ann schribbelt

ann schribbelt

donderdag 30 december 2010

The lady in pink in 2011

Het nieuwe jaar, wij hebben dat nodig. Pas dan, en geen seconde eerder, kunnen we als een slang uit onze oude huid kruipen en glad, glanzend, nieuw de rest van ons blinkende leven inglijden. In december zitten we nog in een impasse; we zijn moe, leeg, op, klaar voor winterslaap en de vergetelheid. Maar in januari worden we wakker, klaarwakker, en strekken ons uit. In december proppen we onze logge lijven vol voedsel, gieten de drank in wijd opengesperde kelen (met een trechtertje, zo u wil), liggen als bleke padden in één of andere zetel te vegeteren. Maar in het nieuwe jaar schieten we in onze loopschoenen, rennen onszelf voorbij, geven schrikachtige eekhoorns het nakijken en pompen onze vege lijven vol zuurstof. De voedselpiramide wordt opgeruimd weer afgestoft. Want zijt gerust, uit de schamele ruïnes van wat ooit ons lichaam was, zal een triomfantelijke kathedraal oprijzen, met onder de gewelven voldoende ruimte voor de echo’s van een gezonde geest. Want we gaan de namen van bomen terug vanbuiten leren. Op internet opzoeken of eekhoorns een winterslaap houden. De hoofdsteden van landen inoefenen, zodat we de brandhaarden uit het nieuwsbericht van volgend jaar, dat we nooit of te nimmer zullen overslaan, blindelings op een kaart kunnen aanwijzen. We zullen het hooggebergte van de literatuur beklimmen en zonder vrees de verraderlijke kloven van soaps en reclameblokken overbruggen. Totdat we er een kennisindigestie aan overhouden en in discussies enkel nog brokken pure eruditie kunnen uitbraken. En ’t is nog niet gedaan. Bijlange niet, bijlange niet. Want in december jagen de huisgenoten ons nog met gemak op de kast, vanwaar wij hen oorlogszuchtig de kop afbijten. We parkeren onze kroost dubbel in alle hoeken van het huis. Als de geliefde ons al eens aan wil zetten, geven wij beeld zonder klank. Maar in het nieuwe jaar ademen we zen uit al onze poriën. Uit een zee van rust scheppen we handenvol geduld. Streng zijn we, maar rechtvaardig. Consequent, maar met een garnituur van tederheid. ’s Morgens valt er een heel nieuw licht op de ronkende geliefde. Want wat we in het oude jaar niet zagen, verblindt ons nu. Zie, daar rust een zachtmoedige, blonde god. Waren wij vergeten dat hij voor ons, aardse mormels, afdaalde uit de hemel en afstand deed van gouden vleugels? En hoe lieflijk weerklinkt ons kinderkoor door de muren. Zo zal het zijn in het nieuwe jaar. En niet anders.
En terwijl we in december als batterijkippen op de loopband naar het werk rolden, zullen we in de kakelverse maand enkel nog dromen najagen. Al die jaren voordien waren slechts voorbereiding op de sprong in het (creatieve/ambitieuze) duister. De droom breekt uit zijn ei. Het werd tijd. Van de angst die al jaren aan ons meelijwekkende wezen kleeft, scheuren we ons met één beweging los. In december waren we nog bijna niks. Nu zijn we alles! Dit jaar verdient bubbels en vuurwerk! Hierop hebben we gewacht!
Hierop heb ik gewacht. Maar op de valreep valt er een geschenk van mijn neef Sam in de bus, mijn verjaardagsboek. Oscar and the lady in pink by Eric-Emmanuel Schmitt (Oscar et la dame rose). Op de omslag zie je hem vliegen (de beginletter van zijn naam als hoofd) op een potlood over de daken van een groepje witte huizen. In een persoonlijk berichtje op de eerste pagina laat Sam mij weten dat Oscar voor hem dit jaar het kleinste boekje was met de grootste impact. Wat maar weer eens bewijst dat een dun boek geen lichtgewicht hoeft te zijn. Oscar is tien jaar oud en stervende (en voordat u, beste lezer, afhaakt, het is niet ‘zo’n’ boek). Hij wordt egghead genoemd, woont in het ziekenhuis en krijgt bezoek van Granny Rose, de oudste van de ‘ladies in pink’ die zieke kinderen bezoeken. Ze worden vrienden en Granny daagt hem uit een spel te spelen: twaalf dagen lang moet Oscar doen alsof hij elke dag tien jaar ouder wordt in een verzonnen toekomst. In het boek vertelt hij daarover in zijn brieven aan God. Mijn huisgenoten waren de deur uit om de auto op te gaan halen bij de garagist en hadden in hun vlucht de DVD van Het Eiland laten opstaan. Terwijl op de achtergrond Alain Vandam hysterisch lachte, greep het boek mij bij de keel. Er zijn boeken die je veranderen. Ik wist dat al, maar telkens opnieuw als het gebeurt, ben ik stervensgelukkig. Wat heeft dat boek in hemelsnaam te maken met al die goede voornemens? U vraagt zich dat af. Geduld, mijn eindejaarslezer, weldra zal alles duidelijk worden.
Laat ik snel verdergaan met de schittering van het nieuwe jaar. Ik wil met u zelfs de oefening maken. Later we er hier een beetje vroeger aan beginnen.
1 januari: we heffen het glas, want het is zover. Ons vuurwerk kan beginnen!
2 januari: lopen met dit weer is onverantwoord en we denken zelfs dat het aangewezen is om ons lijf eerst te ontgiften. Nadat we de restjes van de vorige dag hebben leeg gemaakt, welteverstaan.
3 januari: de parkeerplaats in hoek één wordt reeds ingenomen door een ongehoorzaam kind.
4 januari: de voedselpiramide is verloren geraakt onder de nieuwjaarswensen.
5 januari: de gevallen engel valt op door zijn afwezigheid.
6 januari: wij waren even vergeten dat strijken zonder een glas wijn veel weg heeft van slavenarbeid en zetten het glas even terug recht.
7 januari: een handvol chips als ontbijt mag als de rij bij de bakker te lang is. En het is nog steeds te koud om te lopen.
8 januari: bokkensprongen in het duister, was dat niet meer iets voor jonge mensen?
9 januari: wij bakken er helemaal niets van, van onze voornemens. Dan valt mijn oog opnieuw op het boek van Oscar. Ik kan het niet laten om het even tegen mijn hart te drukken, blader het door (durf zelfs denken: het ritselen van de vellen papier, zo moeten engelenvleugels welhaast klinken) en word er opnieuw door meegesleept. Maar vooraleer ik het dicht kan slaan, spreekt Granny Rose mij streng toe: “Hey Sister,” roept ze. “Wat was dat daar allemaal met die goede voornemens ( ze trekt een gezicht alsof ze stront ruikt)? You must be kidding! Goede voornemens, ammehoela! Daar gelooft toch geen mens meer in! Larie en apekool! Ouwe koek! Drab! Lucht! Shame on you, woman! Laten we een spel spelen, sister: daal eens af in jezelf!”
En, beste lezer, als Granny Rose je wat vraagt, dan doe je dat gewoon. Dus daar sta ik aan de afgrond, laat mezelf neer aan touwen. De goede voornemens halen vals uit met scherpe klauwen, maar ik kan ternauwernood aan hen ontsnappen. Het duurt even vooraleer ik aankom waar ik zijn moet, in die ruimte naast de tijd, daar waar het tastbare overschreden wordt. Wat daar stroomt laat zich moeilijk beschrijven: beelden, wrakhout van herinneringen, woorden, gonzende stemmen, resonerende muziekflarden. Ik voel me er onmiddellijk thuis. Aan de oever ligt een pen. Het is geen Parker. Geen dure pen. Maar ze draagt mijn signatuur. Ik denk aan Oscar en klim erop. Op 9 januari zal het mij duidelijk worden: ik moet gewoon verder gaan, de flits van inspiratie volgen en regelmatig langs de kwestie vliegen. Ik zal opstijgen en de stuiptrekkende voornemens geen blik meer waardig gunnen. Ik zal opgelucht zijn.

vrijdag 24 december 2010

In 'Den Engel'

Het is kerstavond en de koning denkt na. Naar jaarlijkse gewoonte heeft hij zijn chauffeur opgedragen om zomaar wat rond te rijden. Daar wordt onze vorst rustig van. En met de rust in het hoofd komt ook de inspiratie voor de jaarlijkse kerstboodschap. Toch wil het dit jaar maar niet lukken. Uren rijden ze nu al rond. Wat wil je ook , denkt hij vermoeid, met die economische crisis, die aanhoudende burenruzie in mijn koninkrijk en in het venijnige staartje nog een clerus die zich vreselijk misdraagt. In tegenstelling tot zijn godsvruchtige broer heeft hij er absoluut geen zin meer in om ook dit weer met de hermelijnen mantel der liefde te bedekken. Met de Koninklijke poten stevig in de Belgische potgrond geplant, verkiest hij de tastbare, koele pint boven het plakkerige prakje dat ze in het hiernamaals schijnen te serveren.
Muurvast zit hij met zijn toespraak. Met dichtgeknepen ogen tuurt hij naar buiten waar een hysterische wind witte vlokken tegen de voorruit jaagt. Paola zal vast wel weer ongerust zijn, maar naar huis kan hij nog niet. De rustige basstem van de chauffeur haalt onze vorst uit zijn overpeinzingen.
“Ik ben de weg kwijt.”
“Ik ook, Jean-Pierre,” verzucht Albert. “Ik ook.”
Tot zover het oog reikt is er geen huis, man of muis te bespeuren en de vorst wil net een grapje maken over alle wegen die naar Laken leiden, wanneer de motor onheilspellend begint te sputteren en vervolgens stilvalt. Het mobieltje van de chauffeur geeft geen teken van leven meer en de koning heeft het zijne vergeten op het Koninklijke toilet (de toespraak werkt hem namelijk niet alleen op de zenuwen). Daar zitten ze dan. Gestrand in een onherbergzame nacht die hen weigert te omarmen. Net op het moment dat de plichtsbewuste chauffeur beslist de sneeuwstorm te trotseren om hulp te gaan zoeken, houdt een aftandse Lada halt langs de schipbreukelingen. Een bruin geschminkt hoofd met kroon piept nieuwsgierig door het moeizaam omlaag gedraaide raampje. Of er problemen zijn met de dikke bak onder het gat van de heren, vraagt het vreemde heerschap met enig leedvermaak. En of ze er misschien genoegen mee nemen om een lift te aanvaarden naar ‘Den Engel’ alwaar ze eventueel kunnen telefoneren. De chauffeur, die aanstalten maakt om uit te stappen, merkt tot zijn verbazing dat zijn werkgever hem op de voet volgt. Wat scheelt er vandaag toch maar met de vorst, vraagt hij zich ongerust af.
De bestuurder van de auto draait na een blik in de achteruitkijkspiegel in opperste verbazing zijn hoofd in de richting van de vorst en roept geamuseerd:
“Maar ziet dat hier toch eens aan! Makker, gij hebt echt wel niet veel moeite moeten doen om u te verkleden. Twee druppels water den echte, zeg ik u. En een dikke bak erbij gehuurd met een chauffeur nog wel. Chapeau, man, dat is echt af!”
Enthousiast steekt hij zijn hand uit naar de koning.
“Aangenaam Sire, mag ik me dan zelf even voorstellen: Melchior is de naam. En dit hier…”
Hij kruist zijn armen om zijn buur aan te stoten.
“…is de u welbekende Casper.”
Casper staart de vorst een tijdje ongelovig aan en hakkelt dan:
“Nu zakt mijn broek toch bijna af…. Dat… dat… moet toch ook echt lukken, dat… dat… dat onze Jos vandaag met … met de griep in bed ligt en dat… dat we hier nu op straat een vervanger tegenkomen. Dat… dat…dat verzint een mens toch niet zelf.”
De chauffeur voelt zich met de minuut ongemakkelijker, maar de koning lijkt het allemaal hoogst vermakelijk te vinden. Tijdens de rit met de auto, leggen de twee kersverse koningen uit dat Louis en Magda van café Den Engel de ware beschermengelen zijn van de solitairen. Dankzij hen gaat het voor hen geen eenzame kerst worden. Melchior is in een vechtscheiding verwikkeld en de vriendin van Casper ging bij wijze van emancipatorische grap twee jaar geleden sigaretten kopen. Terwijl Albert ontspannen naar de verhalen luistert van zijn olijke collega’s wordt zijn aandacht ineens getrokken door iets merkwaardigs. Hij knippert een paar keer met zijn ogen om zichzelf er van te overtuigen dat hij geen spoken ziet. Maar ze blijft daar hangen, in de verte, hoog in de lucht, een ster, met ongeziene helderheid.
“Die heeft onze Louis op zijn schoorsteen bevestigd,” haalt Melchior hem uit zijn droom.
Maar zelfs deze wetenschap doet niets af aan het feit dat de koning zich geborgen voelt. Vereerd zelfs. Alsof hij ineens deel uit maakt van een belangrijk en hartveroverend verhaal. Deze avond is hij één van de drie koningen en ze volgen de weg naar de ster. Dichter bij het ware kerstverhaal is hij nooit eerder geraakt. Dat café “Den Engel” er nogal schabouwelijk uit ziet met een reeks vrouwentongen voor het raam, hoort volgens de vorst eenvoudigweg bij de sfeer van het verhaal. Een discobal spat veelkleurige stralen door de ramen en de koning vangt ongewild een blik op van twee tongkussende engelen. De beschermheren zijn blijkbaar in hun opzet geslaagd. De chauffeur echter deelt zijn enthousiasme niet en stelt nogal geaffecteerd aan de koning voor om in de auto te wachten, waarop de collega vorsten in een smakelijke bulderlach uitbarsten.
“Geweldig hoe die gast in zijn rol blijft,” stoten ze elkaar aan met tranen in de ogen.
Dan baant het Koninklijke gezelschap zich een weg tussen de heupwiegende, drinkende engelen, Maria’s en Jozeffen. Een groot uitgevallen Jezus met een sjaal van Standaard rond zijn aapachtige torso en een wat laaghangende luier staat op een geïmproviseerd podium “Love me tender” te zingen. Alsof het zo voorbestemd was, blijken er nog net vier plaatsen vrij te zijn aan de toog. Vlak naast een gigantische kerststal, die overdadig versierd is met flikkerende lichtjes maar op de kribbe na helemaal leeg blijkt te zijn.
“What the f…, Louis, waar zijn die verdomde beelden waar ik gisteren mijn rug haast op gebroken heb,” roept Melchior ontzet uit.
“Hoe, gij weet van niks?” bromt Louis ongelovig.
Hij wordt onderbroken door de ezelskop die zijn glas bier noodgedwongen met een rietje zit uit te slurpen. Vanuit zijn opengesperde muil galmt hij hen verontwaardigd toe:
“Gepikt zijn ze! Gewoon gepikt! Kunt ge dat nu geloven? En ik durf te wedden dat het weer van die zwarte mannen zijn die erachter zitten.”
Vanachter zijn hand fluistert Louis hen toe dat ze er niet te veel aandacht aan moeten besteden. Ezel moet drie jaar in de rij gaan staan voor een sociale woning. Met al zijn miserie komt dat er ook nog eens bij. De chauffeur, die aan de andere kant van de toog aan het telefoneren is, kijkt ongerust toe. Melchior port de ezel plagend in zijn zij.
“Wat zegt gij nu toch allemaal? Wat kunnen die mannen nu aanvangen met onze Jezus? En Marie en Jozef? Die geloven daar toch niet in. Die hebben toch die andere, dju, … die andere, … hoe heet die ook weer, … maar enfin, die andere, … allez nu, … ik zou het duizend keer kunnen zeggen…”
“Mohammed,” vult de koning gedienstig aan en neemt een flinke slok van het bier dat hem door Magda ongevraagd wordt voorgezet.
Het bier smaakt hem wonderwel. De speech is hij helemaal vergeten en de vreemdsoortige kakelende lach die Magda produceert nadat zij hem op haar beurt herkend heeft, werkt echt aanstekelijk.
“Ge moet gaan optreden, mijn beste man!” giert ze. “Met u is geld te verdienen.”
Maar dan zwijgt ze plotsklaps, kijkt verbaasd in de richting van de deur. Tegelijkertijd voelt de koning een koude vlaag wind tegen zijn rug opslaan. Halverwege een maat van Jailhouse rock valt ook Elvis/Jezus stil en het geroezemoes verstomt. Over hun schouders heen staren de koningen naar de man en de vrouw die in de deuropening staan.
Onder een versleten mannenjas draagt de vrouw een lange, felblauwe sarong. Haar gepijnigde blik is echt. En ook haar bolle buik die ze met twee armen omklemt. De man ondersteunt de vrouw en roept paniekerig in gebroken Engels: Is coming. Is coming. Baby is coming! Een ogenblik lang blijft iedereen perplex toekijken. Gebeurt dit wel echt? Kerstavond. Sneeuw. Engelen. Koningen. Een (stomdronken) ezel en – tadaaaa! - de echte Jozef en Maria. Iedereen komt plotseling tegelijk in beweging. De kerststal wordt heringericht als bevallingskamer. En terwijl Magda die tien kinderen gebaard heeft haar mouwen opstroopt, improviseert Ezel een gordijn om de echte Maria aan het zicht van de cafébezoekers te onttrekken. Er wordt druk gespeculeerd over de afkomst van de ouders. Pakistanen! Of Marokkanen? Indiërs! Turken? Het kan van alles zijn voor het ongeoefende oog. Asielzoekers, meent een tengere engel. Anders loop je toch niet zomaar rond in dit vreselijke weer. Een diep medeleven voor het zwervende koppel ontkiemt in de eenvoudige harten van de cafégangers. Het voelt toch anders aan als je er met je neus op staat, fluistert het engeltje. Een kaalhoofdige Jozef organiseert op de valreep nog een weddenschap over het geslacht, maar al bij de derde inning van 1 Euro, snijdt een oerkreet door de ruimte, gevolgd door de rauwe welkomstkreet van het kind. Spontaan breekt er een applaus los. Iedereen omhelst elkaar als waren zij plots familie van deze pasgeboren koning.
“Dichter bij het kerstverhaal kom ik nooit meer,” mijmert Albert opnieuw.
Vanachter het gordijn wenkt Magda hevig gesticulerend naar de drie koningen.
“Jullie mogen als eerste,” fluistert ze. “En vergeet het geschenk niet.”
Uit zijn broekzak diept de vorst de stuiterbal op waarin zijn jongste kleinkind vandaag bijna gestikt was en Melchior en Kasper plunderen de kast achter de toog wat hen een Marsreep en een pakje veelkleurige kauwgumballen oplevert.
Een bijzonder schoon kind is het, met een felle blik en pikzwarte haren. De koningen pinken een traantje weg. Achter de gelukkige ouders staat ook Ezel ontroerd (wat je uiteraard op het eerste zicht niet kan zien) toe te kijken. Hoop vult onverwacht zijn koude hart. De daaropvolgende weken vertelt hij aan iedereen die het horen wil het verhaal opnieuw en opnieuw. Hoe ze daar ineens zomaar in de deuropening stonden, Maria en Jozef, met een aura van licht om hen heen.

zaterdag 18 december 2010

Afblijven!

De conversatie tijdens het voorgerecht in de pastabar G&G gaat over buikaangelegenheden. Onze collega heeft verstek moeten laten gaan, want, alhoewel zij er van ons allerminst op moest, heeft ze de hele nacht op de pot gezeten. Iemand sluit daar tijdens het hoofdgerecht elegant op aan door luidop de kwaliteit van vlees en vis te betwijfelen. Hoofdschuddend vraagt hij zich af welke vuiligheid er allemaal in ons voedsel zit. Wij geven hem overschot van gelijk en eten alles op.
“Binnen honderdduizend jaar leveren wij alleen nog bionische kinderen af, “ zeg ik grappend.
“Welja,” valt een collega me bij. “Tegen die tijd maken we kinderen op maat.”
Waarop ik haar gedachtegang verder concretiseer in de website “Zap-Foetus” waarop je met enkele muisklikken je foetus kan samenstellen.
In de bus gaat mijn fantasie onder de weldadige invloed van wijn en Limoncello helemaal met me op de loop. Ik maak een verbeeldingsvolle sprong in een tijd, waar Zap-Foetus een feit is en de ouders van kinderen die voor deze revolutionaire omwenteling geboren werden via internet volgende brief toegestuurd krijgen:

Beste ouders van poppy en prins,

Ondanks de aanvankelijke tegenstand is Zap-Foetus nu een begrip in onze samenleving. Reeds negentig procent van de bevolking maakt gebruik van onze innoverende techniek om hun toekomstig kind naar wens samen te stellen. Dit enorme succes heeft ons dan ook gestimuleerd tot verder onderzoek naar de manipulatie van reeds bestaande kinderen. Wij wilden geenszins u, ouders van deze kinderen, in de steek laten. Vandaar dat wij vandaag met enige trots het Zap-Kids-project aan uw voorstellen (zie bijlage 1: uitgebreide folder). Deze ingenieuze techniek stelt u in de mogelijkheid om uw kind op een vrijwel pijnloze manier te laten aanpassen aan uw persoonlijke noden. Ook uw kind zal er baat bij hebben. In bijlage 2 vindt u de lijst met de verplichte correcties, zoals goedgekeurd in het decreet ‘burgerlijke gehoorzaamheid’. Daarnaast bieden wij u in bijlage 3 de vrijblijvende lijst aan met optionele wijzigingen. Voor de toepassingen van de correctiekuur gelieve u te melden bij de plaatselijke afdeling van Zap-Kids in uw gemeente.

Veel succes en bijzonder hoogachtend,

Frank en Stijn Stroomlijn

Wanneer ik de brief aan mijn man voorleg, reageert deze bijzonder afwijzend.
“Afblijven.” zegt hij. “Onze kinderen zijn goed zoals ze zijn.”
Ik begrijp zijn aversie. We maken allebei immers deel uit van de – voorlopig – vreedzame actiegroep FUK (Free and Untouched Kids) die weigert zijn kinderen burgerlijke gehoorzaamheid te laten inspuiten. Maar ik twijfel over het optionele luik.
“Luister even, liefste,” zeg ik. “Laten we het kind niet met het onderzoekswater weggooien. Neem nu prins bijvoorbeeld, het ontbreekt hem nog aan net dat beetje kracht om zich op het voetbalplein met zijn kameraden te kunnen meten. Als we daar nu eens wat aan zouden toevoegen. Ik zie daar echt het kwaad niet van in. En dat gebrek aan concentratie waardoor hij op school achterop blijft hinken. Zeg nu zelf, zou het zijn leven niet stukken gemakkelijker maken moest ik hier op de lijst ‘concentratie’ aanvinken. Ik zeg ook niet dat we onmiddellijk voor niveau tien moeten gaan, maar niveau acht, ik zie daar eigenlijk alleen maar voordelen in.”
Na heel veel heen en weer gepalaver kwamen we tot een besluit. We lieten onze zoon in kracht één niveau en in concentratie vier niveaus stijgen en onze dochter twee niveaus dalen in koppigheid. Laat ik u maar even meenemen naar een dag uit het leven van ons gezin na de correcties.

De wekker maakt mij onmeedogenloos wakker. Voor de rest heerst er ten huize L. complete stilte. Ik kus mijn zap-kinderen wakker. Vanaf het moment dat zij de ogen openen, verschijnt er een ingetogen glimlach op hun gelaat en kussen ze mij – eerder plichtmatig, maar dat kan inbeelding zijn – terug, volgen mij gehoorzaam en geruisloos naar beneden en kleden zich vlotjes aan. (Ik geef toe, ik heb zonder medeweten van mijn man een paar niveaus ‘ochtendlijke gehoorzaamheid’ laten bijvoegen. U en mijn man beseffen niet hoe vermoeiend het kan zijn om een dochter met kuren en een trage zoon in de kleren te krijgen). Tijdens het eten bespreken mijn kinderen het oeuvre van Shakespeare (Ja ja, ik pleit weerom schuldig. Maar u kan dan ook niet weten hoe eenzaam het is om als enige boekenwurm in dit gezin te leven. Ik ben inderdaad overmoedig geweest in het vakje ‘liefde en talent voor taal en verhaal’).
Mijn dochter komt gracieus (zeker weten) naar me toe en merkt voorzichtig op dat elke dag cornflakes voor het ontbijt niet echt gezond is. (Het is al goed, maar een om snoep, chips en cola zeurend kind kan je echt wel tot waanzin drijven.) Het gecorrigeerde kind is op een stoel gaan staan en dwingt me haar recht in de ogen te kijken:
“Mama, de basis van elke gezonde voeding is afwisseling. Ik beweer heus niet dat de lasagna van de Aldi niet lekker is, maar we hebben gisteren ook al pasta gehad. Als je wil zal ik je werkschema eens met je doornemen, zodat je een wat effectievere tijdsindeling kunt maken en meer tijd over hebt om boodschappen te doen. Ik ben eventueel ook wel bereid om mee te gaan winkelen en je te begeleiden in de aankoop van geschikte voedingsmiddelen.”
Aanvankelijke irritaties om de veelvuldige opmerkingen van mijn zap-kids hebben plaats gemaakt voor een beschaamd zwijgen.
Onderweg naar school informeert prins hardnekkig beleefd (vanaf nu licht ik mijn correcties niet meer toe, beste lezer, vogel het zelf maar uit.) hoe ver ik zit in mijn zoektocht naar een andere school. Hij streelt daarbij even mijn hand en ik ben opgelucht dat ik met mijn poten van zijn fluwelen inborst ben afgebleven.
“Je ziet zelf toch ook in, Ann (Ann?), dat een aantal ouders wel heel erg onbezonnen tewerk zijn gegaan.”
Je kan er inderdaad niet naast kijken. Een groepje krachtpatsers lopen op de speelplaats tegen de muren op en maken dubbele salto’s. Mijn zoon neemt afscheid met een latijns gezegde dat ik niet begrijp en trekt zich in een donker hoekje onder het afdak terug met soorgenoten om te bespreken of Claus al dan niet een Nobelprijs verdiend heeft. Ik zie hem af en toe verlangend naar een troepje breedgeschouderde Uberkinderen kijken die ballen door muren proberen te trappen. Hun brute en dierlijke kracht levert hen bulten, blauwe plekken, littekens en een puntenkaart bij de spoeddienst op, maar ze schijnen er voor de rest weinig last van te ondervinden. Wanneer een patserige kerel van zeven jaar een bal in het groepje stampt, vult de pientere blik van mijn kind zich met angst.
“Waar zijn we mee bezig?”
vraag ik me in stilte af.
Poppy's afscheidskus voelt anders aan. Ik mis de chocoladeplekjes op haar wangen en haar afschuw wanneer ik die met spuw probeer te verwijderen. Ze ruikt zelfs niet eens meer naar kind. Gedwee laat ze mijn hand los, veel sneller dan anders, want de door haar opgerichte debatclub “emancipatie begint in de kleuterklas’ staat al druk te vergaderen naast een onaangeroerd speeltuig. De juffrouwen zien er jaren ouder uit, het valt me telkens weer op. Hiervoor zijn ze niet opgeleid. Dit hadden ze niet zien aankomen. Volgend jaar wordt de kleuterschool afgeschaft en moeten ze naar een bijscholing van de VDAB. Dik tegen hun zin.
Tijdens het eten, waarvan de bereiding mij nu al geruime tijd faalangst bezorgt, klaagt een afgetobde dochter erover hoe vermoeiend het is om de kleuterjuffrouw voortdurend te moeten terechtwijzen. Alleen Lena had medelijden met haar. Mijn dochter vraagt zich af waar die ouders met hun hoofd zaten toen ze bij dat kind één en al empathie, rechtschapenheid en mededogen hebben laten injecteren. Ik durf haar niet zeggen dat ik daar ook aan gedacht heb, maar deze correcties zouden mijn man onmiddellijk zijn opgevallen.

Na de maaltijd zie ik prins buiten met zijn vriend voetballen. Hij ziet er gelukkig uit en dat stemt mij hoopvol. Maar al na een kwartier staat hij terug in de woonkamer.
“Tijd voor het brein,” zegt hij met zorgelijke ernst. “Ik heb nog stapels boeken te lezen.”
“En nu is het genoeg!” brul ik. “Leg dat boek neer! Onmiddellijk! Trek die sportschoenen aan. En laat het mij niet twee keer zeggen! Buiten! En voetballen, zeg ik u!”
“En nu jij, jonge dame,” spreek ik dreigend. “Doe dat schrift dicht, eet wat snoep, chocolade en drink een liter cola! En vooral je handen niet wassen voordat je op je hoofd in de zetel gaat staan! Doe dat schrift dicht, zeg ik u!"
Prins staat nog wat te drentelen aan de deur.
“Komt er nog wat van, of wat? En dan nog iets, als je de bal over het hek stampt, klim er gerust over heen, zodat er een gat in je bloes komt wanneer je ergens achter blijft haken!”
Mijn kinderen kijken elkaar veelbetekenend aan, maar het raakt me niet meer.
“En morgen als jullie opstaan, vooral veel lawaai maken en als het kan net zo uit je bek stinken als voor dat stomme project, alsjeblieft!”
Dus, neen, mijn waarde Frank en Stijn, het hoeft allemaal niet voor mij. Ik kan de verantwoordelijkheid niet aan. Ik vermoed zelfs dat elk detail van mijn kinderen van onschatbare waarde is en manipuleren dus gelijkstaat met heiligschennis. Zeg nu zelf, jullie kunnen toch onmogelijk weten welke onomkeerbare gevolgen jullie gepruts heeft. Misschien is de overgevoeligheid van mijn zoon wel broodnodig voor een toekomstig creatief talent en zal mijn dochter in één of ander bedrijf reddeloos verloren zijn zonder haar koppigheid. Ik zeg het niet graag, maar mijn man had overschot van gelijk: “Gewoon afblijven!”

zaterdag 11 december 2010

In de hoek!

“Het is ook nooit genoeg voor jou!”
brul ik en neem mijn ontevreden zoon bij zijn nekvel. Met driftige passen stamp ik door de woonkamer en benoem giftig alle stukken speelgoed die hij van de Sint gekregen heeft. Dwing hem ondertussen om er eens goed naar te kijken.
“Er zijn kinderen die niet eens speelgoed hebben!” bries ik dramatisch. “Die nog nooit in hun hele leven een stuk chocolade gegeten hebben. En jij hebt alles wat je hartje begeert, maar toch doe jij de hele dag niets anders dan zeuren en zagen en jammeren en klagen…”
“Ik wil dat speelgoed allemaal niet,”
fluistert hij als hij terug achter zijn bord zit. De rode plekjes in zijn bleek gezichtje kunnen me niet echt vermurwen. In mijn borst blaft de woeste hond nog slapjes na.
Maar ’s avonds komt samen met de stilte het schuldgevoel mijn hart binnen geslopen. De weemoed pakt mij nu zonder pardon bij het nekvel en drukt me met de neus op de feiten. Mijn uitbarsting was onredelijk. De dag was lang, koud en duister. De bus te laat. Het aanhoudend gehoest putte me uit. De verhalen op het werk wogen zwaar. Mijn humeur daalde onder nul. Van alles was het. Maar niet mijn zoon. Hier is het boetekleed, zegt mijn schuldgevoel, trek maar aan. Want de smeekbede van mijn zoon ging niet eens over speelgoed. Hij is niet het soort verwend snotjong dat verzuipend van onder de hebbedingen speelgoedtrappelend zijn keel openzet voor nog meer. Wat is dan wel het probleem? Mijn zoon heeft een vriend. Ik vermoed dat zijn grootste wens is dat we die jongen adopteren. Soms verzucht hij hoe fijn het toch zou zijn om een broer te hebben. Elke dag na school vliegt hij door de voordeur, gang en achterdeur heen, steekt het park rennend over en haalt zijn vriend op. Een paar tellen later hoor ik hen de trap op denderen en flitsen ze me voorbij op weg naar zijn kamertje. Ze spelen daar en lachen voor het luidst, voeren ernstige en vertederende gesprekken (heel af en toe speel ik muisje) en leveren me telkens weer het bewijs dat vriendschap voor een kind de grootste schat is. Maar bijna elke avond, wanneer ik roep dat we gaan eten, vraagt mijn zoon of zijn vriend mee mag eten en dat kan niet. Er is niets afgesproken. Wij Belgen vinden het niet nodig om de Marokkaanse gastvrijheid over te nemen en koken dus niet voor het onverwachte mondje meer. Tot groot verdriet van mijn zoon, die huilend in zijn eten zit te poeren en klaaglijk herhaalt dat hij geen honger heeft omdat vrie-hiend nie-hiet ma-hag mee-heeten. Meestal troost ik hem met de belofte – die ik dan onmiddellijk weer vergeet – om het eens te bespreken met de moeder van zijn vriend.
“Moest ge daar nu zo kwaad om worden, gij vreselijk moederbeest,” denk ik nu schuldbewust van onder mijn dekentje in de zetel.
En het wordt nog erger wanneer ik in een nostalgische bui door oude dagboeken struin. Want daar lees ik op 10 februari 1988 (8u20 ’s avonds staat er volledigheidshalve nog bij) dat ik me een grijs, klein musje voel dat een adelaar wil zijn. "Je ziet het misschien niet aan de buitenkant, maar ik wil zoveel. Dat ik van de kleine dingen moet genieten, zegt mijn moeder. Ze herhaalt het zo vaak dat ik vermoed dat ze zichzelf moet overtuigen. Ontevreden ben ik. Altijd weer verlangend naar meer. Altijd maar weer op een plaats willen zijn waar ik niet ben. En me altijd maar afvragen waarom. Waarom naar school, waarom oeverloos wachten aan bussen, in pauzes en wachtzalen, op een lief, op de toekomst? En waarom net nu die regen? Waarom geen minstreel aan het raam? Waarom vroeg opstaan? Waarom Parijs nog niet gezien? Of de toren van Pisa? Het Il Maurice van mijn pennenvriend. Mijn moeder zegt: je wil te veel, je wil wat je nooit krijgen kan en dat maakt je ongelukkig. Je moet leren tevreden zijn met wat je hebt."

Ik sla mijn boek dicht en denk aan de eenvoudige verlangens van mijn kind, aan de wereld in het kinderhoofd. Mijn moeder was vroeger altijd boos wanneer we niet wilden eten. De kindjes van Biafra hebben geen eten, wees ze ons dan terecht. Ik begreep dat niet. Als wij meer aten, hadden ze daarachter dan net niet minder? vroeg ik me in stilte af. Moeders hebben niet altijd gelijk. Dus ja, ik trek mijn boetekleed aan, mijn zoon, want nogmaals ja, het mag altijd iets meer zijn. Dat was je moeder tussen de aangebrande soep en haastig gebakken patatten door even vergeten. Ik denk wel niet dat de mama van D. wil dat we haar oogappel adopteren, maar als ik het haar lief vraag, zal hij vast wel eens mogen komen eten. Je mag een kruisje op mijn hand tatoeëren. En als je er echt op staat, zal ik er wel in gaan staan, in de hoek. Tweeënveertig minuten lang (volgens de regels van de pedagogen: per jaar dat je leeft maximum een minuut hoek). Ik heb het verdiend. En daarna mag je me dan knuffelen en zeggen: vergeten en vergeven.

zaterdag 4 december 2010

Kometenstreken

Mensen die onder hetzelfde dak wonen, draaien in hun zelfverzonnen melkwegstelsel als planeten, kometen en satellieten rond elkaar in steeds dezelfde banen van terugkerende gewoontes en posities. Vanuit hun vaste plaatsen onder de pannen, rijden ze elkaar achteloos voor de voeten op dezelfde stokpaardjes, dragen dezelfde oorlogskleuren, trekken dezelfde wapens en gebruiken steevast dezelfde zakdoeken voor grote verzoeningen.
En de kleine mensen onder ons draaien daarin net zo goed mee als hun grote voorbeelden. Hun banen zijn zelfs zichtbaarder, want door de beperktere communicatiemogelijkheden meer karikaturaal.
Neem nu de komeet prins, die maar wat graag via een treiterbaan rakelings langs het planeetje poppy scheert. Op elke pesterige reactie volgt immers gegarandeerd een hevige reactie. En laat het net dat zijn waaraan onze komeet prins zo een vlegelachtig genoegen beleeft. Zal ik het nog wat concreter maken met een voorbeeldje uit ons persoonlijk boek met sterrenstelselvertelsels?

We zitten aan tafel. Ik eet niet mee omdat ik dezelfde avond nog naar een kaas- en wijnavondje ga met enkele ex-collega’s. Het is die namiddag flink beginnen te sneeuwen en ik leg aan geliefde uit welke route mij de veiligste lijkt:
“… je weet wel, de eerste straat rechts na (houthandel) Modest. En dan…”
“Ooo!” roept mijn dochter, die het erg spannend en welhaast levensnoodzakelijk vindt om verbaal bij zowat elk gesprek tussen haar ouders in te breken. Ze wappert enthousiast met haar handen en jubelt:
“Waar jij dan voorbijkomt bij…”
“…Modest.” vult mijn zoon met een uitgestreken gezicht aan.
“Maaa(r) priiiiiins, ik was hier wel aan het vertellen hoooorr,” roept poppy klaaglijk, want haar voorrecht als stoorzender is niet perse het voorrecht van een ander. Ik zie haar gezicht twijfelen tussen pret en nijd.
“Vertel nu maar verder,” sus ik.
Met een nadrukkelijke blik op haar broer, want ze is er helemaal niet gerust in, herbegint ze:
“Dus wat jij, mama, juist zei, daarnet hè mama, van dat jij dus voorbij rijdt aan…”
“…Modest.”
Zonder verpinken dropt komeet prins het woord opnieuw. Schijnbaar achteloos, met lijzige stem, ware het niet dat zijn pretogen intens plezier verraden. Weerom laat een reactie niet lang op zich wachten. Planeetje stuift stekelig op.
“Priiii-hiiiiins! Hou daar mee op!”
Terwijl de rest van het melkwegstelsel een welgemeende poging doet om een opkomende kramplach te onderdrukken, wipt dochter onmachtig op en neer.
“Vooruit poppy, sla dat eerste stukje nu maar over en vertel gewoon verder,” opper ik behulpzaam. Geen sinecure blijkbaar voor een vijfjarige, want ze slaat mijn raad in de wind en begint gewoon weer helemaal opnieuw, enigszins gejaagd met een intens argwanende blik die voortdurend van mij naar haar broer flitst. Zoonlief knabbelt onbewogen aan een boontje; geen vuiltje of zwart gat in het heelal.
“Jij zei dus mama, jij zei dus juist, hè, mama, dat jij (dramatische zucht) dat jij dus seffens met de auto langs…”
“...Modest.”
Beng. Daar is hij: de oerknal. Poppy roffelt met twee vuisten op tafel. Het schuim staat haar net niet op de mond. Prins lacht fijntjes, terwijl hij irritant kalm met zijn vork in het eten peutert. Halfhartig sporen wij onze zoon aan om de dochterplaneet nu toch maar haar verhaal af te laten maken. Niet dat het echt nodig is, dat niet, want wij weten zo onderhand wel wat ze zeggen wil -een eerder prettig bijverschijnsel wanneer je deel uitmaakt van een melkwegstelsel.
“Dus langs Modest,” ratelt ze hakkelend verder. “En daar heeft, hè mama, daar was, hè mama, daar werkte vroeger…”
We zien allemaal de mond van onze kwelkomeet opengaan en weten: de verleiding is te groot.
“….moeke!” maakt hij het verhaal minzaam af en vervolgt fenomenaal gelukkig zijn baan. Nog even kijkt hij om naar de rookpluim en glimlacht verrukt.

zondag 28 november 2010

De prins op de speld

Er was eens, bijna zestien jaren geleden, een jonkvrouw die na enige omzwervingen haar prins vond. Niet de prins op het witte paard, nee, dit exemplaar vergaloppeerde zich liever niet, maar sneed meesterlijk bochten af met een oude Renault R5. Vanaf dat moment kon men voor menig herberg hun beider ros broederlijk naast elkaar zien staan: zijn rode rakker en haar aftandse, maar blozende Opel Corsa ( die zij volhardend haar Opel Corona bleef noemen). Met een groot en luidruchtig gezelschap trokken de prille geliefden op een dag in juli naar de groener weiden van Werchter. Voor de gelegenheid hadden zij een lading tentjes van de jeugdbeweging uitgeleend. Heur lange zwarte haren droeg de jonkvrouw in een middenscheiding en aan weerszijden daarvan flonkerden op twee spelden lieflijke bloemetjes, briljant uit plastiek geslepen. Kitsch was cool. David Blowy, die zijn nieuwe naam te danken had aan een trekje teveel van een kruidige sigaret door een overmoedige prins, waardoor het paar het jaar voordien vroegtijdig zijn aftocht blies, beklom opnieuw het podium en Jeff Buckley had zijn laatste watertje nog niet doorzwommen.
Na het vuurwerk en wat tussenstops kroop het benevelde gezelschap de tros tenten in. De jonkvrouw legde heur delicate speldjes in heur muiltjes om ze niet aan het stoppelgras te verliezen. Maar laat in de nacht, of zo u wil vroeg in de ochtend, dwong een volle blaas haar naar de dichtstbijzijnde struik. Toen sloeg het noodlot toe. De vergetelheid fluisterde de (slaap)dronken jonkvrouw in dat de pijn aan haar linkervoet te wijten was aan een steentje. Bijgevolg kieperde ze haar muiltje om en deed verder wat er gedaan diende te worden. O, jammer- en weeklaag, de volgende ochtend paste het schoentje nog, maar er zaten geen speldjes meer in. De queeste van haar edelmoedige prins naar de verdwenen kroonjuweeltjes leverde slechts één plat getrapt, dof speldje op.
Maanden later trok een gezelschap van grote leiders, waaronder haar prins, naar verre bosrijke oorden. Die eerste nacht draaide en keerde de prins zich duizelig in zijn slaapzak. U denkt misschien dat hij zijn lieflijke jonkvrouw miste, maar dat was het niet. Hij werd geplaagd door een onbekend, scherp voorwerp in de tent.
Toen de prins terugkwam van zijn tocht, kuste hij zijn geliefde innig, hield haar zijn gesloten vuist voor, opende ze langzaam en toonde haar verrukt de boosdoener. Of all the tents of all the towns in all the world, he picked out the one with the lost pin!

De gelijkenis tussen mijn petit histoire en het sprookje ‘de prinses op de erwt’ zal u vast niet ontgaan zijn, maar wat ik me afvraag is het volgende: hoe ging het nu verder met het prinselijk paar na het huwelijksfeest? De schriftelijke overlevering van sprookjes kent geen vervolg, maar zou het er – laat zeggen zestien jaren later – niet als volgt kunnen aan toegaan?
De prinses zit in haar chaise longue naar desperate housewives te kijken. Ze oogt vermoeid, want haar kinders: sij sijn malkander altijd in het vaarwaater. Na de zoveelste schermutseling, die in de prinselijke gracht eindigde, heeft zij en zij alleen haar kroost vanonder het kroos uitgevist. Ook heeft zij de boterhammen en de ophaalketting van de poort gesmeerd. Een opdringerige kasteel aan paleis verkoper van kuisheidsgordels met pijl en boog achterna gezeten. De echo’s in de gangen getest en de spoken op zolder de mantel uitgeveegd.
En nu de aflevering ten einde en de fles Cava half leegloopt, schiet haar plots een stichtende gedachte in het hoofd. Waarom werd zij indertijd in hemelsnaam aan de erwttest onderworpen en haar teerbeminde echtgenoot niet?
“In deze moderne tijden van gelijke rechten voor mannen en vrouwen, dient er het één en het ander rechtgezet te worden!” spreekt zij luid tot zichzelf en haar grimmige echo geeft haar gelijk. De prinses springt uit haar zetel, spurt naar de ijskast en haalt een zak erwten uit het vriesvak. Edoch, op het moment zij de klomp peulvruchten onder een lauwe waterstraal wil houden om er één erwt uit los te weken, hoort zij de gouden sleutel in het slot. Blijkbaar heeft de prins vroegtijdig zijn ronde tafel in de Gouden Draak verlaten. In paniek snelt de prinses naar hun hemelbed, frommelt aldaar aangekomen de hele zak onder de matras en maakt een duikvlucht naar haar zijde van het bed. Ze trekt de lakens op tot onder de kin en wendt slaap voor. De prins neemt alweer zijn tijd. Die vreselijke kruiswoordraadsels ook, verzucht zij nog vooraleer de uitputting haar in de afgrond van de slaap trekt.
Wanneer zij de volgende ochtend aan de ontbijttafel langs haar wipneus weg informeert naar de nachtrust van haar gemaal, is die aangenaam verrast door deze blijk van interesse in zijn welbevinden. Over zijn krant heen lacht hij liefdevol naar zijn teerbeminde, die in spanning afwacht, en spreekt haar toe:
“Mijn lieve schat, ik heb goed geslapen. Diep geslapen. Vast geslapen. Als een roosje, zeg ik u. Prins-héérlijk heb ik geslapen.”

donderdag 18 november 2010

Onverbeterlijke onderdeurtjes (2)

“Kijk daar eens!”
De welluidende stem van poppy overstijgt met gemak het geroezemoes in het lokaal van de buitenschoolse opvang.
“Kijk, daar is mijn papa en zijn haren zijn geknipt!”
Het was eerst even schrikken toen ze haar leeuwenkoning zonder zijn manen zag. Met open mondje staarde ze hem meewarig aan, alsof Samson in één knip al zijn krachten verloren had, om hem er vervolgens op te wijzen dat hij er toch wel heel gek uitzag.
“Kijk, mijn papa met korte haren!” roept ze nog eens.
De onthaaljuf voelt zich nu wel enigszins verplicht er iets over te zeggen, maar blijkbaar is dat niet voldoende voor onze dochter.
“Voel maar eens!” gebiedt ze de juf.
“En heeft de juf gevoeld?” vraag ik aan geliefde wanneer hij het me vertelt. Maar eigenlijk weet ik het antwoord al. Of ik dan ook nog eens mag voelen? Het mag van de Zonnekoningin.

Mijn zoon jongleert met gedachten, die zo nu en dan eens op mijn hoofd belanden. Wanneer ik het op een avond met hem over een familie-uitstap heb, beweert hij nogal stellig:
“Maar mama, jij bent toch geen familie.”
Dat vraagt om enige toelichting.
“Jij bent geen L.. Papa is een L.. Ik ben een L.”
Zelfs die kleine poppy heeft het klaargespeeld om een L. te zijn. De valkuil van de retoriek. Ik ben de enige met een afwijkende achternaam. Eén enkele scheefgetrokken redenering is voldoende om een mens uit het paradijs de woestenij in te jagen. Enigszins verongelijkt repliceer ik:
“Zeg, je hebt wel mooi negen maanden in mijn buik gezeten, hoor.”
Mijn rosse duivel richt zich op in zijn bed en slaakt een kreet die ik iets te voorbarig als verwondering beschouw, maar deze hoop wordt al snel de grond in geboord.
“Mààr negen maanden, ik dacht dat het er tweeëntwintig waren.”
Mijn god, een olifantendracht. Wat moet een mens hier nog doen om indruk te maken?

Poppy leunt liefjes tegen mij aan in de zetel. De aandachtsorgel in mij vraagt haar:
“Hou je van mij?”
“Ja, mama,” zegt ze gedwee.
“En hoeveel hou jij dan wel van mij?” doe ik er een schepje bovenop.
Het antwoord komt snel, geen twijfel mogelijk:
“Honderd graden.”
Zeg nu zelf, daar smelt een mens toch van. Al blijkt even later dat temperatuur voor mijn dochter blijkbaar de maat van alle dingen is. Ze staat te wiebelen op de weegschaal en vraagt me de cijfers voor te lezen.
“Negentien,” zeg ik, waarop ze uitermate tevreden met zichzelf herhaalt:
“Ik ben al negentien graden.”
En ik krijg dat zonnekind al zo moeilijk in haar winterjas.

Ik hoor mijn kinderen om 6u00 al de trap afsluipen en mijn hart begint gelijktijdig te bloeden. Hij is niet gekomen en ik weet dat. Ze gaan het laarsje en het schoentje terugvinden zoals ze het de avond ervoor hebben achtergelaten, met wortel en suiker er nog in. Ik heb het hun nog uit het hoofd willen praten, maar ze wilden van geen wijken weten. Dus daar lig ik dan stilletjes te luisteren naar hun teleurstelling in stereo.
‘Poppy, de sint is niet gekomen.”
“Nee prins, de sint is niet gekomen.”
Als ik naar beneden ga, zitten ze verweesd tegen mekaar aangeleund in een hoekje van de zetel met een dekentje over hun benen naar tv te kijken.
‘Hij is niet geweest, de sint,” zeggen ze.
Dat het de fout is van het water, probeer ik. Zijn paard Goed Weer Vandaag heeft waterangst, wat wil je ook met zo een naam. Ondertussen haal ik de wortels uit het schoeisel. Tast tevergeefs naar de suikerklontjes. Ze liggen niet in de schoenen, maar mijn kinderen staan er blijkbaar wel recht in, want hun laconieke verklaring luidt als volgt:
“Het paard is niet langs geweest, dus hebben we dan maar zelf voor paard gespeeld.”

dinsdag 16 november 2010

Ode aan mijn zoon

Mijn zoon, zo nu en dan word jij, mijn buitenkind, binnenshuis bezocht door een muze, die jou op strooptocht jaagt doorheen het hele huis. Met de nodige ernst wordt de vergaarde buit dan uitgestald op de tafel. Vorige maandag bestond deze uit drie blanco bladen (uit de printer van je vader), een geo-driehoek (van vaders bureau), een rolletje plakband (uit de rommellade van je moeder) en een stompje potlood (uit de eigen kleurdoos). Je bent een rusteloze kunstenaar. Eenmaal het creatieve appeltje in je brein gerijpt is, zou je het in één sprong van de tak willen halen. Voorlopig zie je nog weinig brood in de noeste arbeid die vereist is om de artistieke klus ook daadwerkelijk te klaren. Maar deze blauwe maandag maak je een wel zeer gehaaste indruk. Tijdens je worsteling met een onhandelbaar stuk plakband informeer je wanneer papa terugkomt van het voetbal. Je lijkt een ogenblik de tijd te wikken en te wegen, maar buigt je kleine lijf dan terug diep over de afgrond van je papieren project, één en al rimpels en fronsen van de concentratie. Helaas, de gevreesde deadline wordt niet gehaald en mijn Verongelijkte Ik deelt benepen aan je binnenvallende vader mee dat hij een geschenk mag verwachten. Je mag gerust weten dat ik niet bijzonder opgezet ben met dit deel van mijn persoonlijkheid. Ik moet die valse tik net zo min als jij. Maar bijwijlen moet mijn Dulle Griet, die ik wél graag mag, het afleggen tegen het hormonale legertje van dit mokkende serpent. Zie haar nu eens pruilen:
“Ik ben met de kinderen naar de bioscoop geweest. Ze hebben chips en snoep en frisdrank gekregen. Ik heb hen in bad gezet, en daarna in mijn oksels om een verhaal voor te lezen. Ik heb hen pasta voorgeschoteld. Terwijl ze naar de televisie keken. Het mocht voor een keertje. Dat heb ik allemaal gedaan. En graag gedaan, daar niet van. Maar wie krijgt het geschenk? Juist ja, de grote afwezige papa. En de alom aanwezige moeder trekt weer aan het kortste eindje van het verpakkingslintje.’
Mijn gefluisterde gifpijlen zijn niet voor jou bedoeld en je vader zwijgt wijselijk. Hij weet net als jij dat het geen enkele zin heeft om dit stijfkopje tegen de haren in te strijken. Als de wind straks gaat liggen, valt het vanzelf weer netjes in de plooi.
En kijk, een sprongetje in de tijd later, veer je recht uit je stoeltje en stapt zowaar langs je onderwijl alweer duttende vader heen, in een rechte lijn naar je (het zal toch niet waar zijn) moeder toe. Jawel. Met een plechtstatig gebaar steek je me een zelfgemaakt schriftje toe. ‘Een dagboek,’ leg je me trots uit, ‘waarin je van alles kan schrijven.’ Twee tranen lijken zich klaar te maken voor een noodlanding op mijn schaamrode wagen. Met enige voldoening monster je mijn waterachtige blik en vraagt me of ik ga huilen. Maar laten we het sentiment even voor wat het is en het geschenk van dichterbij bekijken. Op de voorkaft staan twee namen: Prins L. (de gulle schenker) en Mama T. (moederbeest en schrijfster verenigd in een treffende eretitel). Daartussen een morsig mannetje, armloos en kaal, naast een theepot.
‘Het is geen theepot, “ verbeter je me. “Het is niets.”
Wat zoveel betekent als ‘het begin van iets dat op niets uitdraaide’ en waaraan nu een artistieke uitleg gegeven wordt. Op de middenbladen staan met de hand getrokken evenwijdige lijntjes zodat mama recht en met rede kan schrijven. Relatief netjes gelijnd op de eerste bladzijden, met een afstand van om en bij de 0.8mm, maar gaandeweg schots en scheef met openingen van wel 4cm ertussen. Vermoedelijk blies de spanning van het geven je zijn hete adem in de nek. Op de achterflap is het zoals verwacht één en al voetbal. Je eerste woord was niet ‘mama’ maar ‘bal’. Ik neem het je niet kwalijk. Passie gaat voor eigenbelang.
Toch ferm van jou, met een simpel gebaar licht je het bokkende leger van de Verongelijkte Vrouw een voetje. Zie haar daar liggen. Je alom tegenwoordige moeder. Poeh. Ze is er wel veel. Lijfelijk dan toch. Maar haar geest en neus verdwijnen even zoveel in boeken en schriften. En jij, mijn zoon, hebt de gave van de opmerkzaamheid. Jij ziet als eerste de nieuwe bril, de verdwenen snor, de verschoven stoel, de barst in de vaas, de angst om en de pijn in het hart en wat daar allemaal nog meer achter de oppervlakte schuilgaat. Met je geschenk raak je me vol in het hart. Mijn broze jongen, je beseft het nog niet, maar je kan stenen mals maken, woeste wijven naar de kroon steken en stoere kerels in een handomdraai de das omdoen. Voor een zevenjarige is dit misschien van weinig waarde, maar als het waar is dat soort, soort zoekt, zal je een gelukkig leven beschoren zijn.

Liefs,
mama

maandag 8 november 2010

Puur natuur

Ik ben net uit bad en sta mijn blote zelf in de spiegels van de kleerkast ademloos te bewonderen. U hoort het goed. In achtvoud dan nog wel, want dat is een plezierig neveneffect wanneer je de kastdeuren in een bepaalde hoek tegenover elkaar openzet. Ik druk mijn neus wat dichter naar mijn evenbeelden. Ze staan me uitermate beeldig op het lijf geschreven. Wij knipogen buitengewoon tevreden naar elkaar en draaien de bevallige hoofden naar links en naar rechts om nog meer van onze magnifieke zelf te bekijken. Geloof mij nu maar, het ziet er werkelijk langs alle kanten schitterend uit. Ben ik verdorie ingenomen met dit lijf, van het knappe topje tot het fameuze teentje volledig tevreden. Dit mag gevierd worden met wat uitbundig gedans, dat heeft dit ‘vergelukkelijk’ lijf heus wel verdiend. Voeten, benen, buik, borst, armen, hoofd, alles in beweging. Ogenblikje, ik neem even een borstel, want een lied voor mezelf kan er ook nog bij: ‘Ik ruik zo lekker naar bloe-hoe-metjes…’ Het warme applaus voor onszelf, perfect synchroon, ontspoort zowaar in een uitzinnige ovatie met een dozijn huppelsprongen er bovenop. Ziezo, dan sluit ik nu af met een kusje aan mijn jubelende spiegelzusters. Momentje, daar zie ik nog iets over het hoofd, of beter gezegd, over de bekoorlijke lippen, die nog een accentje roze verdienen. Ach wat, ik kleur ze royaal buiten de lijntjes, het leven moet er vanaf spatten.

Mijn moeder staat mij vanuit de deuropening van de badkamer enigszins afgunstig te bekijken. Zij doet dit nooit, sluipt eerder schichtig langs haar evenbeelden. Ik vermoed dat zij bevreesd is voor de naakte waarheid. En luidkeels zingen aan een halte, wachtend op een bus met vertraging , doet ze ook al niet meer, terwijl het kleinste kind toch weet dat een aria de tijd vleugels kan geven. Nee, mevrouw laat zich liever verleiden tot het obligate weerpraatje. Zeg nu zelf. Het is mij een compleet raadsel waarom al die grote mensen de deurtjes naar het onvervalst plezier voor zichzelf dichtgooien. Die moeder van mij durft zelfs niet eens meer met een rotvaart door de naar kruimels pikkende duiven op een marktplein rennen en genieten van de paniekerige chaos die ze veroorzaakt. En ongegeneerd in haar neus peuteren is er ook niet meer bij. Laat staan dat ze zichzelf het genot nog gunt om de inhoud ervan in een egaal pilletje te rollen om het vervolgens zo ver mogelijk proberen weg te schieten. Ze gaat nooit of te nooit meer op schattentocht, u leest het goed; alle steentjes, papiertjes, elastiekjes en schroefjes op haar weg blijven verweesd liggen. En de wolken lijken wel lucht voor haar. Is ze bang om te vallen? Om op te vallen? Ik heb een beetje met haar te doen, want ik denk dat ze het mist. Soms als ik aan het tekenen ben, je weet wel, het echte onvervalste krabbelen, met grote uithalen kleuren laten botsen, strepen trekken tot over het blad heen op de tafel als ik durf, dan bewondert ze me mateloos. Ze wil ons niet te snel binnen de lijntjes laten kleuren. We mogen de wereld stormenderhand veroveren, zegt ze. Als ze braaf is, mag ze van mij eens met ons meedoen. Dan leer ik haar hoe ze de deurtjes terug open kan zetten. Kaboem, killegroem, karrabie, kakladroem, wat trouwens helemaal niets betekent, maar klinkt het niet fantastisch?

donderdag 4 november 2010

De Efteling

Voor veel mensen is muziek een uitstekende manier om terug in de tijd te reizen. Op de tonen van Big in Japan stap ik alleszins moeiteloos met zevenmijlslaarzen naar de dagen waarin ik nog hartritmestoornissen kreeg bij het vooruitzicht aan de schalkse ruiters die mijn zaterdagavonden zouden doorkruisen. Uiteindelijk bleken het meestal eerder bedremmelde puistenkoppen te zijn die door de poorten van dancingland struikelden, maar wij bleven hopen. Ook het gelukzalige gesmak van een doezelend kind dat ik onder naar wasverzachter geurende lakens in zijn bedje stop, kan me in één klap terugvoeren naar mijn eigen kinderland. En tot mijn verbazing bleek de tijd ook niet al te erg aan mijn geheugen geknabbeld te hebben toen geliefde ons onlangs verraste met een tweedaagse uitstap naar de Efteling, alwaar elfen en prinsessen ondertussen met vereende krachten een ‘kasteelhotel’ recht getoverd hadden. Met een verbluffende helderheid verschenen al op voorhand beelden van de chagrijnige kop van Langnek, de dreigende muil van de draak die zijn schat bewaakt, het eeuwig ronkende Doornroosje en de verlekkerde wolf voor de deur van de argeloze geitjes. Ik besef natuurlijk wel dat het geheugen al te lief kan zijn voor herinneringen. Dat ook de tijd graag zijn dromerige waas over gebeurtenissen spreidt, en teleurstelling bijgevolg nooit ver weg is, maar het kon mijn kinderlijke opwinding nauwelijks temperen. Een enthousiasme dat mijn dochter aanvankelijk niet echt met me wenste te delen. Ze vond de ‘Efteling’ eng. Een goedhartig mens zou daar een zekere angst voor het onbekende in kunnen ontdekken, ware het niet dat wij haar ondertussen al langer dan vandaag kennen en beducht zijn voor haar acute aanvallen van tegendraadsheid. Het kind wist godbetert niet eens wat de Efteling was. Zelfs na een geruststellende uitleg van haar moederbeest pruttelde ze nog tegen dat ze geen “Neejderlands kon spreejken” en dat ze haar ginder dus niet zouden verstaan. Need I say more?

Het vertrek naar sprookjesland verloopt gewoontegetrouw hectisch. Mijn kinderen vinden het noodzakelijk om eerst alle spelletjes nog even uit te proberen vooraleer ze er eentje kunnen uitkiezen om in te pakken en poppy doet dat zelfs in stijl, namelijk in haar prinsessenkleren, en dus niet in de kleren die ik klaargelegd heb om aan te trekken. Enige tijd later vertrekken we dan toch, gehuld in sinistere mistnevels, die wonderwel aansluiten bij de wereld van de wolven, trollen en heksen waarnaar wij ons begeven. Aldaar moet ik echter na een blik op de landkaart huiverig vaststellen dat men ondertussen ook een pretpark bij elkaar getimmerd heeft, ongetwijfeld het resultaat van de gebundelde snode krachten van onguur gezelschap, maar dat zijn zorgen voor morgen. Want ach, speciaal voor ons, wemelen de roestkleurige bladeren van de sprookjesbomen (We zijn in Nederland, doet prins olijk, want de bomen zijn oranje.) naar beneden en spreiden een adembenemend bronzen tapijt voor onze voeten uit. De zon heeft zich verstopt achter een onschuldig grijs gordijn. Het is niet druk in sprookjesland, ons geduld wordt op geen enkel moment beproefd. Wat wachttijden betreft dan toch, want Miss Recalcitrant is lastig. Ze wil niet in het treintje, zegt ze en dit herhaalt ze wegens uitblijvende reactie van een tevreden en stoïcijns ouderpaar dreinerig als een kapot grammofoonplaatje, met soms een hoopvolle pauze tussenin om even op adem te komen. Het drenzen houdt aan terwijl we door een gigantische gang lopen, waarin enorme lichtbollen boven onze verwachtingsvolle hoofden zweven. Zij aan zij in een cabine - het gezeur verstomt - stijgen wij op naar een wereld vol bloemen, en nog hoger de bomen in alwaar elfen fladderen en zoetgevooisd zingen. Op een hoge rots torent een edele eenhoorn boven ons uit. Nog hoger gaan we, daar waar geen mens ooit kwam, daar waar verlichte elfenkastelen in het duister rondzweven. En dan dalen we neder in cirkels langs lange, slanke bomen naar duistere poelen waarin guitige trollen rond ploeteren. Heel even is het ons gegund om deel uit te maken van een onbezoedelde wereld en wij, grote mensen, herontdekken ons talent voor verwondering.
Wanneer we nog namijmerend de elfenwereld verlaten klemt poppy schuldbewust mijn hand vast en zegt: ‘Nou (nou?), morgen pak ik vroeg mijn goede been en dan wil ik wel in de treintje.’ En zo geschiede.
Stilte, het is tijd voor wat onvervalste nostalgie: we betreden het sprookjesbos. De kinderen rennen voorop. Poppy zoekt naar richtingaanwijzers en prins leest fier de titels. Vooral onze dochter lijkt erg onder de indruk van de bewegende figuren, plakt roerloos met het neusje tegen de ramen, maar wij, grote mensen, moeten toch bekennen, dat de draak minder angstaanjagend lijkt, Doornroosje minder van vlees en bloed en Langnek minder groot. De tijd lijkt ons dan toch ingehaald te hebben. We kunnen zelfs met moeite onze rennende duivels bijbenen. En dan gebeurt het, bij de rode schoentjes. Daar staan ze, zo klein en fragiel, roerloos te wachten tot de stem is uitverteld en wij wachten vol ongeduld mee. ‘Zouden ze niet stuk zijn?’ vraag ik me een beetje ongerust af, want even daarvoor kreeg Rapunzel haar prins ook al niet aan de machtige vlecht opgetrokken, maar geliefde stelt me gerust. En hij heeft gelijk, want daar gaan ze, klikklakkend over de glazen plaat. Toegegeven, het is geen dirty dancing, geen cancan, maar vooruit gaan ze. Ook prins kijkt toe, of liever, hij monstert de glasplaat waarop ze zich voortbewegen en het verdict volgt snel en meedogenloos: “Magneten!” Ach, mijn zoon toch, zo klein en al geen zin meer om je te laten beduvelen. Blijkbaar werkt de nuchtere kijk van broer aanstekelijk, want ook poppy speurt bij de volgende sprookjes naar magneten. Eventjes dan toch, want al snel fluistert ze me in de oren: ‘Mama, ik denk toch dat ze echt zijn, die trolletjes, want ze bewegen.’ Zo is dat, we moeten er wel in blijven geloven, want als je eenmaal gaat zoeken naar mechaniekjes, kabels, spotjes en draden, ben je verloren.
’s Avonds blijkt er in de bar om de hoek een speelkamer te zijn. Ouders blikken met een drankje in de hand samenzweerderig naar elkaar en laten de kroegtijgers in zich even schaamteloos los. Het is allang slaaptijd, maar de suiker en de adrenaline jagen de kleine lijven van onze hartendieven nog moeiteloos door het ballenbad heen. Wanneer we slapen gaan, zijn het de kinderen die de slaapplaatsen bepalen. ‘De jongens bij de jongens, de meisjes bij de meisjes’, gaat het in koor. Zeer verguld met mijn nieuw lidmaatschap binnen het meisjesdom, val ik tevreden in slaap en wanneer ik terug de ogen open, is prins ’s ochtends een man geworden die zijn kleren zelf uit de kast haalt, zich aankleedt en de tanden poetst, terwijl vrouw poppy de gordijnen opentrekt en het weerbericht verzorgt: het regent niet (de wind blijkt ons even later wel door de schedel te snijden, maar we zeuren niet). Ondertussen liggen de grote kinderen met hun overmaatse lijven nog wat na te soezen in bed. Moet ik nog vertellen over het heerlijke ontbijt waarvan we rustig konden nagenieten omdat twee onbestemde sprookjesfiguren onze kinderen meelokten naar de lobby voor een verhaal? Tevredenheid biedt geen stof tot spannende verhalen, ik weet het, ik weet het wel. Maar er hing iets in de lucht, waardoor ik me zelfs heb kunnen vermannen en overhalen tot een rit met de bobslee. Om uiteindelijk toch weer vast te stellen dat ‘angstvrij zijn’ helemaal niet lijkt op ‘angst onderdrukken’ en dat de krampachtigheid waarmee ik al mijn spieren opspan, en de gedachten in mijn hoofd ‘nee Ann, er gaat echt niets mislopen’ en mijn hart dat zich een weg doorheen mijn borstkast hamert, dat al deze gewaarwordingen in niets lijken op de stralende gezichten van mijn gezin na de dodenrit en hun al even vrolijke uitlatingen over de kriebels in hun buik. Met flanellen benen heb ik de volgende beurten aan mij laten voorbijgaan en een bolwangige, papiervretende zeurpiet gezelschap gehouden, wachtend op mijn elven die met ware doodsverachting nog driemaal de rit overdeden. En mag ik dan nog even, heel even, doorgaan: volg me maar naar het rondtollende huis Volta, waarin we de misselijkmakende straf voor de bokkenrijders mochten ervaren, naar de boottocht door de mysterieuze Verboden Stad en naar de 3D-film waar we middenin de natuur belandden, langs mij probeerde poppy tevergeefs vlinders te vangen. Het is op die plek dat de kinderen eindelijk (na een ‘njet’ in al de winkels waarop de talloze sprookjeswerelden uitmonden) een geschenkje voor zichzelf mogen uitkiezen, een herinnering aan twee dagen vol verwondering. Geen al te dure knuffels, zeggen we met onze ouderpet weer op, en bepalen een bovengrens. De kinderen bestuderen ijverig alle prijskaartjes, maar zoonlief heeft een oogje laten vallen op een zwart pantertje. Een buitenbudget pantertje. Zeuren doet hij niet, maar zijn speurtocht lijkt hem telkens weer terug naar de glanzend zwarte knuffel te voeren. Daar staat onze prins, heel stilletjes, zijn ogen vullen zich met tranen. Onze harten kraken en we gaan overstag. Op terugreis spreken de kinderen via hun knuffels hun eigen geheimtaal en vallen één voor één in slaap. Maar als we bijna thuis zijn, wordt zoon wakker en vraagt aan zijn papa om de autoradio even zachter te zetten, want hij wil ons allebei iets zeggen:
“In de winkel kreeg ik eerst ‘Lanterpanter’ niet omdat hij te duur was, maar daarna kreeg ik hem toch. Daarom wil ik dank u zeggen.”
En dan ben ik helemaal overtuigd: in de Efteling zit er behalve regen ook nog iets anders in de lucht. Zeker weten.

dinsdag 26 oktober 2010

Onverbeterlijke onderdeurtjes

Opa heeft poppy een tik tegen de billen gegeven. Toen zij tijdens een wandeling ondanks herhaaldelijke waarschuwingen toch weer afdwaalde naar het fietspad, had de luide gil van een pedaalridder op het nippertje een aanrijding kunnen verhinderen.
Geen harde tik, hoor, zegt opa schuldbewust. En ze liet geen enkele traan. Was hoogstens een beetje stiller op de terugweg.
Een eerder aangenaam bijverschijnsel als je het mij zou vragen. Tegen de tijd dat ze terug thuis aankwamen, werd hun vriendschap alweer terug beklonken met een gemeende high five. Of toch niet? Want wanneer opa enige tijd later aangeeft dat ze direct gaan eten, verspert klein kleutertje hem de weg en plant de handen ferm in de zij: Dat is niet juist, hoor opa. ‘Direct’ is Frans. Het moet ‘dadelijk’ zijn. Je praat niet goed Nederlands.
Ik vermoed dat ze op dat moment even een stilte heeft ingelast om meer effect te sorteren en dan fijntjes opa volgende vraag gesteld heeft: Moet ik nu jou dan ook ‘poepeklets’ geven, opa?
Ik ben poppy. Ik vergeef gemakkelijk, maar vergeten doe ik niet.

Moederbeest staat met schele hoofdpijn in een kast te grabbelen op zoek naar verlossing. Haar prinsenzoon die door zijn zus op missie gestuurd werd om snoep werpt een bezorgde blik op de pijnlijke grimas van zijn moeder en vraagt: Ga je pilletjes innemen, mama?
Ja, moeder gaat pilletjes innemen, want een ontploffend hoofd is echt geen zicht. Dit brengt prins blijkbaar op ideeën, want met de air van een zevenjarige sjamaan merkt hij op: Niet te veel, hoor, mama. Met Michael Jackson is het ook niet goed afgelopen.
Ik ben prins. Ik volg het journaal.

Poppy vraagt met een flinke dosis ongeduld waar haar zwart dingetje is. Zwart dingetje? Dropje? Poppenschoentje? Keuteltje? Kevertje? Balletje? Nee mama, mijn-op-laad-ding-van-mijn-Nin-ten-do. Het gebrek aan telepathisch inzicht van haar moeder wordt absoluut niet gewaardeerd. Dat haar moederbeest niet met die Nintendo, al zou ze het willen, speelt en dus dat zwarte ding niet heeft kwijtgespeeld, is een verwaarloosbare bijkomstigheid. Maar zoals gewoonlijk trekt mama gelaten en mopperend haar Columbo-jas aan. En, ziedaar, na wat diepgaand gegraaf wordt het kleinood van onder een kussen, drie knuffels, een gezin poppen en twee jassen opgediept in de zetel.
Al die extra aardlagen die hier voortdurend bijgroeien in huis, foetert het moederbeest tegen haar man, ik was beter archeologie gaan studeren.
Poppy staat met gespeeld medeleven zwijgzaam mee te luisteren, ademt dan rustig in en zegt: Ja mama, alles is serieus mysterieus.
Ik ben poppy. Ik mag dan wel een klein hoofd hebben, maar het zit barstensvol antwoorden.

Zoon drentelt zijn opa achterna de kelder in en stelt daar vol ontzag vast dat opa binnenkort echt wel door het plafond zal gaan groeien of in het ergste geval de kelder niet meer in kan. Opa stelt hem lachend gerust. Dat zoiets zeker niet gebeuren zal, omdat opa niet meer groeit. Waarop prins zich oprecht verbaasd hardop afvraagt waarom zijn grootvader dan nog zoveel eet.
Ik ben prins en als ik mijn bord uit eet word ik heel groot.

Prins zingt in bad een lofzang op zijn nieuwe juf turnen, de wondermooie Helena. Poppy polst met enige jaloezie naar het eventuele lief van die o zo fantastische juf met de lange haren. Ze blijkt er inderdaad één te hebben en zoon kent zelfs zijn naam. Hij heet Bart, deelt broer zelfvoldaan mee en geniet van zijn eigen verzinsel.
Ach, natuurlijk, slaat dochter zich dramatisch voor het hoofd. Die ken ik toch: Bart de Wever!
Ik ben poppy. Als je mij wil overtroeven moet je net iets vroeger opstaan.

woensdag 20 oktober 2010

Ouderdomst

Ik begin er zo langzamerhand aan te twijfelen of het spervuur aan vragen van mijn kinderen op een erkenning van mijn autoriteit op het gebied van algemene kennis wijst.
Of Frank de Boosere altijd boos is, wil mijn dochter weten. Makkie, hij staat op datzelfde moment met een ergerlijk enthousiasme een nieuw koudefront aan te kondigen. Dat lijkt me een sluitend bewijs dat de brave man niet altijd boos is, waar ik haar met enige zelfvoldaanheid op wijs. Maar ik ben er toevallig ook van op de hoogte dat onze weerman vier kinderen heeft. Wat rekenkundig zou kunnen betekenen dat hij dubbel zoveel keren boos is als hun eigenste moeder, gesteld dat hij haar temperament heeft. Bijna altijd dan. Mijn kind is haar belangstelling verloren. Al die nuances en details, daar wil ze niks van weten. Jammer voor haar dat de secretaris van haar moeders geheugen daar nu net verzot op is.
“Zijn de Chinezen rijker dan ons?” vraagt prins terwijl hij tegen een bal trapt.
“Ze zijn met meer,” probeer ik voorzichtig. Mijn brein knispert en knettert. Mijn secretaris dabt verlekkerd in het archief. Vroeger braken ze de poezelige voetjes van babymeisjes met een steen, rolden ze op en maakten er een mooi pakje van. Twaalf centimeter, meer moest dat niet zijn. Als een moeder al eens last kreeg van medelijden en de voeten van haar kind ongehinderd liet groeien, kreeg ze stank voor dank. Dat kind geraakte niet meer van de straat met haar reuzenmaat 34. Dat was de vraag dus niet. Nee, jongen, ik weet het niet. Mama is een beetje dom.
“Wanneer wordt de laatste mens geboren?”
Tussen de soep en de patatten wordt mij deze filosofische vraag in de maag gesplitst. Mijn hart improviseert een verre, verre toekomst. Het is al goed, mijn kind, ik beken, ik heb geen flauw idee.
En ja hoor, hier komt ze, nog even vlug voor het slapen gaan, de nazi-vraag:
“Van wie hou je het meest, van prins of van mij?”
Alsof ik mijn hart kan uitpersen in twee glazen. Ziehier, twee Bloody Mary’s en het volste glas is het meest beminde kind. Foei, gruwelijke dochter met je engelengezicht, ik weiger hierop te antwoorden, want, neen, ik weet het niet en ik wil het niet weten ook.
Er zijn ook de verraderlijke vragen, waarover ik nauwelijks hoef na te denken. Ze willen bijvoorbeeld weten wanneer het eten klaar is. Mama staat daar stomend in potten en pannen te roeren en ze kan precies zeggen op welk tijdstip we aan tafel kunnen. Maar nu ze eindelijk blijkt in staat te zijn om een beknopt en correct antwoord te formuleren, lijkt en leidt het nergens naar. Want madame heeft afgrijselijke honger, dus half zes is veel te laat. Of meneer is net aan een wereldkampioenschap voetballen in de tuin bezig, dus half zes is veel te vroeg.
“En trouwens, waarom mogen wij nooit of te nooit niks?”
Nooit niks is altijd. Met rollende ogen wordt mij duidelijk gemaakt dat dit een verwaarloosbare opmerking is en geen antwoord.
“Waarom mag snoepen voor het eten niet?”
Dat bederft je eetlust. Nog niet half zo veel als ik hun pret bederf laten ze me in stereo weten.
Ik had het kunnen vermoeden. Een opmerkzame moeder had het al van ver kunnen zien aankomen. En gisteren, toen ik mij voorzichtig naar mijn zoon boog voor een nachtkus, was het zover. Mijn oranje prins informeerde bezorgd waarom mijn nek eigenlijk pijn deed.
“Van de ouderdom zeker,” antwoord ik om ervan af te zijn, want zoals u al verwacht had, hoorde ik het in Keulen (Waar ligt Keulen precies, mama?) donderen.
“Wat is dat dan ‘ouderdom’?”
Ik leg uit: “Dat mama ouder wordt.”
Zijn zus had me eerder die week al minder fijnzinnig op mijn "kreukelige" handen gewezen.
“Ah zo, ouderdom,”, zegt de kleine prins peinzend. “Dus mama wordt ouder... En dommer.”
Inderdaad, mama wordt ouderdommer. Maar er zijn ook ouders die vraagstaarten negeren, ouders die niet eens proberen een antwoord te verzinnen en die zijn dan ouderdomst.

maandag 11 oktober 2010

Nina

Van ver al kan ik zien dat ze er niet zit en een paar seconden lang vrees ik dat ik de bus gemist heb. U moet weten dat Nina daar altijd zit op woensdag. Ik ken Nina niet. Tenminste, niet persoonlijk. Alleen van het bankje in het bushokje dus. Van ziens. Van haar pluisachtig, rechtopstaand engelenhaar. Van haar vleeskleurige, teenloze kniekousen. Haar voorkeur voor herfstkleuren. Van haar opgetrokken bovenlip die men makkelijk voor een glimlach kan houden, maar die vooral verbetenheid uitdrukt. Van haar dagelijkse busbeklimmingen, want mensen als Nina, die oud zijn en slecht ter been, slagen er slechts met de grootste inspanningen in om de nieuwerwetse trapjes en verhogingen die snoodaards van designers in de moderne lijnbus voorzien hebben, te overwinnen. Dat gaat als volgt; eerst strekken zij hun armen uit en graaien wat in het luchtledige tot hun klauwtjes in het beste geval een stang, maar soms ook een flapperend kledingstuk van de voorganger vinden. Dan proberen ze schommelend hun stramme lijven binnen te hijsen. Dat lukt hen niet alleen. Wij weten dat. Degene die achter hen staat geeft een duwtje, haakt een arm in en, hoppa, het eerste obstakel wordt overwonnen. Vroeger sprong Nina fluks en vrolijk over de hekken van tien weilanden heen en ze ging er prat op dat geen stier of bronstige boer haar te pakken kreeg. Dat was nog voor de tijd dat ze tien vlaaien begon te bakken op zaterdag, waarvan ze er zelf anderhalve opat. Troosttaart. Haar gesuikerde antwoord – in die tijd waren gepeperde bij vrouwen nog niet in zwang - op de halsstarrige weigering van haar gewoontedier van een man om de grenzen van hun dorp over te steken.
‘De zee? De zee? Wat moeten we aan de zee? Als ik water wil zien, neem ik wel een bad.’
‘De Ardennen? Wat moeten we in de Ardennen? Hier zijn ook bomen. Een boom is een boom. Dat heeft een stam, takken en bladeren. Wedden dat ze daar mijn pruimtabak niet verkopen. En dan hele dagen lopen zoeken naar een winkeltje, terwijl ik hier vlak om het hoekje…”
Waarop Nina hem onderbreekt en voorzichtig tegenpruttelt dat hij misschien een voorraadje kan meenemen. Zoals altijd wanneer hij het niet van haar kan halen, grijpt hij naar zijn buik en vlucht richting wc voor een grooten boodschap. Ze heeft dat hartje in de deur nooit begrepen. Na zijn heengaan is haar dagelijkse busreis een soort inhaalmanoeuvre, haar eigen kleine wraakoefening. Recalcitrante Nina met de opgetrokken bovenlip, zij doet haar eigen zin.
Ik moet u iets bekennen. Ik weet niet of het allemaal zo gelopen is. Zoals ik eerder al zei, ik ken Nina niet. Ik weet alleen dat ze Nina heet en dat ze elke dag de bus neemt. Van horen zeggen. Niet dat ik echt aan het luistervinken was. Maar u weet hoe dat gaat. Als de wind in de gunstige richting staat wil een gesprek aan een halte al eens aan je oor inwaaien.
Voor hetzelfde geld zit ik er helemaal naast. Vormden zij, Nina en haar man, een onafscheidelijk koppel. Arm in arm schuimden ze markten af. Als ze nu , alleen, langs de kraam met appelcake komt, sluit ze haar ogen en snuift de warme, zoete geur ervan diep in. En dan gebeurt het, telkens weer.
Hij zegt: “Nina, die cake van u ruikt duizend keer lekkerder.”
“En gij ook,” zegt hij.
“Zo lekker, dat ik soms goesting krijg om u op te eten,” zegt hij.
Het is alsof zijn groot, sterk lijf terug naast haar staat en hij haar grijnzend schuins aankijkt. De zachte beroering van zijn adem. Ze voelt het. Ze ruikt het. Vanille. De obstakelweg die zij elke dag weer aflegt, is haar persoonlijk ontroerparcours. En daarom blijft ze gaan, strompelen, schuifelen, wankelen, struikelen met een traagheid die vooral anderen lastig vinden. ‘Onverantwoord,’ waait de wind. In een brasserie zonder al te veel trappen drinkt ze twee tassen koffie met twee koekjes. Voor hen allebei.
Blijkbaar heb ik dan toch de bus niet gemist, want daar komt Nino aangehobbeld. Even heb ik gedacht dat hij haar echtgenoot was. Een man laat niet snel zijn zakje met fruit of sokken aan een vreemde vrouw zien. Naar alle waarschijnlijkheid heet die mens trouwens gewoon Jean of Jules of Gustaaf, maar zolang ik niet over de feiten beschik, blijf ik wel de baas van het verhaal. In vergelijking met haar is zijn tempo iets hoger, maar hem een snelheidsduivel noemen is overdreven. Dat hij nooit samen met haar naar de bushalte wandelde, stoorde me enigszins. Al stemde de idee dat hij later die appelsientjes voor haar zou uitpersen me enigszins gerust. Ik weet het, ik heb de neiging om het goede in de mens te zien. Het is dat of de afgrond.
‘Dat hij haar broer is,’ ritselt de wind. ‘Een jonkman. Nooit getrouwd geweest.’ Ik gluur naar zijn stuurse kop. Dat verklaart veel. Vroeger lachte hij wel, vooral naar haar, een meiske uit het dorp. Hij had haar graag gezien. Maar zij moest hem niet hebben. En dus hij zichzelf ook niet meer. De jonge Werther ging daar dood aan, maar Nino zijn gestel was sterker. Sindsdien hebben broer en zus het deel van de geest dat immer over de schouder heen kijkt gemeen.
Iemand vraagt waar Nina is. Blijkbaar ligt ze in het ziekenhuis. Operatie aan haar been. Dat zat inderdaad de laatste tijd in het verband. Kon je zo zien door de kousen heen. Ik heb wel eens gedacht aan de winter als ik Nina zag. Aan de verschrikking van een blinkend, knerpend sneeuwlandschap, dat haar meedogenloos achter een raam met vrouwentongen zou dwingen.
Een schildpad wil ze zijn. Ze begint er al een beetje op te lijken vindt ze zelf in de spiegel, haar nek verplaatst zich neerwaarts terwijl haar rug als een schild omhoog groeit. Hoe dat toch zo gekomen is, vraagt ze zich af. Ze ziet dat wel zitten, een reuzenexemplaar van een schildpad te zijn, op de buik door de straten en als het regent, trekt ze doodeenvoudig een tijdje haar hoofd, armen en benen in.
De bus stopt zuchtend aan onze voeten. Iedereen probeert zoveel mogelijk alleen te zitten. Even heb ik ooit een bus verzonnen waarin mensen zomaar met elkaar zouden praten. Schoon, zeiden ze tegen elkaar. Warm. Heet. Fris. Vochtig. Zuur. Winderig. Kil. Grillig. Duister. Strontweer. Zwijgen was misschien een betere optie. Voor mij , die aan kijken vaak genoeg heeft, dan toch. Ik stap niet snel in vliegtuigen – als het de bedoeling was dat wij vlogen, hadden we wel vleugels gehad. Ik neem niet snel boten - als het de bedoeling was dat wij wijde wateren overstaken, hadden we kieuwen gehad. Bergen zijn te hoog. Onbekende wegen zo ondoorgrondelijk en beangstigend. Ik doe niet aan avontuur, ik verzin en ik zal u vertellen waarom. Een schildpad zal voor mij na dit verhaal nooit meer een schildpad zijn. Als ik er ooit een in uw tuin zie, zal ik aan Nina denken. Het is op zich een klein avontuur, veilig en ontroerend, en het absolute voorecht van elke verzinkoningin.

dinsdag 28 september 2010

Ik hoew van je lieft mama ik

Er zullen ongetwijfeld families bestaan die erin slagen om hun avondeten in totale stilte naar binnen te werken. Naar het schijnt hoort dat ook zo. Al is de reden daartoe mij onduidelijk. Ons gezin blinkt nochtans uit in de knabbel/babbelcombinatie en wij hebben tot nu toe daar nog geen slokdarmverstuikingen of andere kwalen aan overgehouden. Integendeel, het is net op zulke momenten dat de kinderen ons als ouders met (volle) mondjesmaat toelaten in hun leventje buiten de deuren van het nest.
Vanavond werd ons een blik gegund op de speelplaatsliefde van onze vijfjarige dochter. Tussen twee happen door blijkt dat ‘ze niet meer op Q. is’. De toon waarop ze ons dit meedeelt, verraadt een bewonderenswaardige berusting. Als had ze net om nog een beetje meer rijst gevraagd.
“E. is al op Q.. En nog andere kinderen ook,” licht ze verder toe en wij, die haar ondertussen al goed kennen, begrijpen. Het wordt popppy te druk in haar liefdesparadijs. Tot overmaat van ramp blijkt Q. zelf dan weer op helemaal niemand te zijn. Dus zo zit dat met de mannen van tegenwoordig. Zonder schroom een oeroud systeem in één klap helemaal onderuit halen, want als ik popy mag geloven zijn het de meisjes die vandaag de dag de jacht inzetten. ‘Wij vangen jongens.’ Letterlijk binnenhalen dus.
“Maar nu ben ik op S., het broer van N., want die heeft een lange hals.”
Om het beeld van haar lief voor ons geestesoog te activeren rekt ze haar hals werkelijk ver uit. E.T.’s hart zou gloeien als een kooltje van jaloezie bij het aanschouwen ervan.
“Echt waar,” mompelt ze dromerig. “Zo een héééle lange hals. Ik vind dat mooi.”
Haar broer knikt goedkeurend. Blijkbaar voldoet de nieuwe ook aan zijn normen.
“S. is stoer. Die heeft me tijdens de (naschoolse) opvang eens getackeld.”

Kinderen spelen de liefde na en ze doen dat verbluffend goed. Er valt geen traan. Er is geen sprake van spijt. So what, als de één niet wil, dan zoeken ze gewoon een ander. Zonder een spoor van hartzeer wisselen ze van lief zoals een acteur van baard verandert. Voor zolang het duurt alleszins. Want straks worden zij net zoals wij opgezadeld met de erfenis van de ridders. Het is allemaal hun schuld. Zij waren het die destijds hun ros aanspoorden, die ridders, om de een of andere jonkvrouw te bevrijden uit de klauwen van draken en ander ongedierte, waarna ze, nog een beetje nasmeulend weliswaar, helaas nog een wijle op de kin konden kloppen. Sleuteltje van de kuisheidsgordel onderweg ergens verloren, vermoed ik.
Et voila, de hoofse liefde was een feit. En wij, arme schapen, richten ons verlangen daar nog altijd naar. Verlekkerd aanschouwen wij op de beeldbuis hoe twee mensen, en wij zien dat van kilometers ver aankomen, voor elkaar bestemd zijn. Fatum, het lot, je weet wel. Maar ik ga te snel, veel en veels te snel, want eerst moeten er hindernissen genomen worden door de hoofdpersonages, meestal twee adembenemende koningskinderen die bij malkander niet kunnen komen. De misverstanden en intriges drijven hen en ons haast tot wanhoop.
Edoch, na wat eloquent over en weer gepalaver en met de hulp van heel wat weergaloos mooi toeval is het zover: De Kus. Het heeft zo moeten zijn. Zo en niet anders. En dan is het gedaan. Volgens de aftiteling dan toch. Wij zwijmelen uit onze zetel. Onze ridder schiet wakker, grijpt automatisch naar de afstandsbediening en zapt naar één of andere voetbalwedstrijd. Wij kussen vluchtig zijn verstrooide wang, plukken twee welriekende sokken van de vloer, laten de wasmachine draaien, nachttarief, en zuchten ons een weg naar bed, waar wij hopen dat de film met ons mee over de drempel van de slaap stapt.
En dan is het gedaan? Maar nee, bijlange niet, want waar de film stopt, beginnen wij, gewone stervelingen. Na al dat verlangen in het doosje, het hunkeren, de ontregeling, de radeloosheid, het ondersteboven zijn en uiteindelijk de illusie van een verlangen dat altijd en eeuwig en nog langer zelfs blijft duren, is het aan ons. Nu kunnen wij ons bewijzen. Wat bewijzen? Wel, dat wij de liefde ook in haar ware vorm kunnen zien, niet als opgedofte trien, niet als, laten we toch eerlijk zijn, lachwekkende karikatuur, niet als een opgeblazen zak lucht, maar in haar pure, ongepolijste vorm. En dat we haar ook nog eens aankunnen zonder een koor van scenarioschrijvers die ons stukjes doorwrochte tekst in de oren blaast. Het is even zoeken, hoor, want na het broeierige begin maakt ze zich verdorie klein, die romantische liefde. Wat zeg ik, ze verstopt zich gewoon in de sleur van alle dag. De trut.

Terwijl ik de borden afruim, komt mijn dochter binnengestormd met een wel zeer urgente vraag:
“Waar zijn de (pampers) luiers, mama?”
“Ik heb geen luiers meer, Ana. Er zijn toch geen kleine kindjes meer hier in huis.”
“Dan moet je er vlug gaan kopen, hoor!”
Ze trekt haar bloes omhoog en maakt met haar vlakke hand wijde cirkels over haar buikje.
“Want ik heb een baby in de buik.”
Mijn dochter heeft er geen boodschap aan dat haar moeder dit – nu nog wel – grappig vindt. Haar schooljuffenblik is ronduit angstaanjagend.
“Ik ga hier wel blijven wonen, hoor, met de baby. Dus jij moet luiers gaan halen.”
Ze heeft dat goed voor zichzelf geregeld.
Ik vraag: “En voor wanneer is de baby dan?”
Ze probeert al fronsend het voorhoofd van een zeer oud mens uit.
“O, pas voor als ik al heel groot ben. Ik denk, zo ongeveer negenendertig.”
“En waar gaat S. dan wonen?”
“Dat weet ik niet. S. is eigenlijk niet op mij. Ik ga iemand anders zoeken.”
Het gaat alsmaar sneller. Het hoofd van moeder begint er een beetje van te tollen. Oud lief, nieuw lief, zwangerschap, breuk, en straks zal ze waarschijnlijk willen gaan daten op het internet als ik er geen stokje voor steek. Hoe die baby er trouwens binnen geraakt is, in die buik?
“Ik heb wel al vijf keer kusjes gegeven aan hem.”
Het ondeugende lachje verraadt haar. Ze kan al heel veel, die kleine, maar als ze liegt valt ze telkens weer door de mand.
“Wie wil jij een kusje geven?”
vraag ik plagerig aan prins, die zich wijselijk buiten het vrouwengeklets heeft gehouden.
“Ik lust de kusjes van mama het liefst,” bekent hij en kijkt even blozend over zijn Nintendo heen. Hartverwarmend hoe mijn zoon zijn eerste liefde trouw blijft. Op de koelkast hangt een briefje van zijn hand, een ietwat Afrikaans aandoend liefdesbriefje, dat hij na een paar maanden eerste studiejaar schreef. Dit staat er: “lief mama ik hoew ik van prins” – witregel – “ik how van je lieft mama ik”.
Werelds meest onhandige liefdesuiting en de mooiste tegelijkertijd. Want wat ik al de hele tijd wilde zeggen is dit. Kleine kinderen zijn beter in de liefde. Ofwel is het voor hen een huis-, tuin-, keuken- en speelplaatsspel. Ofwel is het ze menens: ik hoew van je lieft mama, onvoorwaardelijk, zeker weten, maar dat was toen nog te moeilijk om neer te schrijven. En dat terwijl het niet altijd koek en ei is. Zeker niet. Ze breken het kot af en wij grommelen. Ze trekken elkaar de haren uit de kop. Wij schreeuwen moord en brand. Ze bekwamen zich in marathonzeuren. Wij zuchten. Ze willen regelmatig alles en wel nu onmiddellijk. Wij steken eensgezind de vingers in de oren. Ze kruimelen zich een weg door ons pas gepoetste huis heen. Wij oefenen gedreven ons donderwolkengezicht. Ze gunnen ons geen uitslaapdag, nee, ook niet op zondag. Wij weten het niet meer. En elkaar dan toch zo dood- en doodgraag zien. Dat is wat kinderen doen; ze leren je een lesje in de liefde. Het is bijgod een wonder.

woensdag 22 september 2010

Schots rokje

Daar staat ze. Aan de toog. Ze bestelt een drankje. Schots rokje aan. En daaronder een stel welgevormde benen. Jong nog. En blond. Hebben de mannen haar gezien? Natuurlijk hebben de mannen haar gezien, het zal nog niet, dat zijn gezonde jongens. Met testosteron. Die mannen moeten daar naar kijken. Dat is de natuur.
“Goed voorzien van oren en poten,” grijnzen ze eensgezind.
En dan zien de vrouwen haar ook. Of beter nog, ze zien dat de mannen haar zien. Draaien boos met hun ogen. Gespeeld boos, want hun mannen mogen daar naar kijken. Natuurlijk wel. Zo een kort Schots rokje. Dat zijn gezonde jongens. Met testosteron. Die moeten dat zien. Dat is de natuur. Zijn ze niet jaloers? Ach welnee, zo flauw zijn ze niet. Meer nog, ze kijken net zo graag naar dat heupwiegend geruit stukje textiel. De voorgevel is ook dik in orde, oordeelt het deskundig oog der mannen. Maar zo ver waren de vrouwen nog niet. Die waren net iets te lang blijven hangen bij het perfecte kontje. Maar nu stijgt hun blik collectief naar boven. De schone draait haar blonde hoofdje bevallig in hun richting.
“Ach,” fluistert één van de vrouwen. “Ze heeft verdorie ook nog een mooi snoetje.”
Teveel van het goede. Daar begint het zo stilletjes aan wel op te lijken. De vrouwen zuchten en nemen een flinke slok Gordons Finest Gold. Kijken naar de haren die bevallig heen en weer zwiepen. Totdat één van hen haar blik resoluut loshaakt.
“Een rotkarakter,” zegt ze.
De anderen kijken haar vragend aan.
“Ach, dat zie je toch zo, met één oogopslag. Slecht karakter. Valt niet mee samen te leven. Al die nukken en grillen.”
De andere vrouwen proesten het uit.
“En lomp! Lomp! Weet van voor niet dat ze vanachter leeft,” gaat ze verder, aangemoedigd door zoveel bijval.
“Eelt op haar voeten. Massa’s eelt op haar voeten,” vult een andere gretig aan
“Als het dat maar was. Stinken dat die voeten doen. Gelieve het muiltje van de prinses niet uit te doen alstublieft!”
De dames raken op dreef.
“Naar het schijnt kan je met de kaas tussen haar tenen een groot brood beleggen.”
Hilariteit alom. Iemand verslikt zich in een slok bier.
“En uit haar bek stinkt ze ook,” hikt iemand en steekt haar neus in de lucht.
“Ik geloof dat ik het tot hier ruik.”
Ze hebben lang niet meer zo moeten lachen, de vrouwen. Vegen de tranen uit hun ogen. Snuiten hun neuzen. Bestellen nog een Gordons Finest Gold.
Eén van hen draait ostentatief haar rug naar het Schotse rokje, steekt samenzweerderig een hand in de lucht en roept:
“Zijn wij allemaal oké?”
De vrouwen kletsen de handen tegen elkaar, high five, want ja, ze zijn allemaal heel oké. Niet kortgerokt, dat niet, nee, en ook niet meer piepjong en godzijdank niet blond. En ook niet jaloers, welnee, het was allemaal maar om te lachen. Daar krijg je lachrimpeltjes van. Die versiering van de ogen dragen ze met trots. Proost. En terwijl ze nog een slok bier drinken, komen de deelnemers van de highland games binnengestampt. Helemaal onder de modder zitten ze. Ze ogen woest en dorstig. Hun lichaamstaal spreekt: we men, we make fire, we eat meat, we take women. De vrouwen gooien hen een paar steelse blikken toe. Niet te veel hoor, het is maar om te spelen. Want straks gaan de vrouwen en de mannen samen naar huis, vallen prompt in slaap in hun tweepersoonsbed en de eerste die wakker is, haalt de glaasjes water tegen de nadorst. Eén voor hem en één voor haar. En als ze dan nog even zo tegen mekaar aanliggen, fluisteren de vrouwen in de oksels van de mannen:
“Weet je nog, dat meisje met dat Schotse rokje van gisteren?”
Maar ze weten het niet meer, de mannen. Ze zijn het vergeten, of ze zijn nog te moe om het zich te herinneren. En ze hebben jeuk tussen hun schouderbladen. Of de vrouwen even willen krabben? Een beetje hoger. En nu nog iets meer naar links. Ja, zo is het goed.

zondag 12 september 2010

De kardinaal en het vogeltje (of Godfried en de mus)

De kardinaal kijkt door het raam. Twee vogeltjes spelen tikkertje in een boom. Een lieflijk tafereel dat hij in rustiger tijden gaarne gadesloeg, maar vanbinnen in hem roert er zich nu van alles. De onrust borrelt zuur omhoog in zijn maag. Na het verhaal van Roger was hij uit de lucht gevallen. Niet als een engel, nee. Als een stom stuk graniet tegen de vlakte geslagen en verdoofd blijven liggen. Natuurlijk was hij uiteindelijk toch in beweging gekomen en vertrokken, maar hij kon bij god niet recapituleren hoe hij thuis geraakt was. En wat er door zijn hoofd gevlogen was onderweg. Ergens ligt hij daar nog steeds, in totale verbijstering.
Sindsdien zit er een vloek in Godfried. Hij onderdrukt het, natuurlijk, zoals hij dat in gezelschap doet met een boertje na het eten. Maar weg is het niet. 't Zit daar blijkbaar goed. Om hem te pesten. Of te testen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.

De vogels lijken met elkaar te praten. De maakt hem enigszins nieuwsgierig en hij opent het raam. Ze zwijgen abrupt. Eén van hen vliegt na wat lijkt op een vleugelzwaai weg. De andere blijft. Kijkt hem aan. Met zijn blinkende kraaloogjes. Recht in zijn hart.
“Wat scheelt er, Godfried?”
De wereld draaide al door en nu draait hijzelf blijkbaar mee door. Of is dit dan toch eindelijk God die weliswaar door een vogelbek, ook door hem geschapen en dus zeker niet minderwaardig, zich kenbaar maakt? Zijn timing is alleszins perfect, verzucht Godfried, de nood hoog.
“Zeg het maar, Godfried,” spreekt de vogel en houdt zijn kopje scheef.
“We zitten in de knoei. Dat is wel het minste dat ik zeggen kan. Eerst hebben ze me meegepakt. Als een misdadiger. In mijn huis rond gesnuffeld. Papieren meegenomen. Mijn strips van Jommeke. En nu …”
De kardinaal laat zijn hand vermoeid neervallen op de krant die voor hem ligt.
“Nu hebben ze het recht gezet, maar dat is niet wat blijft hangen bij de mensen. Wat blijft hangen zijn de beelden. En die gaan in de hoofden een eigen leven leiden. Die Godfried, zullen ze zeggen…”
Het vogeltje onderbreekt hem en wipt enthousiast van het ene pootje op het andere :
“ Laat die God er maar af, zullen ze zeggen. Die Fried, dat vettige Frietje, is volgens mij ook niet proper. Waarom vallen ze anders binnen, zullen ze zeggen, waar rook is, is smeerlapperij. Kan die Fried wel zelf met zijn tengels…”
Godfried kijkt het vogeltje ontdaan aan.
“Mijn excuses,” zegt het gebekt duiveltje. “Als ik eenmaal begin, raak ik erg op dreef. Neemt u het mij niet kwalijk.”
“Wat had ik moeten doen? Zeg het me. Ik heb het ook aan Hem gevraagd. Naar goede gewoonte mijn handen gevouwen en het Hem gevraagd. En naar even goede gewoonte antwoordde Hij niet, wat evenveel betekent als: zoek het zelf maar uit, ge weet wat ge moet doen…. Hij overschat mij.”
De vloek werkt zich woest een weg naar boven.
“En toen vroeg Roger of ik met dat bewuste familielid wilde spreken. Ik kan niet nee zeggen. Wij zijn vrienden… Waren… Zijn… Wij moeten toch vergiffenis schenken, nietwaar? Zalven eerder dan slaan. Begrijpt ge wat ik bedoel?”
“Ge dacht, ik sla die “vriend” van mij even graag op zijn smoel. U handen jeukten, maar ge stak ze in uw zakken. Is het dat wat ge bedoelt?”
Godfried knikt. Een vogel die hem de biecht afneemt, dat hij dit nog mag meemaken.
“Dus toen ik daar aan die tafel zat tegenover die mens, het slachtoffer, de familieportretten zag boven zijn hoofd, dat tegeltje met de spreuk “Gasten brengen vreugde aan, is ’t niet bij ’t komen dan wel bij ’t gaan.” Toen had ik al spijt. Waarom zit ik hier God, dacht ik. Ik was op mijn ongemak. Zeg ne keer, zei ik, maar ik meende dat niet. ik wilde het allemaal niet weten. Ik kan dat niet verdragen. Ik zie die man nog diep ademhalen en eraan beginnen. Ik heb mijn hand omhoog gestoken en hem laten zwijgen. Dat ik het verhaal al kende, zei ik hem. Een leugen. Ook dat nog. Want ik kende alleen Roger zijn verhaal. Die man bleef rustig. Maar zijn adamsappel niet, die bleef maar op en neer gaan. Ik kon daar niet meer tegen. Vooruit, dacht ik, we moeten allemaal vooruit.”
Het vogeltje wipt van de vensterbank op de krant, nogal respectloos op het aangezicht van de kardinaal, en duidt met zijn bek een zin aan.
“Hier staat dat ge elke dag aan die mens denkt.”
Godfried knikt.
“Dat helpt geen fluit. En dat weet ge. In die mens schreeuwt nog altijd dat jongetje van toen. Dat weet ge toch.”
“Dat weet ik, ja.”
“En als ge straks aan de gouden poort staat. Wat gaat ge daar vertellen? Ik heb het niet geweten? Onze Pieter kan daar niet goed tegen. Ge moet die mens begrijpen, die staat daar al voor eeuwig en altijd. En telkens zijn ze weer daar met hun “Ik heb het niet geweten”. Ge zult iets beters moeten verzinnen.”
“De Kamer van Inbeschuldigingstelling heeft me gelijk gegeven. Maar dat betekent niet dat ik me niet…”
“…schuldig voel.” vult het vogeltje een beetje verveeld verder aan. “Maar wat ge ook zou doen, het zou nooit goed zijn. Als ge deemoedig zwijgt, zijt ge een lafaard. Als ge door het slijk kruipt, mea culpa roept, de zweep legt over uw blote bast, o goede ouderwetse zelfkastijding, dan zou het nog niet voldoende zijn. Hij hangt het slachtoffer uit, zullen ze zeggen. Maar door de modder moet ge. Er door heen en nog eens terug. Er zit niks anders op. De kerk ligt op zijn gat. De mensen wantrouwen uw soort. Mea Culpa in het kwadraat. Er zit niks anders op.”
Godfried buigt zijn hoofd. De onbeschaamde vogel pikt een paar kruimels uit zijn onaangeroerde boterham met confituur. De kardinaal zit er verslagen bij.
“En dan nog één laatste ding,” zegt het vogeltje met volle bek.
Godfried kijkt hem hoopvol aan.
“Laat het maar komen.”
“Wat komen?”
“Dat wat daar al zo lang vanbinnen vast zit. Laat het maar komen.”
Godfried schudt zijn hoofd.
“Dat kan ik niet. Dat mag ik niet.”
“Ge kunt dat wel. Vooruit, het kwaad moet eruit. Voordat het erger wordt en u ziek maakt. Vooruit, laat het los.”
Godfried staat recht, spreidt zijn armen. Als een Jezus aan het kruis denkt de vogel bewonderend, en dan gebeurt het.
“Godvergodvergodverdomme toch!”
De vloek echoot over de straten. Voorbijgangers kijken omhoog. Vogels fladderen verschrikt weg. Geschrokken trekt Godfried zijn hoofd tussen de schouders en gluurt omhoog. Het plafond is niet opengescheurd, geen bliksem heeft hem getroffen. Zijn lijf ontspant zich een beetje.
“Zie wel dat ge het kunt. En daarbij, ge zijt ook maar een mens.” zegt het vogeltje en het vliegt weg.
Godfried zakt terug in zijn zetel. Hij is ook maar een mens. En dus komt na de vloek het water. Het vogeltje kijkt nog eenmaal achterom en ziet dat het goed is.

maandag 6 september 2010

Communautaire knuffels

Onderweg van school naar huis komt er een man langs me lopen.
“Heb je dat gezien?” vraagt hij. De verontwaardiging spat van zijn gezicht af.
“Schandalig is het. Heb je gezien hoe hard ze hier rijden vlak aan een school?”
Hij schudt zijn chagrijnige kop, trekt diepe rimpels in zijn voorhoofd. Het is hem aan te zien dat hij dat al eerder heeft gedaan.
“Huhu,” mompel ik, want ik moet eerlijk bekennen dat ik het niet gezien heb, maar ik denk er niet aan om zijn woorden in twijfel te trekken.
“Een man die 140 rijdt naar zijn werk in Leuven. Die pakken ze wel. Die mag zijn centen gaan neerleggen. Terwijl ze het hier allemaal laten gebeuren. Hier mag dat allemaal.”
Verongelijkt trekt hij zijn mondhoeken nog verder naar beneden. Een mens wordt daar niet schoner van.
“Huhu,” knik ik halfhartig.
“En tegen die bruine mannen doen ze al helemaal niks. Die mogen alles.”
Huhu? Hoe zijn we ineens bij ‘die bruine mannen’ beland? Ik word kriegel als ze zo beginnen. De kinderen huppelen een paar meter voor ons uit en ik ben blij dat ze niet aan deze onzin blootgesteld worden. Vroeger had ik hem met plezier klemgezet, verpletterd, hem rond zijn oren gekletst met ongelijke kansen. Dat hij zever in pakjes verkocht. Dikke zever in pakjes. Alles mogen. Mens, beseft gij wel hoeveel dat is? Alles. Maar het enige dat er bij mij uitkomt is ‘uhu’.

Ik ben opgelucht als ik mijn voordeur zie en onze wegen zich scheiden. De man glimlacht even. Er licht een milliseconde lang iets zonnigs op in zijn gelaat. Als ik nog verder van de school had gewoond, was hij ongetwijfeld over de politiek begonnen. Ik hoor het hem al zeggen.
“En die walen dan, wat vind ge daar nu van, die denken toch echt dat ze alles mogen. En maar op hun luie krent van ons geld leven. En wij maar werken tot we krom staan. En maar eelt kweken. En zweten. En geen tijd meer hebben voor vrouw en kind. Laat staan tijd om te genieten. Nee, dat zullen zij wel doen. Met ons geld.”
Ik begin de verongelijkte mens te herkennen. Helaas. Ze spreken allemaal dezelfde taal. De Waal is een profiteur. Van hetzelfde laken een broek bij De Vreemdeling, en blijkbaar rijdt Hij nu ook nog als een zot rond in onze straten. De Jeugd deugt niet. De Politiekers zijn zakkenvullers. De Cuisson van het vlees in het restaurant is niet goed. De Hond schijt net voor hun deur en De Koffie is lauw omdat hij zich alweer een uur aan het ergeren is. Slachtoffers van zoveel gebundelde slechtheid zijn ze. Of zij dan nooit iets fout doen? Of twijfelen? Of het eens niet weten? Of zich vergissen? Nee, want daar zijn ze tegen. Ze vertegenwoordigen De Perfecte Vlaming. Een standbeeld moesten ze krijgen. Nog bij het leven.
Ik weet niet wat ik me precies moet voorstellen bij De Vreemdeling. Waar De Waal voor staat. Of wat De Vlaming is, terwijl ik er naar het schijnt toch zelf één ben. Dat we in het buitenland altijd de taal van het land proberen te spreken, zeggen ze. Dat we graag in het zwart werken. En wat voor een beest is De Limburger? Volgens een aantal Antwerpenaren wonen zij in Limbabwé. En als de Vlaming al een beetje de onnozelaar van België is, ben ik dus als Limburger een oen in het kwadraat. Het zei zo. Wat is dat toch met De Waal, in één vingerknip gereduceerd tot zakkenvuller. Ik hoop dat het iets meer mag zijn. Straks denken mijn kinderen nog dat die mensen hele dagen over de grens heen en weer reizen met vrachtwagens om geld op te halen.
Ik ken De Waal niet. Alleen die vanuit mijn jeugd, toen ik met een vriendinnetje en haar ouders op vakantie ging naar de Ardennen. Wij vonden het hoogst vermakelijk dat op weg van camping naar dorp iedereen ons groette. Iedereen. En ze kenden ons niet eens. De oudere mannen namen zelfs hun pet af of tikten aan hun hoofd. Bonjour. Twintig keer op een dag als het moest. En als je er één keertje mee gebabbeld had, kreeg je er nog een kus bij ook. Gratis en voor niets. In het bos hebben wij samen kampen gebouwd. We verstonden elkaar niet, het ging allemaal met handen en voeten en tevergeefs articuleren, maar op het einde van de dag stond dat kamp er wel. Toen we weg groeiden van het bos naar een pintje in de kantine of de dorpstent waar er regelmatig een bal werd georganiseerd, verstonden we elkaar nog altijd niet. Hier en daar een zin kenden we, met veel haar erop. Dus het was weer met veel handen en voeten. En het kijken kwam erbij. Want voor flirten heb je niet zoveel woorden nodig. Als de stilte te lang naar onze goesting bleef duren, kusten we wat. Daar begrepen we allemaal wel iets van. Ik herinner me dat die kussen goed waren. Misschien zelfs beter dan de Vlaamse, want de Ardennen was voor ons al ver van huis. Het proefde allemaal iets exotischer.
Misschien hadden we Bart en Elio in die kantine moeten zetten. Na een lange wandeling door de bossen van dat vriendelijke dorpje Bièvre hen aan de toog een pint met een schoon kraagje toeschuiven. Er is natuurlijk geen garantie dat het gesprek dan het gewenste resultaat zou opleveren, maar misschien zouden ze door de blootstelling aan een overdosis zuurstof net zoals ik indertijd hun toevlucht nemen tot een knuffel. Ik hoor de verbaasde, iele stem van Elio al.
“Maarrr Barrrt, ik heeft dat nooit kewist dat kij zo koed kon knuufelen.”
Waarop Bart monkelt: “Daar zegt ge al zo iets, ik ben er zelf niet goed van. Het is maar dat ik mijn kinderen mis. Die krijgen elke dag vakantiekaartjes van hun vriendjes en ze verwijten me dat zij nergens naartoe kunnen met zo een vergadervader. Dat doet iets met een mens. Misschien dat het daardoor allemaal zo fout loopt.”
“Kij moet niet zo strenk zijn voor u zelf, Bart.” sust Elio hem daarop. “Weet kij, iek heb een idee, kij kaat nu subiet bellen naarr uw kinderen. Iek zal een huisje huurren hier voor uw kezin in de skone Ardennen. Alles op mijn kosten.”
Bart is daar zowaar een beetje van gepakt.
“Awel, Elio, dat is nu het verstandigste dat ge de laatste 80 dagen voorgesteld hebt. Een waarachtig schone geste.”
Ze heffen samen het glas. Iemand draait dat plaatje van Raymond van het Groenewoud op de jukebox: “de liefde voor muziek … het gaat vooruit, het gaat vooruit, het gaat verbazend goed vooruit.” Daar moeten ze dan eens hard om lachen.
Wat zou er gebeurd zijn als ik die mens op straat eens stevig vastgepakt had, bedenk ik nu. Een knuffel had misschien geholpen.