ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 29 augustus 2010

Tussen twee stilten

Wij woonden tussen de gynaecoloog en de begrafenisondernemer. Als beeld kan dat tellen. Het begin en het einde en daar dan middenin ons gezinslawaai. Alleen, het klopt niet helemaal. Eerst is er de begrafenisondernemer. Dan de gynaecoloog, die ondertussen verhuisd is. En wij als afsluiter. Of omgekeerd, dat hangt ervan af of je de stad in- of uitloopt. Maar toch, ik vind dat schoon, het leven samengebald op een paar vierkante meter.
De dichter J.C. Bloem schreef: Niet te verzoenen is het leven/Ten einde is dit wellicht nog ’t meest/ Te kunnen zeggen: het is even/tussen twee stilten luid geweest.” Mijn kinderen staan luidkeels in het begin van het leven en nemen elke dag een beetje meer ruimte in. Of dat geen pijn doet, zo hard groeien, vraag ik hen wel eens. Met stiltes houden ze zich niet al te veel bezig, maar zo nu en dan hebben ze het er wel eens over.
Zo deelde poppy ons onlangs tijdens het eten droogjes mee:
“Als ik kindjes heb, dan wordt mama oma en dan ben jij (ze richt zich tot haar oma) dood.’’
De ondraaglijke lichtheid van het bestaan door poppy L.. Dood is maar een woord voor haar. Iets abstracts. Iets dat niet vastgepakt kan worden. Zo goed als niks dus.

Voor ons, grote mensen, ligt dat gevoeliger. In ons archief slaan wij de beelden op die bij het afscheid horen. Daar, in mijn beeldengalerij, zie ik moeke, die mij vanuit haar zetel opdraagt om de katten weg te jagen. Ze is op terugweg naar het prille begin en heeft van mij haar nicht gemaakt. Haar kinderen zijn terug baby’s en de kast zit vol katten die enkel zij kan zien. Kssst, zeg ik en wapper met mijn handen de poezenbeesten uit haar jeugd weg. Ik heb er geen idee van of ze haar doel bereikt heeft, de cirkel heeft kunnen rond maken. Ik kan niet weten of ze uiteindelijk aangekomen is in de veilige haven van de moederschoot, maar ik hoop van wel.
Niet zoveel later schrijf ik een brief naar een ter doodveroordeelde jonge man in Amerika in een stoel naast het ziekenbed van een andere veroordeelde, mijn vake. Of ik natte washandjes op zijn voeten kan leggen? Ze gloeien zo erg, zegt hij haast verontschuldigend. Om de zoveel tijd ververs ik ze en dan glimlacht hij dankbaar. Het helpt, zegt hij. Maar het heeft niet tegen het sterven geholpen want even later verwaait de muziek van de harmonie al vals over onze hoofden terwijl we hem naar het kerkhof begeleiden. Ik weet niet of hij zijn vrouw die hij maar moeilijk kon missen ondertussen heeft teruggevonden. Ik kan dat niet weten, maar ik hoop van wel.
Mijn tante staat langs de zijlijn te foeteren op de scheidsrechter. Ze is levenslustig en fel en voor niets of niemand bang. Ik zou kunnen beweren dat ik perse dat beeld intact wilde houden, en dat ik haar daarom niet meer bezocht heb. Maar dat is slechts de halve waarheid. In feite ben ik een schrikschijter. De brute, inwendige vijand had haar zo zwaar beschadigd. Ik durfde niet. Ik heb er geen enkel idee van of je na zo een moedige, lange strijd beloond wordt met één of andere hemel. Ik kan dat niet weten, maar ik hoop van wel.
Enige tijd daarna vertelt mijn bompa me in het bejaardentehuis dat hij klaar is om te gaan. "Ze verzorgen me hier goed", zegt hij, "maar ik zit in een kooi. Een gouden kooi. Het vogeltje zit in een gouden kooitje en zingt niet meer." Tussen de zeldzaam opdrogende woordenstroom van zijn vrouw, vertelt hij zo nu en dan over vroeger. Hij kan dat goed. Dat hij als kind kwaad was geweest op de ooievaar. Dat hij zich afvroeg waarom ze hem bij zijn ouders op de stoep had gegooid en niet een beetje verderop bij de dokter. De lampjes in zijn ogen floepen steevast aan als hij vertelt. Ik weet het wel, ik ben te weinig verhalen bij hem gaan halen. Er waren er nochtans genoeg. Misschien is hij door die tunnel gegaan, je weet wel, die tunnel vol licht en stonden ze hem daar op te wachten met vleugels. Doe ze maar aan Jan, zeiden ze tegen hem, ge moogt vliegen tot ge niet meer kunt. Ik weet niet of zoiets mogelijk is. Ik kan dat niet weten, maar ik hoop van wel.
Mijn poatje ligt heel stil naar me te kijken. Recht in mijn hart kijkt ze. Praten lukt niet meer. Het hoeft niet, zeg ik sussend alsof ik degene ben die 92 is, ik ken al je mooie verhalen nog wel. Rust maar even. Ik meen er niks van. Ben verdomme kwaad dat ze haar de rode draad die ze zo lang heeft kunnen vasthouden in haar lang uitgesponnen verhalen over de mensen in haar wereld, zomaar hebben afgepakt. Heel erg broos is ze in haar kraakwit nachtkleedje met hier en daar een teer, blauw bloempje erop. Ik durf haar bijna niet aanraken uit angst dat ze zou verpulveren. En tegelijkertijd wil ik haar als een baby in mijn armen nemen en heel hard weglopen, maar waarnaar toe? Zou het kunnen dat ze nu op dit moment haar draad terug opgepakt heeft? Dat ze daar ergens in de verte voor een groot en aandachtig publiek hebben gezorgd? Ik weet het niet. Maar ik hoop echt van wel.

Mijn kinderen hebben geen beelden van definitief afscheid. Voor poppy is sterven zelfs niet eens voor altijd. Wanneer is tante F. nu niet meer dood, vroeg ze onlangs nog. En het is enkel hun eigen begin dat hen kan boeien.
“Vertel nog eens van toen ik geboren ben”, zegt prins.
“Je zat in mijn buik,” begin ik.
“Ja, helemaal rechtop. Zo.”
Mijn lichtgewicht Boeddha kruist zijn benen.
“En ik helemaal ondersteboven,” lacht poppy in kopstand.
“En toen ik klaar was, heeft de dokter de buik van mama opengesneden.”
Prins kijkt me haast verontschuldigend aan.
“En ik zag er helemaal krom en scheef uit.”
“Maar het is wel goed gekomen, want nu ben je mooi.” vult poppy verder aan. “Maar hoe kwam ik er dan ook weer uit?”
Ik wijs vaagweg naar beneden.
“Door de geboortepoort. Mama drukte je er als een keuteltje uit.”
Daar moeten mijn kinderen heel hard om lachen.
“En ik was jarig toen”, gaat prins verder, “Oma bracht chocotaart mee en ik mocht die met al mijn vingers opeten.”

Even later zitten de kinderen in bad met elkaar te praten.
“Ik heb gedroomd dat wij getrouwd waren en toen had jij kindjes,” vertelt prins.
“Dat is een goede droom,” zegt poppy. “En ga je dan ook echt met mij trouwen?”
Ze klinkt hoopvol, maar broer lijkt niet geneigd om zich met haar te verloven.
“Dan ga je dood,” deelt poppy hem enigszins gepikeerd mee, “want wie gaat er dan eten voor jou maken?”
En dan wordt zonder schijnbare overgang de waterpret hervat, want de badkamer staat nog niet blank. Poppy schatert wanneer prins kopje onder gaat. Prins krijgt op zijn beurt de slappe lach en samen trekken ze me luidkeels uit mijn gedachten over die laatste stilte hun lawaaierig plezierpaleis binnen.

dinsdag 24 augustus 2010

Theater in huis

1. In de badkamer

(Geluiden van buiten alwaar vader en zoon een partijtje voetbal spelen. Op het rieten zeteltje in de badkamer zit een misnoegde ijskoningin. Ze heeft, nadat haar vader zomaar het ijspaleis voorbijgereden is, nog geprobeerd om haar moeder ervan te overtuigen dat het voor haar geestelijk en lichamelijk welzijn noodzakelijk is om haar één klein bolletje te gunnen. Maar moeder is haar vader bijgevallen. Het kind brult het suikertekort van zich af.)


MOEDER
(plooit de was en probeert het gekrijs te overstemmen)
Als je zo blijft huilen, komt de politie, hoor!

HET KIND
(steekt nog een tandje, of moeten we schrijven een toontje, bij)

MOEDER
(legt een stapel handdoeken in de kast en kijkt verrast op)Oei, daar zijn ze al. Dag, meneer de politie, wat kan ik voor u doen?

HET KIND
(dempt uit nieuwsgierigheid het gekrijs tot wat klagerige nagalm)

POLITIEAGENT
(rol wordt ook gespeeld door de moeder)
(treedt ongevraagd binnen, plant de handen in de zij en spreekt met lage stem vol gestrengheid)
Wij kregen melding van een huilend kind. Wat zeg ik, de melding van de buren was zelfs overbodig. Het gehuil drong helemaal door tot aan ons politiebureau. Daarom komen wij dit kind dan nu ophalen.

HET KIND
(zit ondertussen gebiologeerd toe te kijken)

MOEDER
(laat het bad vollopen, heeft een onderdanige houding en een piepstemmetje)
Maar ze huilt gewoon omdat ze geen ijsje krijgt, meneer de politie.

POLITIEAGENT
(maakt zich een paar centimeters groter teneinde meer gezag uit te stralen en lacht de moeder zomaar uit in haar gezicht)
Dat geloven wij niet, mevrouw. Een kind dat geen ijsje krijgt, huilt niet zo hard! Maak ons maar iets anders wijs!

MOEDER
(weet van ellende niet meer waar ze moet kruipen)
Echt waar, meneer, zo is het gegaan.
POLITIEAGENT
(kijkt op de moeder neer alsof ze een vers gelegde keutel is)Wij geloven u niet, mevrouw. U hebt uw kind pijn gedaan. U bent een slechte moeder.

HET KIND
(kijkt ademloos toe zonder te bewegen)

POLITIEAGENT
(loopt met zelfverzekerde tred naar het kind en wijst naar haar voorhoofd)
Zie hier, het bewijs, een litteken!

MOEDER
(met gekwelde uitdrukking)
Dat heb ik niet gedaan. Ze is gevallen op school. Tegen de hoek van een bankje.

POLITIEAGENT
(lacht ongelovig en zet het onderzoek verder, met dwingende stem)
En hier, wat is dat dan, deze rode striem?

MOEDER
(met overslaande stem)
Dat is van de elastiek van haar rokje, meneer, dat ziet toch een blinde!

POLITIEAGENT
(met gekruiste armen, lichtjes beledigd en dus onverzettelijk)Toch nemen wij uw kind mee. Want u bent een slechte moeder en dit kind verdient een goede moeder.

MOEDER
(laat zich dramatisch voor het bad vallen en bonkt met twee vuisten op de mat, met een stem vol wanhoop)
O, alsjeblieft, neem mij mijn poppy niet af! Ik hou van haar! Ik kan niet zonder haar!

POLITIEAGENT
(ongemakkelijk bij het aanschouwen van zoveel ellende, en plotseling in het besef dat hij thuis ook twee lastpakken heeft rondlopen)Goed dan, mevrouw, we zullen het voor één keer door de vingers zien. Maar een gewaarschuwde moeder is een vader waard.

MOEDER
(probeert zich recht te hijsen, dankbaar)
Dat is goed meneer, en binnenkort krijgt ze weer een ijsje. Beloofd.

HET KIND
(klapt enthousiast in de handen, vliegt recht uit haar zeteltje, rent naar de moeder - in tegenstrijd met het script nog steeds in knielstand wegens gebrek aan lenigheid - omhelst haar en bedelft haar onder kusjes)
HET OUDSTE KIND
(komt binnengewandeld met een bal onder de arm)Mama, wil je dat nog eens doen, alsjeblieft?

MOEDER
(spreekt publiek toe)
Als er niets meer kan baten. Als uw kinders boos zijn, verontwaardigd, tegendraads, en ze drijven u tot wanhoop. Als u met uw handen in het haar zit, dan is er altijd nog: De Tragikomedie, Theater In Huis. Al moet ik u erop wijzen dat het ook wel eens fout kan gaan.
(kijkt geheimzinnig)

2. In de woonkamer(In de volksmond wordt al eens gezegd dat ‘als hij het in zijn kop heeft, hij het niet in zijn kont heeft’. Het begon in ‘de kop’ van de zoon. Hij heeft verkeerdelijk begrepen dat de familie naar het pleintje gaat om er te voetballen en beseft dat ze allen naar het grote marktplein trekken om te zingen, of iets in die aard. Zoon wil niet mee en staat vastgeplakt aan de vloer te mokken. De rest van het gezin zoekt naar paraplu’s, schoenen en tassen.)

HET KIND
(met de armen over elkaar en een gezicht vol weerstand)
Ik wil mijn bal mee. Ik wil mijn bal mee. Ik wil mijn bal mee. Ik wil naar het pleintje. Ik ga niet zonder mijn bal. Ik wil naar het pleinTJE. Met mijn bal.

MOEDER
(gaat naar het kind toe, met een onderzoekende blik)
Waar zou die knop zijn? Mijn zoon heeft zijn voetbal- en pleinknop nog aanstaan. Dan zal ik die nu even uitzetten en de marktpleinknop aanzetten.
(terwijl de moeder met haar vingers door het oranje haar woelt, zwijgt het kind om de vreemde woorden van zijn gestoorde moeder even te laten doordringen)
MOEDER
(verrukt)Gevonden! Dan zet ik de ene knop dus uit en de andere aan. Opgelost.

ZOON
(onverstoorbaar, zoals alleen kinderen onverstoorbaar kunnen zijn)Ik wil naar het pleintje. Mét mijn bal.
(Moeder reageert paniekerig en probeert nogmaals de knoppen in te drukken. Het werkt blijkbaar niet, want het kind herhaalt dat hij naar het pleintje wil.)

MOEDER
(terwijl ze het kind laat staan en van de trappen afstruikelt, roepend naar de vader die het andere kind beneden aankleedt)
Vader, we moeten maandag een nieuw kind gaan kopen. De knoppen zijn kapot. Ofwel moeten we hem repareren. Niks aan te doen.
(Niemand reageert. Het kind blijft mokken. Het moet met lichte dwang naar beneden en naar buiten begeleid worden. Het kind drentelt achter de ouders aan. Het kind trekt een lelijk gezicht. Het kind verstopt zich achter mensen zodat de ouders ongerust worden. Het kind ziet een VT4 strandbal en wil er ook één.)
MOEDER
(spreekt het publiek toe)
U ziet, het werkt niet altijd. En soms krijgt het nog een vervelend staartje ook.

3. In de woonkamer – de volgende avond

MOEDER
(roepend vanuit de keuken)
Kom de tanden poetsen, de tandenborstels zijn klaar!
(De kinderen hangen in de zetel en doen alsof ze hun moeder niet horen. Moeder herhaalt de zin nog drie maal, telkens een beetje luider.)
VADER
(gaat recht zitten en spreekt de kinderen rustig toe)Kom, vooruit, de tanden gaan poetsen.

HET JONGSTE KIND
(vastberaden)
Dat zal niet gaan. Dan zal je eerst mijn tandenpoetsknopje moeten zoeken.

VADER
(rolt met zijn ogen)

MOEDER
(spreekt het publiek toe, een klein beetje over haar toeren)Sinds die dag moet ik voor alles en nog wat knopjes zoeken: het aantafelgaanknopje, het eetknopje, het luisterknopje, het opruimknopje, het naarbedgaanknopje, … Een groot mens kan niet bevroeden hoeveel knopjes er aan zo een kind kunnen zitten. En daarbij, ze zijn blijkbaar zo petieterig klein dat ik ze de helft van de tijd niet eens vinden kan. Eén keer heb ik zelfs per ongeluk op het stampmamaknopje erlangs geduwd. Zou een heel klein beetje dreigen soms niet beter kunnen zijn?
(naar de huisgenoten die in de zetel naar de televisie kijken)Hebben jullie het gehoord?!
(De huisgenoten graaien allemaal tegelijk naar de afstandsbediening om het geluid harder te zetten. Moeder gooit haar armen in de lucht en gaat af.)

zaterdag 21 augustus 2010

Sterrenstof

Monsters bestaan niet. Spoken ook niet. Regelmatig onderwerpen mijn kinderen het kruim van de magische mormels aan een grondig onderzoek. Of heksen bestaan? Enkel in verhalen. Draken? Nee, beslist mijn dochter die al geen angst meer heeft in het donker, draken zijn maar alsof. Nu hoeven ze dus werkelijk nergens meer bang voor te zijn. Prins houdt zijn hoofd schuin en kijkt me hoopvol aan.
“Dan bestaan dieven misschien ook niet echt.”
Met veel tegenzin erken ik het bestaan van dieven. Maar, voeg ik er vastberaden aan toe, bij ons komen er geen dieven.

Mijn engeltjes leven in een sneeuwbol, een lieflijke miniatuurwereld waar je als een god maar even hoeft mee te schudden om het zilverige sterrenstof van Tinkerbel te laten neerdwarrelen. Waarom zou ik twijfel zaaien in hun zuivere kinderhartjes? Laat ze maar zorgeloos op blote voeten door de tuin rennen. De kloppende hartjes van het pas gemaaide, groene, malse gras tussen hun tenen voelen. Dauwparels plukken. Klimmen in de bomen, die speciaal voor hen hun takken laag bij de grond laten groeien. Giechelen achter de rug van het kijvende, maar ongevaarlijke oude mannetje met zijn dreigende vingertje. Komen schuilen in het huis als het regent. Daar is een scherm met duizenden beelden (mama zal de miserie in een tel weg zappen). Er zijn boeken om in rond te reizen, een ijskast met eten, een lade vol snoep, een bed met dromen, kusjes tegen de pijn, een telefoon om te ver weg dichterbij te halen en armen waarin je het kleine verdriet om een droom kan vergeten.
Maar soms sluipt de boze wereld toch dichterbij. Via kieren dringen flarden miserie onvermijdelijk de bol binnen. Een kind dat verdrinkt in zee. Of een geweerschot. Een groot land in nood. Hoe groot, mama? Héél groot. Dat moet volstaan, want hoe leg je dat uit aan kinderen? In ons land wonen heel veel mensen en ergens ver weg verzuipen twee maal zoveel mensen. Letterlijk. En figuurlijk. Dat begrijpen kinderen niet.
Een koele vrouwenstem op de radio deelt ons mee ‘dat Pakistan getroffen wordt door moessonregens’.
“Mama?” vraagt mijn dochter lijzig. “Wat is dat: getroffen?”
De vraag heeft iets komisch, alsof mijn vijfjarige ook maar enige kennis heeft over Pakistan en moessonregens.
“Weet jij dan wel wat Pakistan is?”
“Ja hoor,” zegt ze en schudt meewarig haar hoofd. “Ar-me, ar-me Pakistan.”
Alsof ze het over een aangereden hondje heeft.
“En waarom heb je dan medelijden met Pakistan?”
“Omdat die geen eten meer heeft.”
“En waarom heeft die geen eten meer?”
“Allemaal weggewaaid.”
In de fragiele leidingen van poppy
’s brein is het water magisch getransformeerd tot wind.
“En waarom is dat eten weggewaaid?”
“Iemand heeft de deur laten openstaan zeker.” besluit ze laconiek.
Ik vertel haar dat ik deze week lid van Unicef ben geworden.
“Dat zijn mensen,” probeer ik uit te leggen. “die kinderen in nood helpen. Dus ook de kindjes in Pakistan. Zodat ze terug een huis en eten hebben.”
Mijn dochter let al niet meer op.
“Mama geeft elke maand centjes aan die kindjes. Maar dan kan jij vanaf nu wel maar één bolletje ijs eten in plaats van twee.” plaag ik.
Mijn kind is plots weer bij de les. In de achteruitkijkspiegel vang ik haar vlammende blik.
“Vind je dat goed?”
“Dat vind ik NIET goed,” zegt mijn dochter beslist. Ze hoeft er niet eens lang over na te denken.
“Maar wat dan met die ar-me, ar-me Pakistan?”
Poppy staart onverschillig uit het raam.
“Dat die Pakistan dan maar naar hier komt.”
Een beetje Pakistan is al hier, wil ik zeggen, en die vind jij aardig, want daar halen wij chips en cola. Maar ik ben te nieuwsgierig.
“Moeten we Pakistan dan maar bij ons laten wonen?”
Poppy denkt diep na. Uit haar gefronst voorhoofd kan ik afleiden dat het een beetje pijn doet. Het beeld van ijsrantsoen staat haar gastvrijheid danig in de weg.
“Nee, bij ons is er geen plaats meer.”
Monsters bestaan dan toch echt.
Poppy zoekt naar haar fietsje. Het staat ergens tussen de rommel.
“Het fietsje past mij niet meer,” zegt ze. “Stijntje mag erop rijden.”
Stijntje is het buurjongetje en met hem wil poppy wel delen. Er is nog hoop. De kinderen spelen allemaal samen in het park. Geliefde en ik vangen vanuit onze tuin zo nu een dan een glimp op van de kinderpret. De lucht is gevuld met schatergelach en vreugdekreten. Iedereen mag meedoen. Daar loopt de toekomst. Met een glas schuimwijn in mijn hand kan ik het zien, hoe daar in het halfduister het sterrenstof over hun hoofdjes neerdwarrelt.

dinsdag 17 augustus 2010

Vulkaan

Heel veel is er niet voor nodig. Een automaat die het waagt mijn bankkaart in te slikken. Regen. Een trojaans paard. Even roeren en mama wordt vulkaan. Een zure vulkaan dan nog wel. Dat bestaat, ik heb het opgezocht op wikipedia. Die kunnen het beste spuwen. Je wil niet in hun buurt zijn als die wakker worden, want wat het dichtste bij staat, zal er het eerste aan geloven.
“Wanneer komt papa terug?”
vraagt prins.
Een heel legitieme vraag. We wachten op zijn vader, omdat we de auto nodig hebben. Helemaal niets mis met die vraag.
“Om elf uur,” grom ik.
“Bedoel je dan elf uur nul nul?”
Prins draagt sinds kort het digitale horloge van zijn vader en hij is lichtjes bezeten door tijd.
“Dat is hetzelfde, zoon, maar je zegt gewoon elf uur.”
Het magma roert zich vanbinnen. Want iemand moet naar de bank gaan. Voor die kaart dus. Ingeslikt. Omdat ik hem er vergeten ben uit te halen. En ik had verleden week in een verstrooide bui nog wel dankjewel tegen diezelfde automaat gezegd toen hij mijn geld uitspuwde. Toen stond er iemand achter mij te grijnzen, want ik had het nogal luid gezegd. Toen wel ja. Als het is om een mens een beetje uit te lachen staan ze er wel, maar waar zijn ze als ik hen nodig heb. Het loopt helemaal fout met het mensdom. En het is niet alleen die kaart. Het is alles. De kaart op zaterdag en regen op zondag. Een godganse dag vol donkerte en regen en ik duisterde zo langzamerhand ongezellig mee.
En vandaag verpruts ik dus mijn laatste uren vrij tijd omdat ik naar de bank moet. Fantastisch. Wedden dat er een rij van hier tot Tokio staat en dat ze me dan na twee uur nul nul aanschuiven meedelen dat ze de kaart precies één uur nul nul geleden verstuurd hebben naar mijn bankkantoor. Geweldig. Regen en geen eten in huis. Alsof ik in Pakistan zit. Dat is een lelijke gedachte, een héél lelijke gedachte, daar kleurt een ziel inktzwart van. Al een geluk dat ik een actieve vulkaan ben vandaag, die hebben godzijdank geen ziel. Poppy heeft haar kleurdoosje in de wachtzaal nog niet open of ze duwen me mijn kaart al in de handen. Ik hoef zelfs mijn identiteitskaart niet te laten zien. Ze hebben zeker wat goed te maken nadat ze zoveel mensen hun geld hebben afgepakt. En dat ik toch naar mijn kantoor moet, zeggen ze zoetjes, want de kaart is geblokkeerd. Het is bijna sluitingstijd. Natuurlijk. Straks krijg ik ook nog een boete wegens te snel rijden.
“Hoe laat gaat de bank dicht?”
waagt prins het nog te vragen.
“Om twaalf uur.”
“Twaalf uur nul nul?”
De kratermond van moeder gaat wijd open.
“Nee, prins, geen twaalf uur nul nul. Hoe dikwijls moet ik dat nog zeggen, gewoon twaalf uur. Jij met je nul nul altijd. Zot word ik ervan. Nul nul. Nul nul.”
De stroperige lava stroomt vrijelijk over de achterbank. Van de kindertjes blijft niets meer over. Stil dat het ineens is. Goed zo. Prima. Geen gezaag meer aan mijn kop. Want zo dadelijk gaat banktante me over mijn voeten geven. Dat weet ik nu al. Het zou niet de eerste keer zijn. Ik ben namelijk eens zo misdadig geweest om op mijn werk mijn tas open te laten staan met junkies in de buurt. Hoe was het toch mogelijk. Ze zouden me aan mijn voeten moeten ophangen. Die arme junkies zo uitdagen. En ja hoor, banktante legt me fijntjes uit dat ik mijn portemonnee moet vasthouden totdat de kaart er terug inzit. Dat heb ik gedaan, wil ik schreeuwen, ik heb ze vastgehouden en ik ben het toch nog vergeten, ziezo. De allereerste keer dat ik het vergeten ben, dus een mens verdient wat krediet (een woordspeling, maar daar heeft een actieve vulkaan geen oren naar).
En dat het nu mag ophouden. Maar dat doet het niet. Waarom zou het ook? Bij thuiskomst blijkt er een paard op de computer te zitten. Niet in de gang, nee. Onuitgenodigd op de pc binnengedraafd. Een Trojaans paard nog wel. Dat hoort daar helemaal niet te zitten. Het hinnikt af en toe eens hatelijk. Ga weg. Vooruit. Vort. Straks is mijn inspiratie er ook nog vandoor. Maar die lelijke knol wil van geen wijken weten.

’s Avonds hoor ik mijn dochter aankondigen dat ze later heks wil worden. Dat krijg je dan met een vuurspuwende moeder als rolmodel.
“Dat zal vast wel lukken.” zeg ik, "Maar nu naar bed, want het is negen uur nul nul.”
Prins lacht zijn kleine tandjes bloot.


woensdag 11 augustus 2010

Van mij

Heel af en toe lijken wij op een cornflakesfamilie uit de reclame. De kinderen zitten relatief recht en proper op hun stoelen. Er is nog geen pas ingeschonken glas frisdrank tegen de grond gegaan. Iedereen vindt het eten lekker en de gesprekken zijn min of meer beschaafd. Zo begonnen we ook aan het middageten op zondag. Totdat prins, nadat hij enthousiast een gigantische hap pasta in zijn mond heeft gestoken, gevolgd door een stevige hap uit een knoflookbroodje, spontaan begint te kokhalzen. Het eten gaat uit de mond in de servet en prins perst er met tranende ogen uit dat het door ‘de kat van oma’ komt. Terwijl mijn zoon verwoede pogingen doet om het eten dat reeds in zijn maagje zit, ook daar te houden, licht zijn vader het visioen verder toe. Blijkbaar is de boosdoener een onappetijtelijke keutel die oma’s kat nonchalant op de vloer van het waskot had achterlaten bij wijze van wraakoefening omdat ze niet mee op weekend naar zee mocht.
"Dat heeft hij van mij,” zeg ik tegen geliefde. “Ik had dat ook als kind.”
Het gruwelijke beeld van het papje van choco en kruimels op de mouw van mijn zus, die blijkbaar een allergie voor servetten had in haar kindertijd, doemt voor mijn ogen op. Na prins schuif ook ik mijn halflege bord van me af. Poppy eet onverstoorbaar verder. Dat heeft ze van haar vader.

Waar halen we toch maar die vreemde obsessie voor gelijkenissen vandaan? Van vaders kan ik het nog enigszins begrijpen, maar vanwaar die noodzaak bij de moeders? Vanaf de dag dat we onze kinderen op de wereld gooien, zal na “Heeft hij alle vingers en tenen?” de meest gestelde vraag wellicht luiden: “Op wie lijkt hij nu?”
De ogen van zoon? Van zijn vader. Het lachje van dochter? Van mij. Het schrokken? Van mij. Het verzinnen? Van mij. Het dromerige? Ook van mij. Ik win! Het lijkt wel één grote genencompetitie. Als het om het opeisen van de eigenschappen van mijn kinderen gaat, schiet er van mijn ‘Vlaamsche bescheidenheid’ niet veel meer over. Die wondermooie schepseltjes zullen en moeten spiegeltjes zijn voor mijn bijzonder ego. Maar waarom doen we dat, de buiten- én binnenkant van onze kinderen zo opdelen? Want behalve het , hopelijk liefdevolle, moment van de verwekking, hebben we toch echt niets in de pap te brokken wat de samenstelling van het kind betreft. ’t Zou nogal schoon zijn als de wereld plotsklaps volstroomde met Brangelina’s. En het is ook niet zo dat we er enig praktisch voordeel aan hebben. Bij een scheiding bijvoorbeeld; dat je naast de verdeling van de inboedel, ook je kinderen ontmantelt. “Laten we wel wezen, het is overduidelijk dat hij die gigantische neus van jou heeft, dus die mag jij meenemen, samen met de nukken en grillen en dat afzichtelijke servies van je moeder, allemaal van jou. En dan houd ik de schattige oogopslag, de fijngevoeligheid, intelligentie, de humor en de auto. Van mij!”

Poppy laat zich trouwens maar al te graag door mij opeisen. Bij de kapper wil ze haar haren precies zoals die van mama laten knippen en ’s morgens staat ze in de badkamer naar me te loeren, zodat ze uit haar kast een gelijkaardig kledingstuk kan trekken. Het kind is nog niet wijzer en ik geniet met volle teugen van de zekerheid dat ze me nu nog geen gerimpeld blok aan haar been vindt. De adoratie is totaal, maar ook wederzijds. Zij het met enige vertraging, want bij het aanschouwen van een verfrommelde prins met zijn punthoofd en scheve neus hadden wij als kersverse ouders toch enigszins onze bedenkingen.
Ondertussen zijn wij wel aan een serieus inhaalmanoeuvre begonnen. Wanneer onze voetbalheld apathisch staat te dromen op het plein en zo een belangrijke bal laat passeren, zie ik daar totaal geen gebrek aan talent in. Die jongen zit gewoon diep na te denken over de volgende fase van het spel, terwijl de rest als kippen zonder kop doelpunten zit te forceren. Op terugweg naar huis na een ouderavond waarin de meester van prins ons aan het verstand probeerde te brengen dat de jongen heel traag dingen aanleert, overtuigen wij als ouders elkaar dat het hier gaat om ‘sluimerende intelligentie’. Wij vermoeden dat het kleine hoofd van onze sproetenjongen enige overeenkomst heeft met een computer. Er zit wat veel overbodige info op zijn harde schijf, 't is een kwestie van deleten en het brein van ons genie loopt als een trein. En poppy haar luidruchtigheid? Onzin, denken wij, dat kind heeft gevoel voor drama, is open en communicatief. Binnen afzienbare tijd staat dat kind te speechen met een Oscar in haar hand. Hopelijk zal de kleuterjuf het nog mogen meemaken. Wanneer ik onze actrice in wording een ander kind zie duwen, ben ik boos, natuurlijk, en dat zeg ik haar ook, maar tegen haar vader voeg ik er dan wel aan toe: het was in een reflex, dat kind stond ook veel te dicht op haar en daar kan ze niet tegen. Dat heeft ze van mij.

Het is niet zo fraai: de komiek zoeken in een slechte mop, de ingenieur in een scheve toren van drie blokken, de auteur in een onsamenhangend verzonnen verhaal. En het zegt meer over mij dan over de kinderen.
Maar het zijn mijn kinderen, schoon kinderen. Van mij en elke dag wat minder van mij, dat wel. Dus ik moet mij haasten om hen toch iets mee te geven. Nu ze nog ontvankelijk zijn. Volg je hart, schatten van mij. Haal eruit wat erin zit. Trap niet in de val van het ene zaligmakende verhaal, maar denk zelf na. Het leven is niet zwart-wit. En goed uitkijken als je de straat oversteekt.


zondag 8 augustus 2010

De baas van alle dingen

Poppy staat wijdbeens voor mij, de handen ferm in de zij geplant. Ze kan niet anders dan naar mij opkijken, maar doet dat zo neerbuigend mogelijk.
“Jij bent NIET de baas van de slippers!” klinkt het vastbesloten.
Sinds een paar weken probeert ze haar nieuwste theorie uit. Ik ben NIET de baas van haar bord als ze het eten niet lekker vindt. NIET de baas van het speelgoed als het opruimen haar te veel wordt. En bij uitbreiding eigenlijk ook helemaal NIET de baas van het huis. Ze is zelfs zo vriendelijk om dat even toe te lichten. Vake is de baas van het huis, want hij heeft hier alles gemaakt. Eén keer, in een moment van ultieme goedheid heeft ze mij kortstondig de baas van de ijsjes gemaakt. Ik vermoed dat het bolletje vanille haar die keer bijzonder goed smaakte.

Je moet het haar nageven, haar baasprincipe is redelijk briljant, want door aan te geven wie het wel of niet voor het zeggen heeft, is zij op haar vijfde al de baas van alle dingen geworden. Wat een blitscarrière! Nog maar net het onmondige babyplebs verlaten en ze heeft in huize L. al de touwtjes in handen. Je moet het haar maar nadoen. En ze heeft het aan slechts één inzicht te danken: haar moeder heeft niet al te veel gezag. Ik heb echt mijn best gedaan, maar de oefensessies voor de spiegel – “Are you talking to me? Are you talking to me?” - hebben nooit het gewenste resultaat opgeleverd en omdat de apotheker geen gezagssiroop tegen hardnekkige kinderen verkoopt, is het behelpen met brullen en dreigen. Ondertussen blijken ze daar wel enigszins immuun voor te zijn, want ze kennen geen enkele hoofdstad, die kinders van mij, maar weten ondertussen wel dat iemand die goed kan tieren nog geen geloofwaardige generaal kan neerzetten. Straks gaan ze me er gegarandeerd fijntjes op wijzen dat gezag en onmacht twee totaal verschillende dingen zijn.

“Je doet die slippers niet aan, poppy," herhaal ik, terwijl ik vermoeid door de strijd eigenlijk al overstag ga.
“Waarom niet?”
Ze heeft de twijfel geroken, merk ik, en trekt haar lelijkste gezicht. Als de klokken van Rome overvliegen gaat dat zo blijven staan en raakt ze nooit aan een lief.
“Daarom niet!”
roep ik. Dat mag ik van de pedagogen. ’t Is te zeggen: ze hebben liever dat ik mijn toon aanpas, maar tegen de inhoud van de boodschap maken ze geen bezwaar. Kleine kinderen behoeven tegenwoordig geen uitleg te krijgen over de beslissingen van hun ouders, schrijven ze in hun boeken. Ouders zijn zonnekoningen in het diepst van hun gedachten. Tof. Al druist het principe enigszins tegen mijn gevoel voor beleefdheid in. En het past ook niet bij mijn karakter: ik ben nogal uitleggerig. Ik had liever dat die pedagogen het nut van consequent gedrag in twijfel zouden trekken. Dat het mocht van hen: honderd keer snoep voor het middageten weigeren en dan, zomaar, omdat het gezeur je tot waanzin drijft, toegeven en die snoep aan dat vervelend mondje induwen. Ze vinden vast wel een argument om het te verantwoorden. Bereid je kinderen voor op de grillige achtbaan van het leven. Zoiets.

Poppy staat me nog altijd onverzettelijk en zonder één keer te knipperen aan te kijken. Ik loop langs haar heen om de geschenken al klaar te zetten in de gang. Mijn kinderen zijn jarig en we gaan dat vieren. Vanaf het moment dat ze de zakken ziet, verandert er iets in haar houding. Het standbeeld ontspant zich en komt lieflijk aangehuppeld.
“Mama,” zingt ze met het hoofdje schuin en ogen zo groot als de kat van Shrek.
“Je bent misschien niet de baas van de slippers, maar wel van de geschenken.”
Mijn tweede bevoegdheid is een feit. Zo klein is ze en ze weet al zo goed waar ze mee bezig is.

’s Avonds komt ze nog even in de zetel langs me liggen, vraagt me of ik ‘verdroeft’ ben. Ik ben niet verdrietig. Ik ben uitgeput. We zitten iets over de helft van de schoolvakantie en de grote baas is moe. De kroon van het ouderschap weegt zwaar. Het mopperen eist zijn tol. Deze zonnekoningin zou er absoluut geen bezwaar tegen hebben om in bed gelegd te worden.
“Mama is moe.”
“Ik ga je aaien,” zegt poppy. “Welk diertje moet ik doen?”
“Een hondje.” gaap ik.
“Dat kan ik niet. Is een lieveheersbeestje (‘herebeesje’) ook goed?”
Wat kan je nu daar tegenin brengen? Met haar petieterige vingertjes laat de baas van alle dingen een ingebeeld insect over mijn arm lopen. Op en neer, een halve marathon lang. Het is een waarlijk magische ervaring. En laat daar geen enkele twijfel over bestaan, op het gebied van aaien is ze de absolute koningin. Die kroon gun ik haar van harte.


donderdag 5 augustus 2010

R.I.L. 4 augustus 2010

Er is een bom ontploft in ons huis, maar van de terroristen is geen spoor te bekennen. En daarbij: het is oorverdovend stil op de plaats van de misdaad. Dat kan in dit geval maar op twee dingen wijzen. Ofwel hangen mijn kinderen ergens vast aan een schermpje van een Nintendo DS. Ofwel beramen ze snode plannen.
Ik waar voorzichtig door de plaats van de misdaad. Op de tafel in de woonkamer liggen Ken en Barbie te verzuipen in hun blitse bad. Ken op zijn buik. Barbie in tegenovergestelde richting op haar rug met haar benen omhoog. Het ziet er niet goed uit. Ook de andere barbies liggen uitgeteld en half ontkleed langs het zwembad in de meest oncomfortabele houdingen. De helft van het water is ver buiten het bad gespat. Op het eerste zicht lijkt het een zwaar uit de hand gelopen feestje. Cocktails in combinatie met hoge temperaturen, zoiets.
Niemand lijkt alleszins nog in staat om in de roze auto die slordig naast het zwembad geparkeerd staat te springen om de drenkelingen naar de spoed te brengen. Vooraleer ik de ravage verder ga onderzoeken, red ik het onfortuinlijke koppel uit het bad en droog hen af. Ontdek dan bij toeval dat er iets mis is met hun hoofden. De uitgerekte lijven zijn solide, maar die perfecte kopjes kan je zo, met een zeker sadistisch genoegen moet ik bekennen, tussen duim en wijsvinger platdrukken. Altijd al geweten dat een gevuld hoofd en lange benen niet samen gaan.
Voor de televisie heeft de verzetsgroepering R.I.L. (Rommel Is Leuk) een stonehenge cirkel van stoelen en tafeltjes achtergelaten, één stoel ligt nogal ongelukkig op zijn zijkant. Ik weet wat dit betekent. Hier werd een levensgevaarlijk parcours afgelegd waarbij de strijders van obstakel naar obstakel dienden te springen. Als ze de grond raken, zijn ze dood. Uit ervaring – want ik volg de gangen van het R.I.L. nu al geruime tijd – weet ik dat de training meestal uitmondt op hoogoplopende discussies over wie al dan niet dood is ondertussen en hoeveel maal. Keihard zijn ze. Onkruid. Onuitroeibaar.
De Nintendo’s liggen op een struikelplekje zichzelf op te laden. Een beetje verderop versiert een teenslipper ongegeneerd twee afstandsbedieningen. Een troepje playmobil-mannetjes liggen te zieltogen achter de zetel. Van een moeizaam opgebouwd legohuis rest enkel nog een ruïne; de brokstukken meters ver her en der verspreid. Maar nog steeds geen terroristen te bekennen. Voor de trap een slordige rij Disney-pinnetjes, de kinderversie van landmijnen waar moederezel resoluut weigert een tweede maal in te trappen.
Op de derde trede struikel ik bijna over twee knuffels die de val van boven duidelijk niet overleefd hebben. Ik sluip geruisloos de trap op. De speelkamer staat wijd open. De ravage daar is werkelijk niet te overzien. Ik overdrijf niet als ik hier spreek over een barricade: poppen, verkleedkledij, plastic eten, pannen en potten, auto’s, een half afgebroken keukentje werden hier bewust opgeworpen om mij de toegang te ontzeggen. Even vermoed ik een hinderlaag, maar dan wordt mijn aandacht getrokken door een streep licht die door de openstaande wc-deur valt. Bij nader onderzoek blijkt dat de wc-bril nog omhoog staat en er niet doorgespoeld werd. Een overduidelijk bewijs dat verdachte nummer één hier geweest is. De kamer van deze verdachte ligt er echter zoals altijd relatief netjes bij.
In de kamer van verdachte twee is de grond bezaaid met nepgeld en lege snoepzakjes. Verscheidene paren prinsessenschoenen hebben de zoektocht naar hun partner opgegeven. Maar er is meer aan de hand. Op het bed ontwaar ik onder het laken een enorme bobbel. Daar ligt iets. En het ligt daar heel stil. Een klein uitgevallen kameel, een monster? Ik weet het niet. Maar daarvoor ben ik niet hier. Ik zoek de guerrilla, die twee leden van het extremistische R.I.L. Ze moeten en zullen deze aanslag opeisen.
Ik negeer het bed en zet de zoektocht verder.
“Niemand onder het bed!” roep ik luidkeels. “En niemand in het prinsessenkasteel! Ach, waar zitten die duivels toch? Achter de deur misschien? Ook al niet! Ik weet het niet meer! Onder het roze paard? Helemaal niks! Waar moet ik nu toch zoeken? Wanhopig ben ik!”
De dwergkameel rijst plotseling de lucht in en maakt zich bekend:
“Hier zijn we, mama, je hebt ons niet gevonden!”
gillen mijn kinderen strijdvaardig.
De straf is zwaar: een kietelsessie krijgen ze, tot ze me smeken om ermee op te houden.
En dan is het tijd voor ernstige zaken. Ze zien er dan misschien schattig uit, maar vergis je niet. Keihard zijn ze. Dat blijkt eens te meer nadat ik hen streng opdraag om de rommel onmiddellijk op te ruimen.
R.I.L. wil daar niets van weten:
“O nee hoor, jij mag opruimen, mama.’
Wat een bespottelijk idee van die dwaze moeder ook; ooit al eens een terrorist zien puinruimen?

De dikste kop 29 juli 2010

“Mag ik nog een mopje vertellen?”
vraagt prins na het afsluiten van het avondritueel. Bij ons gaat dat zo: men zuigt alle boze dromen uit beide oren van het kind en verbant hen onverbiddelijk naar de gang: Ga heen en waag het nooit meer terug te komen! Vervolgens kiest men een goede droom en blaast die voorzichtig in het moede hoofd (met dank aan de GVR van Roald Dahl). Men sluit ten slotte af met een dozijn kusjes en een knuffel. Het kind is nu klaar om veilig naar dromenland te vertrekken. Maar prins mag dan niet stoer zijn, hij vecht graag tegen de slaap. Meestal door mij rekenkundige vragen te stellen: “Hoeveel is honderd plus drie maal twee?” De snoodaard heeft er plezier in dat zijn cijferanalfabeet van een moeder daar een tijdje zoet mee is.

"Ja hoor, vertel die mop maar," zeg ik enigszins opgelucht.
Het is de eerste grap van mijn zoon en de verwachtingen zijn hoog gespannen.
“Er was een brand ergens en er waren drie brandweermannen en één brandweerman zit achter het stuur en de tweede zit erlangs en de derde zit vanachter en wie heeft nu de dikste kop?”
Prins wacht af, met zijn hand op zijn mond om het niet voortijdig uit te proesten. Ik hoef mijn onwetendheid in dit geval zelfs niet te veinzen.
“Dat weet ik niet hoor.”
“De brandweerman met de dikste kop natuurlijk!”
Zoon giert het uit. Zijn knuffeldieren lachen lustig mee op de cadans van zijn bewegingen en ik pers er een soort van echoënde theaterlach uit, want eerlijk is eerlijk, deze mop trekt nergens op: monotoon afgedreund in een te snel tempo en, hallo, waar is de clou? Maar daar ga je de jeugdige humorist in kwestie natuurlijk niet mee vervelen. Je wil de Wim Helsen in je kind toch niet in de kiem smoren of zo een ouder zijn die een genie niet herkent in zijn ongepolijste vorm. Mijn talentenantennes staan altijd aan in de buurt van de kinderen, tot nu toe zonder ook maar het geringste signaal (behalve misschien een talent voor drama bij mijn dochter) op te vangen. Het zullen laatbloeiers zijn.

De volgende dag tijdens een drankpauze in de speeltuin, blijkt dat ik juist gehandeld heb. Onze cabaretier probeert het voor een groter publiek. Verwachtingsvol kijken poppy en nichtje hem aan.
“Er was eens een brand en er waren zes brandweermannen.”
Blijkbaar zijn er drie terug uit verlof gekomen.
“Eentje zit aan het stuur en één zit erlangs en één vanachter… Hoeveel had ik er al?
“Drie,” antwoordt nicht geduldig.
“Euhm, …En één brandweerman belt aan.”
“Waarom belt hij aan?” vraagt nichtje belangstellend.
Prins kijkt een beetje hulpeloos naar mij nu zijn mop de interactieve richting dreigt uit te gaan.
“Om tegen de mensen te zeggen dat er brand is,” zeg ik snel.
“Weten die mensen dat dan zelf niet? Dat merk je toch.”
We zijn aan het afdwalen en prins is zijn draad opnieuw kwijt.
“Maar aan hoeveel brandweermannen zat ik nu, mama?”
“Aan vier,” zeggen we in koor.
“En één brandweerman … loopt rond het huis.”
“Waarom loopt die rond het huis?” vraagt poppy nu, maar deze vraag wordt straal genegeerd. Prins heeft blijkbaar besloten om zijn show strak in de hand te houden. Gelijk heeft hij. Negeren of counteren.
“Ik denk dat er dan nog één brandweerman achteraan zit,” beslist hij om er dan in één adem met intens plezier uit te gooien:

“En wie heeft de dikste kop?”
“Hoofd, zoon, het grootste hoofd,” verbeter ik hem. Gisteren mocht kop nog, maar met publiek erbij moet een komiek wel op zijn taal letten.
“Wie heeft het dikste hoofd?” herhaalt hij zachtjes. Niemand zegt iets. Onze grapjas strekt zijn armen uit en roept:
“Aha, die met de dikste kop natuurlijk.”
Moeder en zoon lachen, maar de rest van het publiek volgt niet.
“Tante, hij vertelt het niet juist. Het moet zijn: de brandweerman met de grootste brandweerhelm. Want die heeft het grootste hoofd. Zo gaat die mop.’
Nicht slurpt minzaam verder aan haar flesje water. De mond van prins hangt een beetje open, maar er komt geen geluid uit. Dan herpakt hij zich toch en zoekt steun bij zijn grootste fan:
“Mijn mop is ook waar, hè mama?”
Ik streel mijn ernstige clown door zijn haren.
“Ja hoor, jouw mop is ook waar,” zeg ik en ik denk: maar juist is ze niet.

Zeelucht 3 27 juli 2010

Episode 9

In het gestaag uitdeinend woordenlijstje van mijn zoon staat het begrip “stoer” bovenaan. Met voetballen en snoep op een verdienstelijke tweede en derde plaats. Onlangs hoorde ik hem dweperig praten over zijn o zo stoere en sterke vriend, die ondertussen naar eigen zeggen dertig melktanden kwijt was.
“En wat ben jij dan?’ vroeg zijn vader, waarop prins een beetje treurig antwoordde: “Ik ben alleen maar lief.”
Onze zoon kan het hart van de ijskoningin laten smelten met zijn lach, maar dat verleent hem geen enkele status in het eerste leerjaar. Zelfs de meisjesharten in zijn klas kloppen daar tegenwoordig niet sneller van. En tot overmaat van ramp zit hij naast die grote aaibaarheid ook nog eens met een oranje haardos opgescheept. Nog een geluk dat het vroeger frequent gebruikte “vuurtoren” plaats heeft moeten ruimen voor het moderne en overal inzetbare ‘loser’. Iedereen is dat wel eens op tijd en stond.
Stoerheid, ik vrees dat het erfelijk is. Het vriendje in kwestie heeft ook stoere ouders. Willem moet het doen met een stelletjes softies die al eens een traan plengen en worstelen met irreële angsten.
Tijdens de vierendertig haltes die we met de tram moeten overbruggen naar het gruwelgat Plopsaland besef ik weer hoezeer ik tekort schiet als GI Jane. Als er een universitaire opleiding in schrikschijterij bestond, was ik Doctor in De Pretparkenangst. Studio 100 gijzelt trouwens nu al dik tegen mijn zin zo een 80 procent van het hele kindermedialandschap, maar ik mag dat niet luidop zeggen. In een theatershow waagde Jan de Smet het dit jaar eens om te insinueren dat Meneer Plop niet echt bestond, waarop poppy heel luid en verontwaardigd door de zaal riep: dat mag hij niet zeggen! Er was trouwens maar één kind dat wist dat die kleine gitaar een ukelele was en geen Plopgitaar.
Dé mijlpaal in pretparkenland is over een meter uitgroeien, want dan, driewerf hoera, mag je in alle marteltuigen. Twee jaar geleden maakte ik nog rondjes op de veilige carrousel. Ook geen sinecure trouwens om enigszins elegant van dat grootste paard af te dalen. Maar poppy is ondertussen een meterlange brok avontuur en de pret mag in het park niet gedrukt worden. Dus ziehier, moeder zonder vrees.
Mama Platbroek houdt het welgeteld één attractie vol. De ronddraaiende megakoffiekopjes straalden nochtans een bedrieglijk soort veiligheid uit. Ze gingen niet de lucht in en ook niet ondersteboven, maar op de één of andere manier zat mijn maag onmiddellijk zowat overal in mijn lijf, behalve waar hij in normale omstandigheden zou zitten. Terwijl mijn waaghalzen de rest van de gruweltuigen zonder mij bestijgen, bewaak ik heldhaftig de regenjassen. Vanuit het struikgewas loer ik in mijn hoedanigheid van gevaarlijke struikrover naar de woeste waterval waar mijn lievelingen in een boomstam van afroetsjen.
In de showtent waarin we ons verstoppen voor de regen, dit keer een zegen, heeft mama geen schrik meer, maar vrolijker wordt ze er ook niet van. Kabouter Smal, een aanstelster in zogenaamd miniformaat, heeft last van een krimpende taart. En wij moeten allemaal helpen. Gehoorzaam voeren we de opdrachten uit. Daar groeien taarten namelijk van. Maar wel enkel achter een vlug neergelaten gordijntje. Ik ben zeer verguld dat mijn kinderen slechts matig enthousiast reageren op deze volstrekt fantasieloze kunstgreep. Echt waar, ze mogen mij van alles wijsmaken, graag zelfs, maar ik moet het wél geloven.
Wanneer we terug naar de tramhalte wandelen, zegt prins:
“Die taart was niet echt.”
Ik zie dit kind zeer graag.

Episode 10

Terwijl de bestuurlijke impasse in mijn land maar blijft duren, organiseert prins zijn eigen WK aan zee. De omstandigheden zijn trouwens ook niet erg gunstig. Zo moet hij het stellen met de K3 bal van poppy. Het pleintje naast de speeltuin heeft geen goals of krijtlijnen. En de taalbarrière tussen de kinderen, die aangetrokken worden door de magie van een bal, is groot. We hebben één Duitse jongen, twee Pakistaanse broertjes die omwille van een geslaagde integratie de g en de h verwisselen, en op de valreep nog een Waalse schone. De ouders mogen gratis en voor niets op de bank toekijken en zich vooral nergens mee bemoeien.
Ik heb het onmiddellijk in de gaten: die kleine mannen weten hoe het moet: ze focussen zich passioneel op het gemeenschappelijke doel en verschillen worden overwonnen met een gemak waar een groot mens jaloers op mag zijn. Eén van de Pakistaanse jongentjes moet telkens de sluiting van het rijtuigje waarin zijn peuterzusje zit gaan vastmaken om te verhinderen dat ze eruit tuimelt. Pauze, roept hij dan en iedereen bevriest. Niemand doet moeilijk over de onderbreking. Als je kinderen bij elkaar zet, gebeuren er wondermooie dingen.

Episode 11

In Oostende staan er borden met daarop een toeristenhand die een meeuw een frietje aanbiedt en daaronder de mededeling dat dit verboden is omdat meeuwen er agressief van worden. Of er misschien ook een link is tussen het gedrag van mijn kleine 'madame non' en haar eetgewoontes aan zee, vraag ik me af. We spreken vandaag niet over gerechtvaardigd zeuren. Madame is zo opgestaan en het waait maar niet over. Ze wilde geen bloes aan tegen de kou en ook geen schoenen. Ze wil zus niet en zeker geen zo, absoluut niet dit en geen sprake van dat. Het nee ligt al in de onwillige mond bestorven vooraleer ik mijn vraag nog maar gesteld heb. Ik hou van dit kind, u moet mij geloven, zeer veel zelfs, maar vandaag zou ik haar graag in een doos op poppy-formaat stoppen, deze beplakken met postzegels en richting China verzenden en dat zeg ik haar ook zo.
Dan ga jij het water in, zegt ze onverstoorbaar en wijst me de precieze plaats aan. En nu heeft ze weer pijn, 'freeslijke' pijn aan haar teentje. Het geduld dat ik ondertussen voor de passanten speel is een Oscar waard. Ik doe het schoentje uit, en het sokje, veeg teentje schoon, keer sokje binnenstebuiten, doe alles netjes terug aan en bid dat het euvel verholpen is. Oef, het is in orde. En of ze dan nu eindelijk een ijsje mag. Het is 9u30. Je kan geen kinderen tot 11 uur in een bar meenemen en er de gevolgen niet van dragen
Even later geeft zus net zo gemakkelijk de fakkel door aan broer. Prins wil geen cola of fanta of water of wat dan ook. Hij wil ook een sangria, want dat is gezond, daar zit fruit in. Veel fruit (rationeel). Please please een Sangria (smekend). Ik Wil Een Sangria (stampvoetend). Onze terrasburen volgen met interesse de opvoering van ons ros monster. Met veel geduld proberen we het gordijn neer te laten.
Poppy legt vol medeleven haar handje op mijn schouder.
‘Moeilijk hè,' zucht ze.

Exodus

Met hun neusjes tegen de autoraampjes groeten mijn kinderen de dingen: Dag zeetje, dag golfjes, dag zandkasteel, dag hotel, kamer, stapelbed, dag zand, wolken, dag gocarts… Ik droom weg op de cadans van hun afscheidslied. Ik ruik thuis al.

Zeelucht 24 juli 2010

Episode 4

Het regent. En nog meer: het rommelt daarboven. We schuilen onder een afdakje voor een etalage. Prins is er helemaal niet gerust in.
‘Twee wolken die per ongeluk tegen elkaar botsen, dat is nog geen onweer, zoon.’
Aan de uitdrukking van mijn fantasierijk kind te zien, maakt hij er in zijn verbeelding bliksemsnel een rampzalige kettingbotsing van.
‘Ik ben zo bang.’ bibbert hij.
De regen komt ons zoeken tegen de gevel. Prins probeert zijn tranen te verbijten en ik zie een vliegje met verfrommelde vleugeltjes een noodlanding maken op zijn arm.
“Ach, kijk nu toch eens,” probeer ik mijn angstig kind af te leiden. “Een vriendje. En hij is ook bang. Zie, hij komt schuilen bij jou.”
Mijn ventje kijkt met één oog naar het diertje - dat bij ons thuis in normale omstandigheden allang tussen mepper en aanrecht om het leven zou zijn gekomen - en met één oog naar de wolken.
‘Wat zou zijn naam zijn?”
Het gedonder overstemt bijna mijn vraag.
“Dat is een eendagsvliegje.’ Papa vult de angstige stilte behulpzaam op. “Dus hij zal wel Maandag heten dan.”
Met zijn handje vormt prins een kommetje zodat zijn beschermeling niet weg kan waaien.
“Kom, vriendje, niet bang zijn hoor,”
sust hij.
Zo werkt dat nu eenmaal: in de zorg voor iets kwetsbaars, vergeet men zijn eigen angsten.

Episode 5

Prins kiest voor een strak racemodel en Ana een crèmekarretje met ‘alsoft-ijs’ en een belletje. Het leven is een feest op wielen.

Episode 6

’s Avonds nemen we de speldozen mee naar de bar van het hotel. Een vlieg verstoort halverwege onze strijd op leven en dood in het ‘Wie is het?’-spel.
“Kijk nu, “ roept prins. “Daar is mijn vriend Maandag.”
“Nee hoor,dat is hem niet.” zeg ik. “Deze vlieg is toch veel groter.”
Zoon controleert snel het uurwerk van zijn vader.
“Ik zie het nu ook, ja, dat is Bijnadinsdag.”

Episode 7

Poppy telt ’s morgens de sigarettenpeuken in de asbak op het terras, schudt haar hoofd en verkondigt luid terwijl ze terug naar binnen gaat:
“Als (j)ullie zo doorgaan, worden (j)ullie nog eens draken.”

Episode 8

Mijn reisgenoten trekken bijna fluitend hun baduitrusting aan onder hun kledij. Zoals altijd verwachten zij het beste. Terwijl je met een half toegeknepen, bijziend oog nog kan zien dat er uit die wolken zo dadelijk bakken water zal worden gestort. Over mijn boze kop dan nog wel. O, wat heb ik er in zin in: in zeuren, dreinen, zagen, jammeren en weeklagen. Op het stapelbed spelen mijn lievelingen knuffeldierentheater van hoog niveau, terwijl ik me tergend langzaam aankleed. Dat onnozele enthousiasme van gandalf en zijn hobbits: ik kan daar niet bij.
Maar, aha, Gollem krijgt gelijk, op weg naar het strand beginnen die duistere wolkenbeesten al te lekken. Rechtsomkeert, wil ik krijsen. Deze tocht heeft geen enkele zin, reisgenoten, we worden weeral nat! Omdraaien allemaal!
Maar ze willen er niet van weten. Een gat. Natuurlijk. Ze gaan een gat graven. Dit gezelschap heeft een missie en geen druppel water of lelijk gezicht gaat hen tegenhouden. Vooruit dan maar, helden, graaf die put, en graaf hem diep, diep genoeg om er deze mormelmoeder tot aan haar kruin in te begraven. De reisgenoten zetten er flink de pas in alsof ze aan de regen willen voorbij stappen. Ik volg drentelend, de norse kop diep tussen schouders.
Bij aankomst wordt de uitgestrekte, gladde, donkere zandmassa aanschouwd. Er wordt gevoeld, geroken en bijna geproefd. Vader en zoon kiezen uiterst nauwkeurig de juiste plaats en nemen een schop. Ze graven een put. En rond de put moeten wallen en torens, een burcht zeg maar, maar de put is het belangrijkste. Ze graven alsof hun leven ervan af hangt. Poppy poert lieflijk mee, maar het zijn toch de mannen die enorme scheppen zand door de lucht zwieren. Zweet vermengt zich met regenwater. In de put welt plots spontaan zeewater op. Mijn zoon denkt dat hij een kostbare bron heeft aangeboord.
Oei, daar krijgen ze me toch te pakken, besmetten me met het ongeneeslijke strandvirus dat mensen dwingt vergankelijke, nutteloze zandhopen te bouwen. Of ik misschien een galerij zuilen naar het gat mag bouwen? Het mag van de grote werfleider. Ik vul emmertjes met nat zand en kieper ze voorzichtig om. Dochter versiert mijn torens met schelpen. Slordig werk, ik moet me beheersen om erover te zwijgen. Eén toren sneuvelt zelfs door haar toedoen. Verongelijkt gaat ze driehonderd meter verder in het zand zitten dabben. Straks pakken de meeuwen haar nog mee.
Ik maak de wal af. Stort rond en op de wal torens terwijl de grote bouwmeester een trap bouwt. Ik laat de schepen neer in het meer. Maak met mijn wijsvinger schietgaten in de burcht. Het ziet er fantastisch uit. Poppy drentelt nieuwsgierig terug en waaiert rond mijn torens. Ze speelt graag met vuur.
Het regent niet meer. Ik heb het niet eens gemerkt. Meer nog, de zon scheurt het wolkendek onverbiddelijk open om ons bouwwerk te komen bewonderen. Mijn gezelschap verliest in één klap zijn gedrevenheid. Ze moeten terug over golven gaan springen.
Maar ik, ik blijf. Deze vrouwe bewaakt de burcht.

Zeelucht 1 22 juli 2010

Proloog

Ons klaagliederenkoor duikt op in totale duisternis:
Mama, het is toch vandaag dat we naar de zee gaan? Naar de zee, papa! Joepie! Zeg, staan jullie niet op? We gaan vandaag naar de zee! Nee papa, het is echt niet meer nacht. Echt niet. Kijk maar, daarachter is licht. Dus kunnen we dan nu vertrekken, papa? Mama, wanneer vertrekken we naar de zee? Vertel het ons, vertel het ons! Mama, hoelang gaat dat nog duren? Papa, hoelang is dat eigenlijk ‘nog twee uur’? Is dat heel lang of een beetje lang? Mama, gaan we nu ein-de-lijk vertrekken? Mama, is die tweehonderd uur nog al-tijd niet voorbij? Maaaamaaaa, wanneeeerrrr, gaan we vertrekkeuuuuuu?”

§

Solo
We zijn onze straat nog niet uitgereden of prins steekt zijn neus met sproeten al in de lucht en verzucht dromerig:
“Ik ruik ze, de zee.”

§

Koor op de achterbank:
Zijnwederalzijwederalzijnwederalzijnwederalzijnwederalzijnwederalzijwederalzijnwederalzijwedalzijnwederahahahahahaaaaal…?

§

Episode 1

“Papa, gaan we een gat graven?”
Een vakantie aan zee is pas geslaagd voor mijn kleine man als hij zijn gat heeft kunnen graven.
Ik begrijp dat niet. Of ik heb het ooit begrepen, maar ik ben het vergeten. Misschien verliezen we gaandeweg beetje bij beetje het vermogen om bij de essentie van de dingen te raken. En prins kan het me ook niet uitleggen. Een gat is een gat. Hij schudt meewarig het wijze hoofd.
Maar dit jaar beginnen we voor een keertje met goed weer en een gat graven is onbegonnen werk, het mulle zand glijdt van alle kanten terug in het moeizaam uitgeschepte holletje. Dus jaagt vader de kinderen de zee in. Ik loer over mijn boek en zie ze springen. Over elke golf die komt aanrollen. Hup. En hup. En nog eens hup. Springen, steeds maar opnieuw, hup, onvermoeibaar, hup, zoals de golven zelf.
Die kinderlijke goesting in altijd weer meer van hetzelfde. Ik begrijp dat niet. Ik staar naar de schuimende mondjes vol gelach en zout water en lees tien keer dezelfde zin.

§

Episode 2

“Zal het een truitje van Nederland of eentje van Spanje worden?” vraag ik aan mijn kleine man.
“Doe maar Spanje.” zegt hij beslist.
“Dan kan je je nog altijd omkleden als de Nederlanders winnen.”
Hij kijkt me aan alsof hij het in Keulen hoort donderen.
“Goede keuze.” zegt de mevrouw die ons eten uitschept terwijl ze een blik op het truitje van prins werpt. “De octopus heeft gekozen. Spanje zal winnen.”
Ik veronderstel dat ze verwijst naar Chinese maffia- en gokpraktijken, maar er wordt mij geduldig uitgelegd dat het om een echte octopus gaat die de winnaar van de WK-matchen voorspelt.
Natuurlijk. Ik zal maar niet vragen of dat zijn hoofd- of bijberoep is.

§

Episode 3

Het regent pijpenstelen. Mijn grote man staat op het terrasje te genieten alsof er helemaal niets aan de hand is.
“Dat wordt een uitstapje naar Brugge.” beslist hij monter.
Ik denk knorrig: Poe, in Brugge regent het ook.
Tijdens mijn vakantie hoort het niet te regenen. Persoonlijk vind ik dat te duur. Betalen voor regen. Ik blijf net zo lief thuis als het regent. Ik word humeurig van al die wolkenmiserie. Aan zee nog veel meer dan thuis. Maar voor Brugge doe ik mijn best. Als ik in vorige levens geloofde, had ik daar al minstens tien keer gewoond.
Na een spurt van wagen tot winkel om ons een paraplu aan te schaffen, stopt het met regenen. Dus springen we op een kar met een paard. Ik ben daar tegen. Tenminste, voordat er kinderen waren en ik dus meer tijd voor principes had.
Maar toch, die edele beesten staan volgens mij echt niet te springen om een kar vol afzichtelijke toeristen aangebonden te krijgen. Pure uitbuiting is het. Mij krijgen ze niet in zo een koets. Ik neem wel de benenwagen. Paarden moeten galopperen in weides en grazen van sappig gras. En mijn kinderen hebben in mijn genenpoel gevist, dus die denken daar ook zo over.
De kinderen willen in de kar. Daar zitten we dan. Corneel, de blonde paardenmenner, probeert me gerust te stellen. Boy, onze black beauty, werkt maar één keer per week. En die oogkleppen zijn echt nodig, anders wordt Boy bang van al die chaos rondom hem. Ik begrijp dat. Er zijn zo van die dagen dat ik daar ook nood aan heb. En we mogen veertig euro betalen, alstublieft, voor een half uurtje schuldgevoel. Na het uitstappen pist Boy als dank een gigantische straal urine op de kinderkopjes. Het gele vocht spat op tegen de benen van de volgende groep toeristen. Goed zo, Boy!
En het regent opnieuw en we vluchten weer een winkel in en de kinderen voeren verder hun show op: ze rollen over de grond, duwen en trekken, verstoppen zich tussen de kleren, krijsen en brullen, rennen en botsen tegen argeloze mensen op. Het begint steeds kleintjes, pianissimo, en dan gaat het in crescendo. Vanachter het gordijn in het pashokje hoor ik de dreiging in vaders stem. De sopraantjes doen hun best: heel even proberen ze stil en klein en rustig, maar dan breekt het spel weer open,: hij duwde, nee, zij duwde, nee, hij, hij, hij, nee, zij, zij, zij. Uit de oren van mijn grote man kringelt een beetje zeestoom.

Prins staakt. Hij ligt in het midden van de winkel op de grond. Dat gebeurt eigenlijk nooit. Het is de zeelucht, denk ik, en dat ze te laat zijn gaan slapen (Mijn klokje is moe, dreint poppy.). Papa staat briesend broeken uit de rekken te trekken.
“Kleine man,” zeg ik. “Heb je honger?”
Zoon sluit zijn ogen en trekt zijn benen op. Het ziet ernaar uit dat hij zich klaar maakt om terug de moederbuik in te gaan.
“In welk eten heb je nu echt zin?”
fluister ik in het kleine oorschelpje.
De oogjes blijven dicht, het mondje gaat open.
“Frietjes.”
Wat een overbodige vraag ook.
“Zullen we nog even papa zijn broek laten passen en dan naar de Quick gaan?”
De oogjes floepen open. Het ventje veert recht. Mijn zoon is herrezen. Het is een mirakel.

Synchroon supporteren 7 juli 2010

Mijn grote en mijn kleine man supporteren synchroon. Ik mag daar aan het andere einde van de zetel graag naar kijken. Hoe ze dicht bij elkaar zitliggen in dezelfde houding, linker- over rechterbeen, de hongerige blik strak op het scherm gericht. Hoe ze gelijktijdig en vol overgave prutsen aan gezicht en mond als de spanning wordt opgedreven en het geluid van Afrikaanse hoorns aanzwelt. En beiden veren ze gracieus recht bij een gemiste kans, heffen de handen vol wanhoop in de lucht en laten ze traag neerdalen op de verdwaasde hoofden. Wonderbaarlijk hoe ze rechtvliegen en springen en oergeluiden voortbrengen. Hoe ze de borst dramatisch naar de knieën brengen en hun ogen halvelings bedekken wanneer er bedreiging is. Oeeeeee. Een dubbel misthoorngeluid produceren ze dan.
Het heeft iets van een moderne dans. Anna Theresa de Keersmaecker, eat your heart out.

Soms gunt prins zich een kort en haast ademloos stukje tekst na een doelpunt:
"Papa, van zo ver ... had je het gezien papa, ... gewoon gestrekte bal tegen de paal, ...had je het gezien, ‘wijkte’ gewoon af, papa, gewoon die goal in..."
Hun enthousiasme werkt aanstekelijk, dus waag ik me ook aan een beetje commentaar - aan de echte dans durf ik uit gebrek aan passie niet beginnen.
" Die nummer 11 van Urugay lijkt op Leroy. Weet je wel, Leroy van Fame," zeg ik. Mijn grote man gromt iets onverstaanbaars.
"Go Leroy, go," probeer ik plagerig.
Er komt geen enkele reactie.
Dat de Urugayanen het wat mij betreft op basis van hun looks mogen winnen. Er zijn er een paar bij met lange manen en die wapperen zo schoon in de vertraging.
Nog steeds geen reactie. Waarschijnlijk wegens onrelevant.
De poëtische schoonheid van vertraagde voetbalbeelden: die kluiten weggestampte aarde, zie ze vliegen. En de voetballers zelf ook, in vertraging, zie ze rennen, springen, vliegen, botsen, duiken, vallen en weer opstaaaaaan.
Niks.
Of een bal tegen de facade van nr 7 die in close-up een beugel lijkt te dragen niet erg pijnlijk zou zijn, bedenk ik in stilte.
En, haha, nu hebben ze ‘onslievenheer’ ook ingeschakeld om in de herhaling zijn geinig heilig licht over een held te werpen.

Synchroon supporteren is een kunst. Voor de buitenstaander zit er niets anders op dan een beetje weemoedig toe te kijken.
Maar op het einde van het spelletje, kruipt prins van zijn vader weg naar mij toe.
"Kijk, mama," zegt hij. "Die ene zijn kraagje staat recht. Zou dat nu niet kietelen in zijn nek?"

Dwergparacommando's 5 juli 2010

Gisteren werd ik afgebeeld door mijn jongste telg. Op papier sprong mijn lach stralend door de strak getekende jukbeenderen en mijn wimpers waren zo lang dat ik er een half continent koelte mee kon toewuiven. Dat portret had ik verdiend door mijn kleine slavendrijvers op hun wenken te bedienen met eindeloos de wacht te houden, weliswaar op het terras van een aanpalend café achter een glas wijn, terwijl zij zich suf hopsten op een springkasteel.

Dat was gisteren. Vandaag ben ik de vijand. Vandaag zou ik royaal voorzien worden van horentjes. Of bloederige slagtanden. Het begon al bij het opstaan toen ik de grove fout beging prins een knuffel te geven. Poppy is er namelijk rotsvast van overtuigd dat liefde zo zijn beperkingen heeft. In haar kinderhoofdje houdt ze een strakke boekhouding bij van de 1500 magische kusjes tegen pijn van diverse oorsprong, de 2000 knuffels en aaitjes en de 5000 lieve woorden die een moeder ter beschikking heeft. Wanneer ze vermoedt dat de verdeling tussen haar en haar broer niet eerlijk gebeurt, wordt de volumeknop automatisch opengedraaid. Geen stopknop te vinden aan dat kind, zelfs geen FAST FORWARD. Mevrouw zet zichzelf aan en uit as she pleases. Voila, zo snel kan het gaan, moeder had het bij haar jongste al verbruid.

Nadat mijn dochter eindelijk haar niet-glasbrekende toonhoogte gevonden had, trokken we dan toch met licht nafluitende oren naar het grootwarenhuis en mochten ze allebei een minikarretje. Alert als ik ben, had ik onderweg al een verbod tot racen uitgevaardigd, er geen rekening mee houdend dat er talloze andere manieren bestaan om met karretjes om te gaan; achterwaarts rijden, heel langzaam langs enkels van argeloze winkelaars schuren en de ultieme kick: voor het eerst kapseizen met een volle minikar door op de achterkant te gaan staan.
O ja, de heksenmoeder was boos en in de veilige geluidsisolatie van haar huis durfde ze eindelijk een paar vervloekingen uit te spreken, waarop haar kinderen haar gedecideerd lieten weten dat ze 'een stoute moeder was' en zich in gesloten formatie een verdieping hoger terugtrokken.
Het was nu hen tegen mij. Voor even dan toch: een kinderleger doet alleen maar aan blitzaanvallen en binnen de kortste keren raakt zo een bataljon alweer verdeeld en worden er pogingen ondernomen om de slechterik in hun kamp te krijgen. Dat was de strategie van poppy althans.

Meestal begint de interne strijd der dwergparacommando's met volgende klassiekers: er roept er eentje "voor het eerst naar boven" (met allerlei variaties op het thema) en iemand raakt daarbij net niet dodelijk gewond. Of ze vinden een stuk prehistorisch speelgoed onderaan de kist waarmee nooit gespeeld werd maar dat nu van onschatbare waarde blijkt te zijn. Of een hilarisch schijngevecht met zwaarden ontspoort door een afwijkende oog-armcoördinatie . Het struikelen over de eigen voeten wordt niet als zodanig ervaren. En ga zo maar door. Vandaag werkten mijn schatten - je moet ze bijna bewonderen - het hele programma achter elkaar af.
De strijd bereikte uiteindelijk zijn climax. Vanuit verdieping twee werd terug toenadering gezocht:
"Mama! Prins heeft aan mijn haar getrekt!"
"Mama! Prins heeft mijn oog uitgesteekt!"
"Mama! Prins heeft mij gestoot en ik ben heel hard gevalt!"
Volgens mij denkt poppy dat ze de pijn beter kan overbrengen wanneer ze haar voltooide deelwoorden fout vervoegd. Prins zei helemaal niets. Die hield zich gedeisd in zijn loopgraf.

Dus wanneer poppy na het avondeten voorstelt aan haar vader om met de fiets 'te gaan wandelen', heeft deze moeder helemaal geen bezwaar meer. Fiets, vader, fiets! Fiets, tot dat keikopje van een dochter volledig leeg gewaaid is. Fiets! Tot de tong van zoonlief op zijn vermoeide tenen hangt. Fiets! En straks als je die dappere soldaten uitgeput over de drempel draagt, zal ik ze liefdevol in bed leggen. Ik weet dat de slaap van alle kinderen terug elfjes maakt. Alles zal stil zijn. En vredig.

Brokken maken 3 juli 2010

Mijn kinderen zeggen wat ze denken. Ze doen dat luid en duidelijk. Voor de slechte verstaanders binnen een straal van 100 meter willen ze het graag nog eens herhalen. Laten we zeggen op een zonovergoten terras waar we bediend worden door een zweterige jobstudent. Op zijn gelaat voeren puisten in diverse ontwikkelingsstadia een hevige strijd voor braakliggend land om zich voort te planten. Uit de intense blik van mijn dochter kan ik gemakkelijk voorspellen wat er gaat volgen.

"Mama?"
Daar gaan we dan.
"Ik weet wat dat is."
Ze strekt haar vinger uit naar het onfortuinlijke gelaat.
"Dat zijn de waterpokken."
Ik weet proefondervindelijk dat negeren niet helpt, maar ik heb op dat moment geen geniale inval om dat tsunamikind in te tomen. Ik kan haar er toch maar moeilijk op wijzen dat we hier te maken hebben met een ongeziene puistenplaneet.
"Mama (een toontje hoger nu), dat zijn wa-ter-pok-ken!"
Het mag gezegd worden, dat kind van mij kan fantastisch goed articuleren. Is gezegend met een vèrdragende stem ook. Ik probeer het met een mini-ssstje, tussen mijn tanden door, maar poppy is zodanig verguld met haar diagnose dat ze het woord nog eens luidkeels proeft.
"Wa-ter-pok-ken!'
Dus nu zijn we er zeker van dat iedereen het gehoord heeft, behalve prins die dromerig aan zijn drankje slurpt. Godzijdank, want hij had haar diagnose graag met grote stelligheid in twijfel getrokken. Ik moet er wel bij vermelden dat mijn zoon meestal iets voorzichtiger is. Hij trekt geen voorbarige conclusies, maar doet eerst een vragenronde.

Laten we zeggen aan de kassa van een grootwarenhuis, terwijl we aanschuiven achter een reuzenvrouw die hun eigenste moeder gemakkelijk met één klap zou kunnen vloeren.
"Mama, is dat nu een mevrouw of een meneer? Je zegt het niet, mama, zeg het dan, is het een mevrouw of een meneer?"
"Een mevrouw, zoon, met wat teveel aan testosteron. Misschien wel een verdwaalde reuzin, die ons straks meevoert in haar kar naar haar reuzenhuis, ons stooft in haar reuzenketel en opeet. Jou het eerst, want kinderen met oranje haar zijn naar het schijnt het lekkerst."
Dat denk ik dan, maar dat zeg ik niet. In plaats daarvan begin ik maniakaal in het snoepgoed te graaien.

Mijn kinderen zeggen wat ze denken en ze krabben waar het jeukt. Ze maken met de glimlach brokken. Hun moeder negeert hen, zegt ssst, geeft stiekem een por, trapt zogenaamd per ongeluk op het kindervoetje, knijpt in een armpje en af en toe doet ze net of het haar kinderen niet zijn.

Maar vandaag doen de huisgenoten helemaal niks: ze hangen, liggen, zitten, ze knabbelen, slurpen, zuchten, ze gapen, krabben, wiebelen, doen hun monden open voor een halve zin en zwijgen weer omdat niemand de moeite doet om echt te luisteren. Want er wordt weer gevoetbald op tv en het brein van mijn beeldbuislievelingen staat in reptielenmodus. Het moederbeest is veilig.

Tandbederf 1 juli 2010

Oma en opa hebben een sprookjestuin met spannende verstophoekjes, een boomhut met ramen, landkaarten, boekenleggers, schatkisten en een bureau erin. Bij hen is er ongelimiteerde waterpret en elke beginnende oorlog wordt vakkundig met gesuikerde en andere afleidingsmanoeuvres in de kiem gesmoord.

Vandaag is het aan mij. Ik val uiteraard nog liever dood dan één of ander vuil, tandbedervend trucje te gebruiken. En omdat bij deze heksenmoeder elk spatje chaos een bron is van ongeduld en gekijf, heeft ze gisteren al gepland om met de kinderen naar de speeltuin te wandelen. En ze neemt geen boek mee waarin ze op een bankje rustig kan verdwijnen, terwijl de kinderen van wip naar klimrek dwarrelen. Bij vakantie hoort actief moederschap, desnoods gaat ze de glijbaan af, al blijft ze halverwege hangen, zo stoutmoedig is ze.

We starten met enige vertraging omdat kleine Imelda vindt dat prinsessenschoenen wel op wandelschoenen lijken, maar een kinderhoofd is zorgeloos en al snel zingt ze uit volle borst haar persoonlijke versie van de Macarena : " Daaaar is ma-ca-roni, a-jè". Op het familiefeest laatst was zij de kleinste en de enige die telkens een tel te laat haar pasjes deed tijdens een Von-Trappachtig optreden. Iedereen smolt en ik bedacht met spijt dat de jaren waarin mijn fouten schattig bevonden werden al heel lang voorbij waren.
Prins zijn hoofd staat niet naar lichtvoetig gezang; hij weet op welke plekken de honden gaan blaffen, waar mama de eekhoorntjes heeft gezien tijdens het joggen, op welke plek er een insect aan haar neus is ingevlogen,... En telkens weer moet ik elk verhaal opnieuw vertellen zonder een detail over te slaan. Er zal vast wel een wetenschappelijke verklaring zijn voor het feit dat een heksenmoeder bij deze temperaturen onmogelijk kan wandelen, nadenken en praten tegelijk. En welgemoed wordt ze ook al niet van het om de haverklap moeten stoppen om steentjes, takjes, blaadjes en onooglijke stofjes uit schoenen te halen.

Er is geen kat in de speeltuin. Je moet wel echt een dwaze moeder zijn om je kinderen in dit bloedhete, smeltende paradijs neer te poten. Er is nergens schaduw, behalve op een bankje aan de rand van de speeltuin. Daar zit ik dan, bestoft en dorstig, kijkend naar die twee dappere kinderen van mij: ze fladderen zelfs niet eens meer van glijbaan naar zandbak, slepen zich moeizaam verder als een stel verdwaalde woestijnratjes.
Er zit niets anders op dan met een frisdrank onder een parasol weg te kruipen en onderweg nog eens te stoppen aan de Crèmedaus voor twee bollen ijs in een megahoorntje. Het zal vast wel meevallen met dat tandbederf.

Tijdens het avondeten neemt hun vader het van me over: tijd voor een fietstocht! Alarmfase 7 wordt afgekondigd ergens ter hoogte van mijn borststreek, want het gaat hier wel over mijn kleine ridder op zijn stalen dwergros zonder harnas en helm en beschermende magische spreuken. Omdat ik erg goed ben in toekomstig ongeluk, begin ik omstandig alle ongelukken van de laatste tien en een half jaar te bespreken met de vader van mijn kinderen, die al snel zijn wenkbrauwen tot in zijn nek probeert op te trekken. Maar dan zie ik de blik van mijn kleine pedaalridder; een mengeling van teleurstelling en angst. Dus slik ik mijn woorden dapper in en laat de troepen gaan. Bij dit avontuur zullen ze alleszins geen gaatjes in hun tanden oplopen.

Alhoewel, de aanvoerder van het peloton laat me net telefonisch weten een tussenstop gemaakt te hebben aan de Crèmedaus. Twee bollen ijs per kind. Dan ga ik dus nu even de tandenborstels opladen.

Kwali-tijd 30 juni 2010

Omdat mijn soepkinders niet meer zo vroeg uit de veren moeten, is er 's avonds bij het naar bed gaan terug tijd voor wat conversatie. Zo weet poppy mij te vertellen dat ze later juf wil worden ... of nee, toch liever mama. Ze houdt haar hand voor haar borst: 'eerst een jongen', de hand gaat naar het middenrif: 'dan een meisje' en in de onderbuik is er maar net plaats voor 'nog een jongen'. Voila, de babyflat van poppy.

“En dan ben jij oma en mag je geen hakken meer aan.”
Mijn vijfjarige dochter kan het niet laten om op haar verloren strijd terug te komen; ze mag van die boze heksenmoeder haar plastieken prinsessenschoenen mét hakken niet aan voorbij de voordeur.

Mijn geheimzinnige prinsenzoon lost geen woord over zijn toekomstdromen. Hij duwt me zijn pluchen speelgoeddraak - die in geen enkel geval met ‘knuffel’ wil worden aangesproken - onder de neus en ik moet stemmetjes doen. Zijn favoriete act is die waarbij de onhandige draak zijn pestkopvriend Aja een lesje zal leren. Tijdens verwoede pogingen om Aja onder zijn klauwen te pletten, berokkent hij vooral zichzelf schade. Prins valt gierend van pret achterover in bed, wanneer de draak niet blijkt te kunnen vuur spuwen met zijn dichtgenaaide mond en tot zijn grote ontsteltenis ook moet vaststellen dat hij geen vleugels blijkt te hebben.

's Morgens gaan we ontbijten in de Panos - nog even voordat ik ga werken - want de buik van poppy 'kraakt' van de honger. Prins leest op weg naar croissant en worstenbroodjes - de verkoopster verzekert mij dat dit 's morgens wel meer gegeten wordt - alle woorden die hij tegenkomt op ramen en affiches. Ik veronderstel dat hij nog een beetje moet afkicken, maar ik voel ze al: de vakantiekriebels.