Tussen twee stilten

Wij woonden tussen de gynaecoloog en de begrafenisondernemer. Als beeld kan dat tellen. Het begin en het einde en daar dan middenin ons gezinslawaai. Alleen, het klopt niet helemaal. Eerst is er de begrafenisondernemer. Dan de gynaecoloog, die ondertussen verhuisd is. En wij als afsluiter. Of omgekeerd, dat hangt ervan af of je de stad in- of uitloopt. Maar toch, ik vind dat schoon, het leven samengebald op een paar vierkante meter.
De dichter J.C. Bloem schreef: Niet te verzoenen is het leven/Ten einde is dit wellicht nog ’t meest/ Te kunnen zeggen: het is even/tussen twee stilten luid geweest.” Mijn kinderen staan luidkeels in het begin van het leven en nemen elke dag een beetje meer ruimte in. Of dat geen pijn doet, zo hard groeien, vraag ik hen wel eens. Met stiltes houden ze zich niet al te veel bezig, maar zo nu en dan hebben ze het er wel eens over.
Zo deelde poppy ons onlangs tijdens het eten droogjes mee:
“Als ik kindjes heb, dan wordt mama oma en dan ben jij (ze richt zich tot haar oma) dood.’’
De ondraaglijke lichtheid van het bestaan door poppy L.. Dood is maar een woord voor haar. Iets abstracts. Iets dat niet vastgepakt kan worden. Zo goed als niks dus.

Voor ons, grote mensen, ligt dat gevoeliger. In ons archief slaan wij de beelden op die bij het afscheid horen. Daar, in mijn beeldengalerij, zie ik moeke, die mij vanuit haar zetel opdraagt om de katten weg te jagen. Ze is op terugweg naar het prille begin en heeft van mij haar nicht gemaakt. Haar kinderen zijn terug baby’s en de kast zit vol katten die enkel zij kan zien. Kssst, zeg ik en wapper met mijn handen de poezenbeesten uit haar jeugd weg. Ik heb er geen idee van of ze haar doel bereikt heeft, de cirkel heeft kunnen rond maken. Ik kan niet weten of ze uiteindelijk aangekomen is in de veilige haven van de moederschoot, maar ik hoop van wel.
Niet zoveel later schrijf ik een brief naar een ter doodveroordeelde jonge man in Amerika in een stoel naast het ziekenbed van een andere veroordeelde, mijn vake. Of ik natte washandjes op zijn voeten kan leggen? Ze gloeien zo erg, zegt hij haast verontschuldigend. Om de zoveel tijd ververs ik ze en dan glimlacht hij dankbaar. Het helpt, zegt hij. Maar het heeft niet tegen het sterven geholpen want even later verwaait de muziek van de harmonie al vals over onze hoofden terwijl we hem naar het kerkhof begeleiden. Ik weet niet of hij zijn vrouw die hij maar moeilijk kon missen ondertussen heeft teruggevonden. Ik kan dat niet weten, maar ik hoop van wel.
Mijn tante staat langs de zijlijn te foeteren op de scheidsrechter. Ze is levenslustig en fel en voor niets of niemand bang. Ik zou kunnen beweren dat ik perse dat beeld intact wilde houden, en dat ik haar daarom niet meer bezocht heb. Maar dat is slechts de halve waarheid. In feite ben ik een schrikschijter. De brute, inwendige vijand had haar zo zwaar beschadigd. Ik durfde niet. Ik heb er geen enkel idee van of je na zo een moedige, lange strijd beloond wordt met één of andere hemel. Ik kan dat niet weten, maar ik hoop van wel.
Enige tijd daarna vertelt mijn bompa me in het bejaardentehuis dat hij klaar is om te gaan. "Ze verzorgen me hier goed", zegt hij, "maar ik zit in een kooi. Een gouden kooi. Het vogeltje zit in een gouden kooitje en zingt niet meer." Tussen de zeldzaam opdrogende woordenstroom van zijn vrouw, vertelt hij zo nu en dan over vroeger. Hij kan dat goed. Dat hij als kind kwaad was geweest op de ooievaar. Dat hij zich afvroeg waarom ze hem bij zijn ouders op de stoep had gegooid en niet een beetje verderop bij de dokter. De lampjes in zijn ogen floepen steevast aan als hij vertelt. Ik weet het wel, ik ben te weinig verhalen bij hem gaan halen. Er waren er nochtans genoeg. Misschien is hij door die tunnel gegaan, je weet wel, die tunnel vol licht en stonden ze hem daar op te wachten met vleugels. Doe ze maar aan Jan, zeiden ze tegen hem, ge moogt vliegen tot ge niet meer kunt. Ik weet niet of zoiets mogelijk is. Ik kan dat niet weten, maar ik hoop van wel.
Mijn poatje ligt heel stil naar me te kijken. Recht in mijn hart kijkt ze. Praten lukt niet meer. Het hoeft niet, zeg ik sussend alsof ik degene ben die 92 is, ik ken al je mooie verhalen nog wel. Rust maar even. Ik meen er niks van. Ben verdomme kwaad dat ze haar de rode draad die ze zo lang heeft kunnen vasthouden in haar lang uitgesponnen verhalen over de mensen in haar wereld, zomaar hebben afgepakt. Heel erg broos is ze in haar kraakwit nachtkleedje met hier en daar een teer, blauw bloempje erop. Ik durf haar bijna niet aanraken uit angst dat ze zou verpulveren. En tegelijkertijd wil ik haar als een baby in mijn armen nemen en heel hard weglopen, maar waarnaar toe? Zou het kunnen dat ze nu op dit moment haar draad terug opgepakt heeft? Dat ze daar ergens in de verte voor een groot en aandachtig publiek hebben gezorgd? Ik weet het niet. Maar ik hoop echt van wel.

Mijn kinderen hebben geen beelden van definitief afscheid. Voor poppy is sterven zelfs niet eens voor altijd. Wanneer is tante F. nu niet meer dood, vroeg ze onlangs nog. En het is enkel hun eigen begin dat hen kan boeien.
“Vertel nog eens van toen ik geboren ben”, zegt prins.
“Je zat in mijn buik,” begin ik.
“Ja, helemaal rechtop. Zo.”
Mijn lichtgewicht Boeddha kruist zijn benen.
“En ik helemaal ondersteboven,” lacht poppy in kopstand.
“En toen ik klaar was, heeft de dokter de buik van mama opengesneden.”
Prins kijkt me haast verontschuldigend aan.
“En ik zag er helemaal krom en scheef uit.”
“Maar het is wel goed gekomen, want nu ben je mooi.” vult poppy verder aan. “Maar hoe kwam ik er dan ook weer uit?”
Ik wijs vaagweg naar beneden.
“Door de geboortepoort. Mama drukte je er als een keuteltje uit.”
Daar moeten mijn kinderen heel hard om lachen.
“En ik was jarig toen”, gaat prins verder, “Oma bracht chocotaart mee en ik mocht die met al mijn vingers opeten.”

Even later zitten de kinderen in bad met elkaar te praten.
“Ik heb gedroomd dat wij getrouwd waren en toen had jij kindjes,” vertelt prins.
“Dat is een goede droom,” zegt poppy. “En ga je dan ook echt met mij trouwen?”
Ze klinkt hoopvol, maar broer lijkt niet geneigd om zich met haar te verloven.
“Dan ga je dood,” deelt poppy hem enigszins gepikeerd mee, “want wie gaat er dan eten voor jou maken?”
En dan wordt zonder schijnbare overgang de waterpret hervat, want de badkamer staat nog niet blank. Poppy schatert wanneer prins kopje onder gaat. Prins krijgt op zijn beurt de slappe lach en samen trekken ze me luidkeels uit mijn gedachten over die laatste stilte hun lawaaierig plezierpaleis binnen.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn