ann schribbelt

ann schribbelt

donderdag 30 december 2010

The lady in pink in 2011

Het nieuwe jaar, wij hebben dat nodig. Pas dan, en geen seconde eerder, kunnen we als een slang uit onze oude huid kruipen en glad, glanzend, nieuw de rest van ons blinkende leven inglijden. In december zitten we nog in een impasse; we zijn moe, leeg, op, klaar voor winterslaap en de vergetelheid. Maar in januari worden we wakker, klaarwakker, en strekken ons uit. In december proppen we onze logge lijven vol voedsel, gieten de drank in wijd opengesperde kelen (met een trechtertje, zo u wil), liggen als bleke padden in één of andere zetel te vegeteren. Maar in het nieuwe jaar schieten we in onze loopschoenen, rennen onszelf voorbij, geven schrikachtige eekhoorns het nakijken en pompen onze vege lijven vol zuurstof. De voedselpiramide wordt opgeruimd weer afgestoft. Want zijt gerust, uit de schamele ruïnes van wat ooit ons lichaam was, zal een triomfantelijke kathedraal oprijzen, met onder de gewelven voldoende ruimte voor de echo’s van een gezonde geest. Want we gaan de namen van bomen terug vanbuiten leren. Op internet opzoeken of eekhoorns een winterslaap houden. De hoofdsteden van landen inoefenen, zodat we de brandhaarden uit het nieuwsbericht van volgend jaar, dat we nooit of te nimmer zullen overslaan, blindelings op een kaart kunnen aanwijzen. We zullen het hooggebergte van de literatuur beklimmen en zonder vrees de verraderlijke kloven van soaps en reclameblokken overbruggen. Totdat we er een kennisindigestie aan overhouden en in discussies enkel nog brokken pure eruditie kunnen uitbraken. En ’t is nog niet gedaan. Bijlange niet, bijlange niet. Want in december jagen de huisgenoten ons nog met gemak op de kast, vanwaar wij hen oorlogszuchtig de kop afbijten. We parkeren onze kroost dubbel in alle hoeken van het huis. Als de geliefde ons al eens aan wil zetten, geven wij beeld zonder klank. Maar in het nieuwe jaar ademen we zen uit al onze poriën. Uit een zee van rust scheppen we handenvol geduld. Streng zijn we, maar rechtvaardig. Consequent, maar met een garnituur van tederheid. ’s Morgens valt er een heel nieuw licht op de ronkende geliefde. Want wat we in het oude jaar niet zagen, verblindt ons nu. Zie, daar rust een zachtmoedige, blonde god. Waren wij vergeten dat hij voor ons, aardse mormels, afdaalde uit de hemel en afstand deed van gouden vleugels? En hoe lieflijk weerklinkt ons kinderkoor door de muren. Zo zal het zijn in het nieuwe jaar. En niet anders.
En terwijl we in december als batterijkippen op de loopband naar het werk rolden, zullen we in de kakelverse maand enkel nog dromen najagen. Al die jaren voordien waren slechts voorbereiding op de sprong in het (creatieve/ambitieuze) duister. De droom breekt uit zijn ei. Het werd tijd. Van de angst die al jaren aan ons meelijwekkende wezen kleeft, scheuren we ons met één beweging los. In december waren we nog bijna niks. Nu zijn we alles! Dit jaar verdient bubbels en vuurwerk! Hierop hebben we gewacht!
Hierop heb ik gewacht. Maar op de valreep valt er een geschenk van mijn neef Sam in de bus, mijn verjaardagsboek. Oscar and the lady in pink by Eric-Emmanuel Schmitt (Oscar et la dame rose). Op de omslag zie je hem vliegen (de beginletter van zijn naam als hoofd) op een potlood over de daken van een groepje witte huizen. In een persoonlijk berichtje op de eerste pagina laat Sam mij weten dat Oscar voor hem dit jaar het kleinste boekje was met de grootste impact. Wat maar weer eens bewijst dat een dun boek geen lichtgewicht hoeft te zijn. Oscar is tien jaar oud en stervende (en voordat u, beste lezer, afhaakt, het is niet ‘zo’n’ boek). Hij wordt egghead genoemd, woont in het ziekenhuis en krijgt bezoek van Granny Rose, de oudste van de ‘ladies in pink’ die zieke kinderen bezoeken. Ze worden vrienden en Granny daagt hem uit een spel te spelen: twaalf dagen lang moet Oscar doen alsof hij elke dag tien jaar ouder wordt in een verzonnen toekomst. In het boek vertelt hij daarover in zijn brieven aan God. Mijn huisgenoten waren de deur uit om de auto op te gaan halen bij de garagist en hadden in hun vlucht de DVD van Het Eiland laten opstaan. Terwijl op de achtergrond Alain Vandam hysterisch lachte, greep het boek mij bij de keel. Er zijn boeken die je veranderen. Ik wist dat al, maar telkens opnieuw als het gebeurt, ben ik stervensgelukkig. Wat heeft dat boek in hemelsnaam te maken met al die goede voornemens? U vraagt zich dat af. Geduld, mijn eindejaarslezer, weldra zal alles duidelijk worden.
Laat ik snel verdergaan met de schittering van het nieuwe jaar. Ik wil met u zelfs de oefening maken. Later we er hier een beetje vroeger aan beginnen.
1 januari: we heffen het glas, want het is zover. Ons vuurwerk kan beginnen!
2 januari: lopen met dit weer is onverantwoord en we denken zelfs dat het aangewezen is om ons lijf eerst te ontgiften. Nadat we de restjes van de vorige dag hebben leeg gemaakt, welteverstaan.
3 januari: de parkeerplaats in hoek één wordt reeds ingenomen door een ongehoorzaam kind.
4 januari: de voedselpiramide is verloren geraakt onder de nieuwjaarswensen.
5 januari: de gevallen engel valt op door zijn afwezigheid.
6 januari: wij waren even vergeten dat strijken zonder een glas wijn veel weg heeft van slavenarbeid en zetten het glas even terug recht.
7 januari: een handvol chips als ontbijt mag als de rij bij de bakker te lang is. En het is nog steeds te koud om te lopen.
8 januari: bokkensprongen in het duister, was dat niet meer iets voor jonge mensen?
9 januari: wij bakken er helemaal niets van, van onze voornemens. Dan valt mijn oog opnieuw op het boek van Oscar. Ik kan het niet laten om het even tegen mijn hart te drukken, blader het door (durf zelfs denken: het ritselen van de vellen papier, zo moeten engelenvleugels welhaast klinken) en word er opnieuw door meegesleept. Maar vooraleer ik het dicht kan slaan, spreekt Granny Rose mij streng toe: “Hey Sister,” roept ze. “Wat was dat daar allemaal met die goede voornemens ( ze trekt een gezicht alsof ze stront ruikt)? You must be kidding! Goede voornemens, ammehoela! Daar gelooft toch geen mens meer in! Larie en apekool! Ouwe koek! Drab! Lucht! Shame on you, woman! Laten we een spel spelen, sister: daal eens af in jezelf!”
En, beste lezer, als Granny Rose je wat vraagt, dan doe je dat gewoon. Dus daar sta ik aan de afgrond, laat mezelf neer aan touwen. De goede voornemens halen vals uit met scherpe klauwen, maar ik kan ternauwernood aan hen ontsnappen. Het duurt even vooraleer ik aankom waar ik zijn moet, in die ruimte naast de tijd, daar waar het tastbare overschreden wordt. Wat daar stroomt laat zich moeilijk beschrijven: beelden, wrakhout van herinneringen, woorden, gonzende stemmen, resonerende muziekflarden. Ik voel me er onmiddellijk thuis. Aan de oever ligt een pen. Het is geen Parker. Geen dure pen. Maar ze draagt mijn signatuur. Ik denk aan Oscar en klim erop. Op 9 januari zal het mij duidelijk worden: ik moet gewoon verder gaan, de flits van inspiratie volgen en regelmatig langs de kwestie vliegen. Ik zal opstijgen en de stuiptrekkende voornemens geen blik meer waardig gunnen. Ik zal opgelucht zijn.

vrijdag 24 december 2010

In 'Den Engel'

Het is kerstavond en de koning denkt na. Naar jaarlijkse gewoonte heeft hij zijn chauffeur opgedragen om zomaar wat rond te rijden. Daar wordt onze vorst rustig van. En met de rust in het hoofd komt ook de inspiratie voor de jaarlijkse kerstboodschap. Toch wil het dit jaar maar niet lukken. Uren rijden ze nu al rond. Wat wil je ook , denkt hij vermoeid, met die economische crisis, die aanhoudende burenruzie in mijn koninkrijk en in het venijnige staartje nog een clerus die zich vreselijk misdraagt. In tegenstelling tot zijn godsvruchtige broer heeft hij er absoluut geen zin meer in om ook dit weer met de hermelijnen mantel der liefde te bedekken. Met de Koninklijke poten stevig in de Belgische potgrond geplant, verkiest hij de tastbare, koele pint boven het plakkerige prakje dat ze in het hiernamaals schijnen te serveren.
Muurvast zit hij met zijn toespraak. Met dichtgeknepen ogen tuurt hij naar buiten waar een hysterische wind witte vlokken tegen de voorruit jaagt. Paola zal vast wel weer ongerust zijn, maar naar huis kan hij nog niet. De rustige basstem van de chauffeur haalt onze vorst uit zijn overpeinzingen.
“Ik ben de weg kwijt.”
“Ik ook, Jean-Pierre,” verzucht Albert. “Ik ook.”
Tot zover het oog reikt is er geen huis, man of muis te bespeuren en de vorst wil net een grapje maken over alle wegen die naar Laken leiden, wanneer de motor onheilspellend begint te sputteren en vervolgens stilvalt. Het mobieltje van de chauffeur geeft geen teken van leven meer en de koning heeft het zijne vergeten op het Koninklijke toilet (de toespraak werkt hem namelijk niet alleen op de zenuwen). Daar zitten ze dan. Gestrand in een onherbergzame nacht die hen weigert te omarmen. Net op het moment dat de plichtsbewuste chauffeur beslist de sneeuwstorm te trotseren om hulp te gaan zoeken, houdt een aftandse Lada halt langs de schipbreukelingen. Een bruin geschminkt hoofd met kroon piept nieuwsgierig door het moeizaam omlaag gedraaide raampje. Of er problemen zijn met de dikke bak onder het gat van de heren, vraagt het vreemde heerschap met enig leedvermaak. En of ze er misschien genoegen mee nemen om een lift te aanvaarden naar ‘Den Engel’ alwaar ze eventueel kunnen telefoneren. De chauffeur, die aanstalten maakt om uit te stappen, merkt tot zijn verbazing dat zijn werkgever hem op de voet volgt. Wat scheelt er vandaag toch maar met de vorst, vraagt hij zich ongerust af.
De bestuurder van de auto draait na een blik in de achteruitkijkspiegel in opperste verbazing zijn hoofd in de richting van de vorst en roept geamuseerd:
“Maar ziet dat hier toch eens aan! Makker, gij hebt echt wel niet veel moeite moeten doen om u te verkleden. Twee druppels water den echte, zeg ik u. En een dikke bak erbij gehuurd met een chauffeur nog wel. Chapeau, man, dat is echt af!”
Enthousiast steekt hij zijn hand uit naar de koning.
“Aangenaam Sire, mag ik me dan zelf even voorstellen: Melchior is de naam. En dit hier…”
Hij kruist zijn armen om zijn buur aan te stoten.
“…is de u welbekende Casper.”
Casper staart de vorst een tijdje ongelovig aan en hakkelt dan:
“Nu zakt mijn broek toch bijna af…. Dat… dat… moet toch ook echt lukken, dat… dat… dat onze Jos vandaag met … met de griep in bed ligt en dat… dat we hier nu op straat een vervanger tegenkomen. Dat… dat…dat verzint een mens toch niet zelf.”
De chauffeur voelt zich met de minuut ongemakkelijker, maar de koning lijkt het allemaal hoogst vermakelijk te vinden. Tijdens de rit met de auto, leggen de twee kersverse koningen uit dat Louis en Magda van café Den Engel de ware beschermengelen zijn van de solitairen. Dankzij hen gaat het voor hen geen eenzame kerst worden. Melchior is in een vechtscheiding verwikkeld en de vriendin van Casper ging bij wijze van emancipatorische grap twee jaar geleden sigaretten kopen. Terwijl Albert ontspannen naar de verhalen luistert van zijn olijke collega’s wordt zijn aandacht ineens getrokken door iets merkwaardigs. Hij knippert een paar keer met zijn ogen om zichzelf er van te overtuigen dat hij geen spoken ziet. Maar ze blijft daar hangen, in de verte, hoog in de lucht, een ster, met ongeziene helderheid.
“Die heeft onze Louis op zijn schoorsteen bevestigd,” haalt Melchior hem uit zijn droom.
Maar zelfs deze wetenschap doet niets af aan het feit dat de koning zich geborgen voelt. Vereerd zelfs. Alsof hij ineens deel uit maakt van een belangrijk en hartveroverend verhaal. Deze avond is hij één van de drie koningen en ze volgen de weg naar de ster. Dichter bij het ware kerstverhaal is hij nooit eerder geraakt. Dat café “Den Engel” er nogal schabouwelijk uit ziet met een reeks vrouwentongen voor het raam, hoort volgens de vorst eenvoudigweg bij de sfeer van het verhaal. Een discobal spat veelkleurige stralen door de ramen en de koning vangt ongewild een blik op van twee tongkussende engelen. De beschermheren zijn blijkbaar in hun opzet geslaagd. De chauffeur echter deelt zijn enthousiasme niet en stelt nogal geaffecteerd aan de koning voor om in de auto te wachten, waarop de collega vorsten in een smakelijke bulderlach uitbarsten.
“Geweldig hoe die gast in zijn rol blijft,” stoten ze elkaar aan met tranen in de ogen.
Dan baant het Koninklijke gezelschap zich een weg tussen de heupwiegende, drinkende engelen, Maria’s en Jozeffen. Een groot uitgevallen Jezus met een sjaal van Standaard rond zijn aapachtige torso en een wat laaghangende luier staat op een geïmproviseerd podium “Love me tender” te zingen. Alsof het zo voorbestemd was, blijken er nog net vier plaatsen vrij te zijn aan de toog. Vlak naast een gigantische kerststal, die overdadig versierd is met flikkerende lichtjes maar op de kribbe na helemaal leeg blijkt te zijn.
“What the f…, Louis, waar zijn die verdomde beelden waar ik gisteren mijn rug haast op gebroken heb,” roept Melchior ontzet uit.
“Hoe, gij weet van niks?” bromt Louis ongelovig.
Hij wordt onderbroken door de ezelskop die zijn glas bier noodgedwongen met een rietje zit uit te slurpen. Vanuit zijn opengesperde muil galmt hij hen verontwaardigd toe:
“Gepikt zijn ze! Gewoon gepikt! Kunt ge dat nu geloven? En ik durf te wedden dat het weer van die zwarte mannen zijn die erachter zitten.”
Vanachter zijn hand fluistert Louis hen toe dat ze er niet te veel aandacht aan moeten besteden. Ezel moet drie jaar in de rij gaan staan voor een sociale woning. Met al zijn miserie komt dat er ook nog eens bij. De chauffeur, die aan de andere kant van de toog aan het telefoneren is, kijkt ongerust toe. Melchior port de ezel plagend in zijn zij.
“Wat zegt gij nu toch allemaal? Wat kunnen die mannen nu aanvangen met onze Jezus? En Marie en Jozef? Die geloven daar toch niet in. Die hebben toch die andere, dju, … die andere, … hoe heet die ook weer, … maar enfin, die andere, … allez nu, … ik zou het duizend keer kunnen zeggen…”
“Mohammed,” vult de koning gedienstig aan en neemt een flinke slok van het bier dat hem door Magda ongevraagd wordt voorgezet.
Het bier smaakt hem wonderwel. De speech is hij helemaal vergeten en de vreemdsoortige kakelende lach die Magda produceert nadat zij hem op haar beurt herkend heeft, werkt echt aanstekelijk.
“Ge moet gaan optreden, mijn beste man!” giert ze. “Met u is geld te verdienen.”
Maar dan zwijgt ze plotsklaps, kijkt verbaasd in de richting van de deur. Tegelijkertijd voelt de koning een koude vlaag wind tegen zijn rug opslaan. Halverwege een maat van Jailhouse rock valt ook Elvis/Jezus stil en het geroezemoes verstomt. Over hun schouders heen staren de koningen naar de man en de vrouw die in de deuropening staan.
Onder een versleten mannenjas draagt de vrouw een lange, felblauwe sarong. Haar gepijnigde blik is echt. En ook haar bolle buik die ze met twee armen omklemt. De man ondersteunt de vrouw en roept paniekerig in gebroken Engels: Is coming. Is coming. Baby is coming! Een ogenblik lang blijft iedereen perplex toekijken. Gebeurt dit wel echt? Kerstavond. Sneeuw. Engelen. Koningen. Een (stomdronken) ezel en – tadaaaa! - de echte Jozef en Maria. Iedereen komt plotseling tegelijk in beweging. De kerststal wordt heringericht als bevallingskamer. En terwijl Magda die tien kinderen gebaard heeft haar mouwen opstroopt, improviseert Ezel een gordijn om de echte Maria aan het zicht van de cafébezoekers te onttrekken. Er wordt druk gespeculeerd over de afkomst van de ouders. Pakistanen! Of Marokkanen? Indiërs! Turken? Het kan van alles zijn voor het ongeoefende oog. Asielzoekers, meent een tengere engel. Anders loop je toch niet zomaar rond in dit vreselijke weer. Een diep medeleven voor het zwervende koppel ontkiemt in de eenvoudige harten van de cafégangers. Het voelt toch anders aan als je er met je neus op staat, fluistert het engeltje. Een kaalhoofdige Jozef organiseert op de valreep nog een weddenschap over het geslacht, maar al bij de derde inning van 1 Euro, snijdt een oerkreet door de ruimte, gevolgd door de rauwe welkomstkreet van het kind. Spontaan breekt er een applaus los. Iedereen omhelst elkaar als waren zij plots familie van deze pasgeboren koning.
“Dichter bij het kerstverhaal kom ik nooit meer,” mijmert Albert opnieuw.
Vanachter het gordijn wenkt Magda hevig gesticulerend naar de drie koningen.
“Jullie mogen als eerste,” fluistert ze. “En vergeet het geschenk niet.”
Uit zijn broekzak diept de vorst de stuiterbal op waarin zijn jongste kleinkind vandaag bijna gestikt was en Melchior en Kasper plunderen de kast achter de toog wat hen een Marsreep en een pakje veelkleurige kauwgumballen oplevert.
Een bijzonder schoon kind is het, met een felle blik en pikzwarte haren. De koningen pinken een traantje weg. Achter de gelukkige ouders staat ook Ezel ontroerd (wat je uiteraard op het eerste zicht niet kan zien) toe te kijken. Hoop vult onverwacht zijn koude hart. De daaropvolgende weken vertelt hij aan iedereen die het horen wil het verhaal opnieuw en opnieuw. Hoe ze daar ineens zomaar in de deuropening stonden, Maria en Jozef, met een aura van licht om hen heen.

zaterdag 18 december 2010

Afblijven!

De conversatie tijdens het voorgerecht in de pastabar G&G gaat over buikaangelegenheden. Onze collega heeft verstek moeten laten gaan, want, alhoewel zij er van ons allerminst op moest, heeft ze de hele nacht op de pot gezeten. Iemand sluit daar tijdens het hoofdgerecht elegant op aan door luidop de kwaliteit van vlees en vis te betwijfelen. Hoofdschuddend vraagt hij zich af welke vuiligheid er allemaal in ons voedsel zit. Wij geven hem overschot van gelijk en eten alles op.
“Binnen honderdduizend jaar leveren wij alleen nog bionische kinderen af, “ zeg ik grappend.
“Welja,” valt een collega me bij. “Tegen die tijd maken we kinderen op maat.”
Waarop ik haar gedachtegang verder concretiseer in de website “Zap-Foetus” waarop je met enkele muisklikken je foetus kan samenstellen.
In de bus gaat mijn fantasie onder de weldadige invloed van wijn en Limoncello helemaal met me op de loop. Ik maak een verbeeldingsvolle sprong in een tijd, waar Zap-Foetus een feit is en de ouders van kinderen die voor deze revolutionaire omwenteling geboren werden via internet volgende brief toegestuurd krijgen:

Beste ouders van poppy en prins,

Ondanks de aanvankelijke tegenstand is Zap-Foetus nu een begrip in onze samenleving. Reeds negentig procent van de bevolking maakt gebruik van onze innoverende techniek om hun toekomstig kind naar wens samen te stellen. Dit enorme succes heeft ons dan ook gestimuleerd tot verder onderzoek naar de manipulatie van reeds bestaande kinderen. Wij wilden geenszins u, ouders van deze kinderen, in de steek laten. Vandaar dat wij vandaag met enige trots het Zap-Kids-project aan uw voorstellen (zie bijlage 1: uitgebreide folder). Deze ingenieuze techniek stelt u in de mogelijkheid om uw kind op een vrijwel pijnloze manier te laten aanpassen aan uw persoonlijke noden. Ook uw kind zal er baat bij hebben. In bijlage 2 vindt u de lijst met de verplichte correcties, zoals goedgekeurd in het decreet ‘burgerlijke gehoorzaamheid’. Daarnaast bieden wij u in bijlage 3 de vrijblijvende lijst aan met optionele wijzigingen. Voor de toepassingen van de correctiekuur gelieve u te melden bij de plaatselijke afdeling van Zap-Kids in uw gemeente.

Veel succes en bijzonder hoogachtend,

Frank en Stijn Stroomlijn

Wanneer ik de brief aan mijn man voorleg, reageert deze bijzonder afwijzend.
“Afblijven.” zegt hij. “Onze kinderen zijn goed zoals ze zijn.”
Ik begrijp zijn aversie. We maken allebei immers deel uit van de – voorlopig – vreedzame actiegroep FUK (Free and Untouched Kids) die weigert zijn kinderen burgerlijke gehoorzaamheid te laten inspuiten. Maar ik twijfel over het optionele luik.
“Luister even, liefste,” zeg ik. “Laten we het kind niet met het onderzoekswater weggooien. Neem nu prins bijvoorbeeld, het ontbreekt hem nog aan net dat beetje kracht om zich op het voetbalplein met zijn kameraden te kunnen meten. Als we daar nu eens wat aan zouden toevoegen. Ik zie daar echt het kwaad niet van in. En dat gebrek aan concentratie waardoor hij op school achterop blijft hinken. Zeg nu zelf, zou het zijn leven niet stukken gemakkelijker maken moest ik hier op de lijst ‘concentratie’ aanvinken. Ik zeg ook niet dat we onmiddellijk voor niveau tien moeten gaan, maar niveau acht, ik zie daar eigenlijk alleen maar voordelen in.”
Na heel veel heen en weer gepalaver kwamen we tot een besluit. We lieten onze zoon in kracht één niveau en in concentratie vier niveaus stijgen en onze dochter twee niveaus dalen in koppigheid. Laat ik u maar even meenemen naar een dag uit het leven van ons gezin na de correcties.

De wekker maakt mij onmeedogenloos wakker. Voor de rest heerst er ten huize L. complete stilte. Ik kus mijn zap-kinderen wakker. Vanaf het moment dat zij de ogen openen, verschijnt er een ingetogen glimlach op hun gelaat en kussen ze mij – eerder plichtmatig, maar dat kan inbeelding zijn – terug, volgen mij gehoorzaam en geruisloos naar beneden en kleden zich vlotjes aan. (Ik geef toe, ik heb zonder medeweten van mijn man een paar niveaus ‘ochtendlijke gehoorzaamheid’ laten bijvoegen. U en mijn man beseffen niet hoe vermoeiend het kan zijn om een dochter met kuren en een trage zoon in de kleren te krijgen). Tijdens het eten bespreken mijn kinderen het oeuvre van Shakespeare (Ja ja, ik pleit weerom schuldig. Maar u kan dan ook niet weten hoe eenzaam het is om als enige boekenwurm in dit gezin te leven. Ik ben inderdaad overmoedig geweest in het vakje ‘liefde en talent voor taal en verhaal’).
Mijn dochter komt gracieus (zeker weten) naar me toe en merkt voorzichtig op dat elke dag cornflakes voor het ontbijt niet echt gezond is. (Het is al goed, maar een om snoep, chips en cola zeurend kind kan je echt wel tot waanzin drijven.) Het gecorrigeerde kind is op een stoel gaan staan en dwingt me haar recht in de ogen te kijken:
“Mama, de basis van elke gezonde voeding is afwisseling. Ik beweer heus niet dat de lasagna van de Aldi niet lekker is, maar we hebben gisteren ook al pasta gehad. Als je wil zal ik je werkschema eens met je doornemen, zodat je een wat effectievere tijdsindeling kunt maken en meer tijd over hebt om boodschappen te doen. Ik ben eventueel ook wel bereid om mee te gaan winkelen en je te begeleiden in de aankoop van geschikte voedingsmiddelen.”
Aanvankelijke irritaties om de veelvuldige opmerkingen van mijn zap-kids hebben plaats gemaakt voor een beschaamd zwijgen.
Onderweg naar school informeert prins hardnekkig beleefd (vanaf nu licht ik mijn correcties niet meer toe, beste lezer, vogel het zelf maar uit.) hoe ver ik zit in mijn zoektocht naar een andere school. Hij streelt daarbij even mijn hand en ik ben opgelucht dat ik met mijn poten van zijn fluwelen inborst ben afgebleven.
“Je ziet zelf toch ook in, Ann (Ann?), dat een aantal ouders wel heel erg onbezonnen tewerk zijn gegaan.”
Je kan er inderdaad niet naast kijken. Een groepje krachtpatsers lopen op de speelplaats tegen de muren op en maken dubbele salto’s. Mijn zoon neemt afscheid met een latijns gezegde dat ik niet begrijp en trekt zich in een donker hoekje onder het afdak terug met soorgenoten om te bespreken of Claus al dan niet een Nobelprijs verdiend heeft. Ik zie hem af en toe verlangend naar een troepje breedgeschouderde Uberkinderen kijken die ballen door muren proberen te trappen. Hun brute en dierlijke kracht levert hen bulten, blauwe plekken, littekens en een puntenkaart bij de spoeddienst op, maar ze schijnen er voor de rest weinig last van te ondervinden. Wanneer een patserige kerel van zeven jaar een bal in het groepje stampt, vult de pientere blik van mijn kind zich met angst.
“Waar zijn we mee bezig?”
vraag ik me in stilte af.
Poppy's afscheidskus voelt anders aan. Ik mis de chocoladeplekjes op haar wangen en haar afschuw wanneer ik die met spuw probeer te verwijderen. Ze ruikt zelfs niet eens meer naar kind. Gedwee laat ze mijn hand los, veel sneller dan anders, want de door haar opgerichte debatclub “emancipatie begint in de kleuterklas’ staat al druk te vergaderen naast een onaangeroerd speeltuig. De juffrouwen zien er jaren ouder uit, het valt me telkens weer op. Hiervoor zijn ze niet opgeleid. Dit hadden ze niet zien aankomen. Volgend jaar wordt de kleuterschool afgeschaft en moeten ze naar een bijscholing van de VDAB. Dik tegen hun zin.
Tijdens het eten, waarvan de bereiding mij nu al geruime tijd faalangst bezorgt, klaagt een afgetobde dochter erover hoe vermoeiend het is om de kleuterjuffrouw voortdurend te moeten terechtwijzen. Alleen Lena had medelijden met haar. Mijn dochter vraagt zich af waar die ouders met hun hoofd zaten toen ze bij dat kind één en al empathie, rechtschapenheid en mededogen hebben laten injecteren. Ik durf haar niet zeggen dat ik daar ook aan gedacht heb, maar deze correcties zouden mijn man onmiddellijk zijn opgevallen.

Na de maaltijd zie ik prins buiten met zijn vriend voetballen. Hij ziet er gelukkig uit en dat stemt mij hoopvol. Maar al na een kwartier staat hij terug in de woonkamer.
“Tijd voor het brein,” zegt hij met zorgelijke ernst. “Ik heb nog stapels boeken te lezen.”
“En nu is het genoeg!” brul ik. “Leg dat boek neer! Onmiddellijk! Trek die sportschoenen aan. En laat het mij niet twee keer zeggen! Buiten! En voetballen, zeg ik u!”
“En nu jij, jonge dame,” spreek ik dreigend. “Doe dat schrift dicht, eet wat snoep, chocolade en drink een liter cola! En vooral je handen niet wassen voordat je op je hoofd in de zetel gaat staan! Doe dat schrift dicht, zeg ik u!"
Prins staat nog wat te drentelen aan de deur.
“Komt er nog wat van, of wat? En dan nog iets, als je de bal over het hek stampt, klim er gerust over heen, zodat er een gat in je bloes komt wanneer je ergens achter blijft haken!”
Mijn kinderen kijken elkaar veelbetekenend aan, maar het raakt me niet meer.
“En morgen als jullie opstaan, vooral veel lawaai maken en als het kan net zo uit je bek stinken als voor dat stomme project, alsjeblieft!”
Dus, neen, mijn waarde Frank en Stijn, het hoeft allemaal niet voor mij. Ik kan de verantwoordelijkheid niet aan. Ik vermoed zelfs dat elk detail van mijn kinderen van onschatbare waarde is en manipuleren dus gelijkstaat met heiligschennis. Zeg nu zelf, jullie kunnen toch onmogelijk weten welke onomkeerbare gevolgen jullie gepruts heeft. Misschien is de overgevoeligheid van mijn zoon wel broodnodig voor een toekomstig creatief talent en zal mijn dochter in één of ander bedrijf reddeloos verloren zijn zonder haar koppigheid. Ik zeg het niet graag, maar mijn man had overschot van gelijk: “Gewoon afblijven!”

zaterdag 11 december 2010

In de hoek!

“Het is ook nooit genoeg voor jou!”
brul ik en neem mijn ontevreden zoon bij zijn nekvel. Met driftige passen stamp ik door de woonkamer en benoem giftig alle stukken speelgoed die hij van de Sint gekregen heeft. Dwing hem ondertussen om er eens goed naar te kijken.
“Er zijn kinderen die niet eens speelgoed hebben!” bries ik dramatisch. “Die nog nooit in hun hele leven een stuk chocolade gegeten hebben. En jij hebt alles wat je hartje begeert, maar toch doe jij de hele dag niets anders dan zeuren en zagen en jammeren en klagen…”
“Ik wil dat speelgoed allemaal niet,”
fluistert hij als hij terug achter zijn bord zit. De rode plekjes in zijn bleek gezichtje kunnen me niet echt vermurwen. In mijn borst blaft de woeste hond nog slapjes na.
Maar ’s avonds komt samen met de stilte het schuldgevoel mijn hart binnen geslopen. De weemoed pakt mij nu zonder pardon bij het nekvel en drukt me met de neus op de feiten. Mijn uitbarsting was onredelijk. De dag was lang, koud en duister. De bus te laat. Het aanhoudend gehoest putte me uit. De verhalen op het werk wogen zwaar. Mijn humeur daalde onder nul. Van alles was het. Maar niet mijn zoon. Hier is het boetekleed, zegt mijn schuldgevoel, trek maar aan. Want de smeekbede van mijn zoon ging niet eens over speelgoed. Hij is niet het soort verwend snotjong dat verzuipend van onder de hebbedingen speelgoedtrappelend zijn keel openzet voor nog meer. Wat is dan wel het probleem? Mijn zoon heeft een vriend. Ik vermoed dat zijn grootste wens is dat we die jongen adopteren. Soms verzucht hij hoe fijn het toch zou zijn om een broer te hebben. Elke dag na school vliegt hij door de voordeur, gang en achterdeur heen, steekt het park rennend over en haalt zijn vriend op. Een paar tellen later hoor ik hen de trap op denderen en flitsen ze me voorbij op weg naar zijn kamertje. Ze spelen daar en lachen voor het luidst, voeren ernstige en vertederende gesprekken (heel af en toe speel ik muisje) en leveren me telkens weer het bewijs dat vriendschap voor een kind de grootste schat is. Maar bijna elke avond, wanneer ik roep dat we gaan eten, vraagt mijn zoon of zijn vriend mee mag eten en dat kan niet. Er is niets afgesproken. Wij Belgen vinden het niet nodig om de Marokkaanse gastvrijheid over te nemen en koken dus niet voor het onverwachte mondje meer. Tot groot verdriet van mijn zoon, die huilend in zijn eten zit te poeren en klaaglijk herhaalt dat hij geen honger heeft omdat vrie-hiend nie-hiet ma-hag mee-heeten. Meestal troost ik hem met de belofte – die ik dan onmiddellijk weer vergeet – om het eens te bespreken met de moeder van zijn vriend.
“Moest ge daar nu zo kwaad om worden, gij vreselijk moederbeest,” denk ik nu schuldbewust van onder mijn dekentje in de zetel.
En het wordt nog erger wanneer ik in een nostalgische bui door oude dagboeken struin. Want daar lees ik op 10 februari 1988 (8u20 ’s avonds staat er volledigheidshalve nog bij) dat ik me een grijs, klein musje voel dat een adelaar wil zijn. "Je ziet het misschien niet aan de buitenkant, maar ik wil zoveel. Dat ik van de kleine dingen moet genieten, zegt mijn moeder. Ze herhaalt het zo vaak dat ik vermoed dat ze zichzelf moet overtuigen. Ontevreden ben ik. Altijd weer verlangend naar meer. Altijd maar weer op een plaats willen zijn waar ik niet ben. En me altijd maar afvragen waarom. Waarom naar school, waarom oeverloos wachten aan bussen, in pauzes en wachtzalen, op een lief, op de toekomst? En waarom net nu die regen? Waarom geen minstreel aan het raam? Waarom vroeg opstaan? Waarom Parijs nog niet gezien? Of de toren van Pisa? Het Il Maurice van mijn pennenvriend. Mijn moeder zegt: je wil te veel, je wil wat je nooit krijgen kan en dat maakt je ongelukkig. Je moet leren tevreden zijn met wat je hebt."

Ik sla mijn boek dicht en denk aan de eenvoudige verlangens van mijn kind, aan de wereld in het kinderhoofd. Mijn moeder was vroeger altijd boos wanneer we niet wilden eten. De kindjes van Biafra hebben geen eten, wees ze ons dan terecht. Ik begreep dat niet. Als wij meer aten, hadden ze daarachter dan net niet minder? vroeg ik me in stilte af. Moeders hebben niet altijd gelijk. Dus ja, ik trek mijn boetekleed aan, mijn zoon, want nogmaals ja, het mag altijd iets meer zijn. Dat was je moeder tussen de aangebrande soep en haastig gebakken patatten door even vergeten. Ik denk wel niet dat de mama van D. wil dat we haar oogappel adopteren, maar als ik het haar lief vraag, zal hij vast wel eens mogen komen eten. Je mag een kruisje op mijn hand tatoeëren. En als je er echt op staat, zal ik er wel in gaan staan, in de hoek. Tweeënveertig minuten lang (volgens de regels van de pedagogen: per jaar dat je leeft maximum een minuut hoek). Ik heb het verdiend. En daarna mag je me dan knuffelen en zeggen: vergeten en vergeven.

zaterdag 4 december 2010

Kometenstreken

Mensen die onder hetzelfde dak wonen, draaien in hun zelfverzonnen melkwegstelsel als planeten, kometen en satellieten rond elkaar in steeds dezelfde banen van terugkerende gewoontes en posities. Vanuit hun vaste plaatsen onder de pannen, rijden ze elkaar achteloos voor de voeten op dezelfde stokpaardjes, dragen dezelfde oorlogskleuren, trekken dezelfde wapens en gebruiken steevast dezelfde zakdoeken voor grote verzoeningen.
En de kleine mensen onder ons draaien daarin net zo goed mee als hun grote voorbeelden. Hun banen zijn zelfs zichtbaarder, want door de beperktere communicatiemogelijkheden meer karikaturaal.
Neem nu de komeet prins, die maar wat graag via een treiterbaan rakelings langs het planeetje poppy scheert. Op elke pesterige reactie volgt immers gegarandeerd een hevige reactie. En laat het net dat zijn waaraan onze komeet prins zo een vlegelachtig genoegen beleeft. Zal ik het nog wat concreter maken met een voorbeeldje uit ons persoonlijk boek met sterrenstelselvertelsels?

We zitten aan tafel. Ik eet niet mee omdat ik dezelfde avond nog naar een kaas- en wijnavondje ga met enkele ex-collega’s. Het is die namiddag flink beginnen te sneeuwen en ik leg aan geliefde uit welke route mij de veiligste lijkt:
“… je weet wel, de eerste straat rechts na (houthandel) Modest. En dan…”
“Ooo!” roept mijn dochter, die het erg spannend en welhaast levensnoodzakelijk vindt om verbaal bij zowat elk gesprek tussen haar ouders in te breken. Ze wappert enthousiast met haar handen en jubelt:
“Waar jij dan voorbijkomt bij…”
“…Modest.” vult mijn zoon met een uitgestreken gezicht aan.
“Maaa(r) priiiiiins, ik was hier wel aan het vertellen hoooorr,” roept poppy klaaglijk, want haar voorrecht als stoorzender is niet perse het voorrecht van een ander. Ik zie haar gezicht twijfelen tussen pret en nijd.
“Vertel nu maar verder,” sus ik.
Met een nadrukkelijke blik op haar broer, want ze is er helemaal niet gerust in, herbegint ze:
“Dus wat jij, mama, juist zei, daarnet hè mama, van dat jij dus voorbij rijdt aan…”
“…Modest.”
Zonder verpinken dropt komeet prins het woord opnieuw. Schijnbaar achteloos, met lijzige stem, ware het niet dat zijn pretogen intens plezier verraden. Weerom laat een reactie niet lang op zich wachten. Planeetje stuift stekelig op.
“Priiii-hiiiiins! Hou daar mee op!”
Terwijl de rest van het melkwegstelsel een welgemeende poging doet om een opkomende kramplach te onderdrukken, wipt dochter onmachtig op en neer.
“Vooruit poppy, sla dat eerste stukje nu maar over en vertel gewoon verder,” opper ik behulpzaam. Geen sinecure blijkbaar voor een vijfjarige, want ze slaat mijn raad in de wind en begint gewoon weer helemaal opnieuw, enigszins gejaagd met een intens argwanende blik die voortdurend van mij naar haar broer flitst. Zoonlief knabbelt onbewogen aan een boontje; geen vuiltje of zwart gat in het heelal.
“Jij zei dus mama, jij zei dus juist, hè, mama, dat jij (dramatische zucht) dat jij dus seffens met de auto langs…”
“...Modest.”
Beng. Daar is hij: de oerknal. Poppy roffelt met twee vuisten op tafel. Het schuim staat haar net niet op de mond. Prins lacht fijntjes, terwijl hij irritant kalm met zijn vork in het eten peutert. Halfhartig sporen wij onze zoon aan om de dochterplaneet nu toch maar haar verhaal af te laten maken. Niet dat het echt nodig is, dat niet, want wij weten zo onderhand wel wat ze zeggen wil -een eerder prettig bijverschijnsel wanneer je deel uitmaakt van een melkwegstelsel.
“Dus langs Modest,” ratelt ze hakkelend verder. “En daar heeft, hè mama, daar was, hè mama, daar werkte vroeger…”
We zien allemaal de mond van onze kwelkomeet opengaan en weten: de verleiding is te groot.
“….moeke!” maakt hij het verhaal minzaam af en vervolgt fenomenaal gelukkig zijn baan. Nog even kijkt hij om naar de rookpluim en glimlacht verrukt.