De kardinaal en het vogeltje (of Godfried en de mus)

De kardinaal kijkt door het raam. Twee vogeltjes spelen tikkertje in een boom. Een lieflijk tafereel dat hij in rustiger tijden gaarne gadesloeg, maar vanbinnen in hem roert er zich nu van alles. De onrust borrelt zuur omhoog in zijn maag. Na het verhaal van Roger was hij uit de lucht gevallen. Niet als een engel, nee. Als een stom stuk graniet tegen de vlakte geslagen en verdoofd blijven liggen. Natuurlijk was hij uiteindelijk toch in beweging gekomen en vertrokken, maar hij kon bij god niet recapituleren hoe hij thuis geraakt was. En wat er door zijn hoofd gevlogen was onderweg. Ergens ligt hij daar nog steeds, in totale verbijstering.
Sindsdien zit er een vloek in Godfried. Hij onderdrukt het, natuurlijk, zoals hij dat in gezelschap doet met een boertje na het eten. Maar weg is het niet. 't Zit daar blijkbaar goed. Om hem te pesten. Of te testen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.

De vogels lijken met elkaar te praten. De maakt hem enigszins nieuwsgierig en hij opent het raam. Ze zwijgen abrupt. Eén van hen vliegt na wat lijkt op een vleugelzwaai weg. De andere blijft. Kijkt hem aan. Met zijn blinkende kraaloogjes. Recht in zijn hart.
“Wat scheelt er, Godfried?”
De wereld draaide al door en nu draait hijzelf blijkbaar mee door. Of is dit dan toch eindelijk God die weliswaar door een vogelbek, ook door hem geschapen en dus zeker niet minderwaardig, zich kenbaar maakt? Zijn timing is alleszins perfect, verzucht Godfried, de nood hoog.
“Zeg het maar, Godfried,” spreekt de vogel en houdt zijn kopje scheef.
“We zitten in de knoei. Dat is wel het minste dat ik zeggen kan. Eerst hebben ze me meegepakt. Als een misdadiger. In mijn huis rond gesnuffeld. Papieren meegenomen. Mijn strips van Jommeke. En nu …”
De kardinaal laat zijn hand vermoeid neervallen op de krant die voor hem ligt.
“Nu hebben ze het recht gezet, maar dat is niet wat blijft hangen bij de mensen. Wat blijft hangen zijn de beelden. En die gaan in de hoofden een eigen leven leiden. Die Godfried, zullen ze zeggen…”
Het vogeltje onderbreekt hem en wipt enthousiast van het ene pootje op het andere :
“ Laat die God er maar af, zullen ze zeggen. Die Fried, dat vettige Frietje, is volgens mij ook niet proper. Waarom vallen ze anders binnen, zullen ze zeggen, waar rook is, is smeerlapperij. Kan die Fried wel zelf met zijn tengels…”
Godfried kijkt het vogeltje ontdaan aan.
“Mijn excuses,” zegt het gebekt duiveltje. “Als ik eenmaal begin, raak ik erg op dreef. Neemt u het mij niet kwalijk.”
“Wat had ik moeten doen? Zeg het me. Ik heb het ook aan Hem gevraagd. Naar goede gewoonte mijn handen gevouwen en het Hem gevraagd. En naar even goede gewoonte antwoordde Hij niet, wat evenveel betekent als: zoek het zelf maar uit, ge weet wat ge moet doen…. Hij overschat mij.”
De vloek werkt zich woest een weg naar boven.
“En toen vroeg Roger of ik met dat bewuste familielid wilde spreken. Ik kan niet nee zeggen. Wij zijn vrienden… Waren… Zijn… Wij moeten toch vergiffenis schenken, nietwaar? Zalven eerder dan slaan. Begrijpt ge wat ik bedoel?”
“Ge dacht, ik sla die “vriend” van mij even graag op zijn smoel. U handen jeukten, maar ge stak ze in uw zakken. Is het dat wat ge bedoelt?”
Godfried knikt. Een vogel die hem de biecht afneemt, dat hij dit nog mag meemaken.
“Dus toen ik daar aan die tafel zat tegenover die mens, het slachtoffer, de familieportretten zag boven zijn hoofd, dat tegeltje met de spreuk “Gasten brengen vreugde aan, is ’t niet bij ’t komen dan wel bij ’t gaan.” Toen had ik al spijt. Waarom zit ik hier God, dacht ik. Ik was op mijn ongemak. Zeg ne keer, zei ik, maar ik meende dat niet. ik wilde het allemaal niet weten. Ik kan dat niet verdragen. Ik zie die man nog diep ademhalen en eraan beginnen. Ik heb mijn hand omhoog gestoken en hem laten zwijgen. Dat ik het verhaal al kende, zei ik hem. Een leugen. Ook dat nog. Want ik kende alleen Roger zijn verhaal. Die man bleef rustig. Maar zijn adamsappel niet, die bleef maar op en neer gaan. Ik kon daar niet meer tegen. Vooruit, dacht ik, we moeten allemaal vooruit.”
Het vogeltje wipt van de vensterbank op de krant, nogal respectloos op het aangezicht van de kardinaal, en duidt met zijn bek een zin aan.
“Hier staat dat ge elke dag aan die mens denkt.”
Godfried knikt.
“Dat helpt geen fluit. En dat weet ge. In die mens schreeuwt nog altijd dat jongetje van toen. Dat weet ge toch.”
“Dat weet ik, ja.”
“En als ge straks aan de gouden poort staat. Wat gaat ge daar vertellen? Ik heb het niet geweten? Onze Pieter kan daar niet goed tegen. Ge moet die mens begrijpen, die staat daar al voor eeuwig en altijd. En telkens zijn ze weer daar met hun “Ik heb het niet geweten”. Ge zult iets beters moeten verzinnen.”
“De Kamer van Inbeschuldigingstelling heeft me gelijk gegeven. Maar dat betekent niet dat ik me niet…”
“…schuldig voel.” vult het vogeltje een beetje verveeld verder aan. “Maar wat ge ook zou doen, het zou nooit goed zijn. Als ge deemoedig zwijgt, zijt ge een lafaard. Als ge door het slijk kruipt, mea culpa roept, de zweep legt over uw blote bast, o goede ouderwetse zelfkastijding, dan zou het nog niet voldoende zijn. Hij hangt het slachtoffer uit, zullen ze zeggen. Maar door de modder moet ge. Er door heen en nog eens terug. Er zit niks anders op. De kerk ligt op zijn gat. De mensen wantrouwen uw soort. Mea Culpa in het kwadraat. Er zit niks anders op.”
Godfried buigt zijn hoofd. De onbeschaamde vogel pikt een paar kruimels uit zijn onaangeroerde boterham met confituur. De kardinaal zit er verslagen bij.
“En dan nog één laatste ding,” zegt het vogeltje met volle bek.
Godfried kijkt hem hoopvol aan.
“Laat het maar komen.”
“Wat komen?”
“Dat wat daar al zo lang vanbinnen vast zit. Laat het maar komen.”
Godfried schudt zijn hoofd.
“Dat kan ik niet. Dat mag ik niet.”
“Ge kunt dat wel. Vooruit, het kwaad moet eruit. Voordat het erger wordt en u ziek maakt. Vooruit, laat het los.”
Godfried staat recht, spreidt zijn armen. Als een Jezus aan het kruis denkt de vogel bewonderend, en dan gebeurt het.
“Godvergodvergodverdomme toch!”
De vloek echoot over de straten. Voorbijgangers kijken omhoog. Vogels fladderen verschrikt weg. Geschrokken trekt Godfried zijn hoofd tussen de schouders en gluurt omhoog. Het plafond is niet opengescheurd, geen bliksem heeft hem getroffen. Zijn lijf ontspant zich een beetje.
“Zie wel dat ge het kunt. En daarbij, ge zijt ook maar een mens.” zegt het vogeltje en het vliegt weg.
Godfried zakt terug in zijn zetel. Hij is ook maar een mens. En dus komt na de vloek het water. Het vogeltje kijkt nog eenmaal achterom en ziet dat het goed is.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn