwijn. En woorden die verwaaien vooraleer ze onze vermoeide oren bereiken.