ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 28 september 2010

Ik hoew van je lieft mama ik

Er zullen ongetwijfeld families bestaan die erin slagen om hun avondeten in totale stilte naar binnen te werken. Naar het schijnt hoort dat ook zo. Al is de reden daartoe mij onduidelijk. Ons gezin blinkt nochtans uit in de knabbel/babbelcombinatie en wij hebben tot nu toe daar nog geen slokdarmverstuikingen of andere kwalen aan overgehouden. Integendeel, het is net op zulke momenten dat de kinderen ons als ouders met (volle) mondjesmaat toelaten in hun leventje buiten de deuren van het nest.
Vanavond werd ons een blik gegund op de speelplaatsliefde van onze vijfjarige dochter. Tussen twee happen door blijkt dat ‘ze niet meer op Q. is’. De toon waarop ze ons dit meedeelt, verraadt een bewonderenswaardige berusting. Als had ze net om nog een beetje meer rijst gevraagd.
“E. is al op Q.. En nog andere kinderen ook,” licht ze verder toe en wij, die haar ondertussen al goed kennen, begrijpen. Het wordt popppy te druk in haar liefdesparadijs. Tot overmaat van ramp blijkt Q. zelf dan weer op helemaal niemand te zijn. Dus zo zit dat met de mannen van tegenwoordig. Zonder schroom een oeroud systeem in één klap helemaal onderuit halen, want als ik popy mag geloven zijn het de meisjes die vandaag de dag de jacht inzetten. ‘Wij vangen jongens.’ Letterlijk binnenhalen dus.
“Maar nu ben ik op S., het broer van N., want die heeft een lange hals.”
Om het beeld van haar lief voor ons geestesoog te activeren rekt ze haar hals werkelijk ver uit. E.T.’s hart zou gloeien als een kooltje van jaloezie bij het aanschouwen ervan.
“Echt waar,” mompelt ze dromerig. “Zo een héééle lange hals. Ik vind dat mooi.”
Haar broer knikt goedkeurend. Blijkbaar voldoet de nieuwe ook aan zijn normen.
“S. is stoer. Die heeft me tijdens de (naschoolse) opvang eens getackeld.”

Kinderen spelen de liefde na en ze doen dat verbluffend goed. Er valt geen traan. Er is geen sprake van spijt. So what, als de één niet wil, dan zoeken ze gewoon een ander. Zonder een spoor van hartzeer wisselen ze van lief zoals een acteur van baard verandert. Voor zolang het duurt alleszins. Want straks worden zij net zoals wij opgezadeld met de erfenis van de ridders. Het is allemaal hun schuld. Zij waren het die destijds hun ros aanspoorden, die ridders, om de een of andere jonkvrouw te bevrijden uit de klauwen van draken en ander ongedierte, waarna ze, nog een beetje nasmeulend weliswaar, helaas nog een wijle op de kin konden kloppen. Sleuteltje van de kuisheidsgordel onderweg ergens verloren, vermoed ik.
Et voila, de hoofse liefde was een feit. En wij, arme schapen, richten ons verlangen daar nog altijd naar. Verlekkerd aanschouwen wij op de beeldbuis hoe twee mensen, en wij zien dat van kilometers ver aankomen, voor elkaar bestemd zijn. Fatum, het lot, je weet wel. Maar ik ga te snel, veel en veels te snel, want eerst moeten er hindernissen genomen worden door de hoofdpersonages, meestal twee adembenemende koningskinderen die bij malkander niet kunnen komen. De misverstanden en intriges drijven hen en ons haast tot wanhoop.
Edoch, na wat eloquent over en weer gepalaver en met de hulp van heel wat weergaloos mooi toeval is het zover: De Kus. Het heeft zo moeten zijn. Zo en niet anders. En dan is het gedaan. Volgens de aftiteling dan toch. Wij zwijmelen uit onze zetel. Onze ridder schiet wakker, grijpt automatisch naar de afstandsbediening en zapt naar één of andere voetbalwedstrijd. Wij kussen vluchtig zijn verstrooide wang, plukken twee welriekende sokken van de vloer, laten de wasmachine draaien, nachttarief, en zuchten ons een weg naar bed, waar wij hopen dat de film met ons mee over de drempel van de slaap stapt.
En dan is het gedaan? Maar nee, bijlange niet, want waar de film stopt, beginnen wij, gewone stervelingen. Na al dat verlangen in het doosje, het hunkeren, de ontregeling, de radeloosheid, het ondersteboven zijn en uiteindelijk de illusie van een verlangen dat altijd en eeuwig en nog langer zelfs blijft duren, is het aan ons. Nu kunnen wij ons bewijzen. Wat bewijzen? Wel, dat wij de liefde ook in haar ware vorm kunnen zien, niet als opgedofte trien, niet als, laten we toch eerlijk zijn, lachwekkende karikatuur, niet als een opgeblazen zak lucht, maar in haar pure, ongepolijste vorm. En dat we haar ook nog eens aankunnen zonder een koor van scenarioschrijvers die ons stukjes doorwrochte tekst in de oren blaast. Het is even zoeken, hoor, want na het broeierige begin maakt ze zich verdorie klein, die romantische liefde. Wat zeg ik, ze verstopt zich gewoon in de sleur van alle dag. De trut.

Terwijl ik de borden afruim, komt mijn dochter binnengestormd met een wel zeer urgente vraag:
“Waar zijn de (pampers) luiers, mama?”
“Ik heb geen luiers meer, Ana. Er zijn toch geen kleine kindjes meer hier in huis.”
“Dan moet je er vlug gaan kopen, hoor!”
Ze trekt haar bloes omhoog en maakt met haar vlakke hand wijde cirkels over haar buikje.
“Want ik heb een baby in de buik.”
Mijn dochter heeft er geen boodschap aan dat haar moeder dit – nu nog wel – grappig vindt. Haar schooljuffenblik is ronduit angstaanjagend.
“Ik ga hier wel blijven wonen, hoor, met de baby. Dus jij moet luiers gaan halen.”
Ze heeft dat goed voor zichzelf geregeld.
Ik vraag: “En voor wanneer is de baby dan?”
Ze probeert al fronsend het voorhoofd van een zeer oud mens uit.
“O, pas voor als ik al heel groot ben. Ik denk, zo ongeveer negenendertig.”
“En waar gaat S. dan wonen?”
“Dat weet ik niet. S. is eigenlijk niet op mij. Ik ga iemand anders zoeken.”
Het gaat alsmaar sneller. Het hoofd van moeder begint er een beetje van te tollen. Oud lief, nieuw lief, zwangerschap, breuk, en straks zal ze waarschijnlijk willen gaan daten op het internet als ik er geen stokje voor steek. Hoe die baby er trouwens binnen geraakt is, in die buik?
“Ik heb wel al vijf keer kusjes gegeven aan hem.”
Het ondeugende lachje verraadt haar. Ze kan al heel veel, die kleine, maar als ze liegt valt ze telkens weer door de mand.
“Wie wil jij een kusje geven?”
vraag ik plagerig aan prins, die zich wijselijk buiten het vrouwengeklets heeft gehouden.
“Ik lust de kusjes van mama het liefst,” bekent hij en kijkt even blozend over zijn Nintendo heen. Hartverwarmend hoe mijn zoon zijn eerste liefde trouw blijft. Op de koelkast hangt een briefje van zijn hand, een ietwat Afrikaans aandoend liefdesbriefje, dat hij na een paar maanden eerste studiejaar schreef. Dit staat er: “lief mama ik hoew ik van prins” – witregel – “ik how van je lieft mama ik”.
Werelds meest onhandige liefdesuiting en de mooiste tegelijkertijd. Want wat ik al de hele tijd wilde zeggen is dit. Kleine kinderen zijn beter in de liefde. Ofwel is het voor hen een huis-, tuin-, keuken- en speelplaatsspel. Ofwel is het ze menens: ik hoew van je lieft mama, onvoorwaardelijk, zeker weten, maar dat was toen nog te moeilijk om neer te schrijven. En dat terwijl het niet altijd koek en ei is. Zeker niet. Ze breken het kot af en wij grommelen. Ze trekken elkaar de haren uit de kop. Wij schreeuwen moord en brand. Ze bekwamen zich in marathonzeuren. Wij zuchten. Ze willen regelmatig alles en wel nu onmiddellijk. Wij steken eensgezind de vingers in de oren. Ze kruimelen zich een weg door ons pas gepoetste huis heen. Wij oefenen gedreven ons donderwolkengezicht. Ze gunnen ons geen uitslaapdag, nee, ook niet op zondag. Wij weten het niet meer. En elkaar dan toch zo dood- en doodgraag zien. Dat is wat kinderen doen; ze leren je een lesje in de liefde. Het is bijgod een wonder.

woensdag 22 september 2010

Schots rokje

Daar staat ze. Aan de toog. Ze bestelt een drankje. Schots rokje aan. En daaronder een stel welgevormde benen. Jong nog. En blond. Hebben de mannen haar gezien? Natuurlijk hebben de mannen haar gezien, het zal nog niet, dat zijn gezonde jongens. Met testosteron. Die mannen moeten daar naar kijken. Dat is de natuur.
“Goed voorzien van oren en poten,” grijnzen ze eensgezind.
En dan zien de vrouwen haar ook. Of beter nog, ze zien dat de mannen haar zien. Draaien boos met hun ogen. Gespeeld boos, want hun mannen mogen daar naar kijken. Natuurlijk wel. Zo een kort Schots rokje. Dat zijn gezonde jongens. Met testosteron. Die moeten dat zien. Dat is de natuur. Zijn ze niet jaloers? Ach welnee, zo flauw zijn ze niet. Meer nog, ze kijken net zo graag naar dat heupwiegend geruit stukje textiel. De voorgevel is ook dik in orde, oordeelt het deskundig oog der mannen. Maar zo ver waren de vrouwen nog niet. Die waren net iets te lang blijven hangen bij het perfecte kontje. Maar nu stijgt hun blik collectief naar boven. De schone draait haar blonde hoofdje bevallig in hun richting.
“Ach,” fluistert één van de vrouwen. “Ze heeft verdorie ook nog een mooi snoetje.”
Teveel van het goede. Daar begint het zo stilletjes aan wel op te lijken. De vrouwen zuchten en nemen een flinke slok Gordons Finest Gold. Kijken naar de haren die bevallig heen en weer zwiepen. Totdat één van hen haar blik resoluut loshaakt.
“Een rotkarakter,” zegt ze.
De anderen kijken haar vragend aan.
“Ach, dat zie je toch zo, met één oogopslag. Slecht karakter. Valt niet mee samen te leven. Al die nukken en grillen.”
De andere vrouwen proesten het uit.
“En lomp! Lomp! Weet van voor niet dat ze vanachter leeft,” gaat ze verder, aangemoedigd door zoveel bijval.
“Eelt op haar voeten. Massa’s eelt op haar voeten,” vult een andere gretig aan
“Als het dat maar was. Stinken dat die voeten doen. Gelieve het muiltje van de prinses niet uit te doen alstublieft!”
De dames raken op dreef.
“Naar het schijnt kan je met de kaas tussen haar tenen een groot brood beleggen.”
Hilariteit alom. Iemand verslikt zich in een slok bier.
“En uit haar bek stinkt ze ook,” hikt iemand en steekt haar neus in de lucht.
“Ik geloof dat ik het tot hier ruik.”
Ze hebben lang niet meer zo moeten lachen, de vrouwen. Vegen de tranen uit hun ogen. Snuiten hun neuzen. Bestellen nog een Gordons Finest Gold.
Eén van hen draait ostentatief haar rug naar het Schotse rokje, steekt samenzweerderig een hand in de lucht en roept:
“Zijn wij allemaal oké?”
De vrouwen kletsen de handen tegen elkaar, high five, want ja, ze zijn allemaal heel oké. Niet kortgerokt, dat niet, nee, en ook niet meer piepjong en godzijdank niet blond. En ook niet jaloers, welnee, het was allemaal maar om te lachen. Daar krijg je lachrimpeltjes van. Die versiering van de ogen dragen ze met trots. Proost. En terwijl ze nog een slok bier drinken, komen de deelnemers van de highland games binnengestampt. Helemaal onder de modder zitten ze. Ze ogen woest en dorstig. Hun lichaamstaal spreekt: we men, we make fire, we eat meat, we take women. De vrouwen gooien hen een paar steelse blikken toe. Niet te veel hoor, het is maar om te spelen. Want straks gaan de vrouwen en de mannen samen naar huis, vallen prompt in slaap in hun tweepersoonsbed en de eerste die wakker is, haalt de glaasjes water tegen de nadorst. Eén voor hem en één voor haar. En als ze dan nog even zo tegen mekaar aanliggen, fluisteren de vrouwen in de oksels van de mannen:
“Weet je nog, dat meisje met dat Schotse rokje van gisteren?”
Maar ze weten het niet meer, de mannen. Ze zijn het vergeten, of ze zijn nog te moe om het zich te herinneren. En ze hebben jeuk tussen hun schouderbladen. Of de vrouwen even willen krabben? Een beetje hoger. En nu nog iets meer naar links. Ja, zo is het goed.

zondag 12 september 2010

De kardinaal en het vogeltje (of Godfried en de mus)

De kardinaal kijkt door het raam. Twee vogeltjes spelen tikkertje in een boom. Een lieflijk tafereel dat hij in rustiger tijden gaarne gadesloeg, maar vanbinnen in hem roert er zich nu van alles. De onrust borrelt zuur omhoog in zijn maag. Na het verhaal van Roger was hij uit de lucht gevallen. Niet als een engel, nee. Als een stom stuk graniet tegen de vlakte geslagen en verdoofd blijven liggen. Natuurlijk was hij uiteindelijk toch in beweging gekomen en vertrokken, maar hij kon bij god niet recapituleren hoe hij thuis geraakt was. En wat er door zijn hoofd gevlogen was onderweg. Ergens ligt hij daar nog steeds, in totale verbijstering.
Sindsdien zit er een vloek in Godfried. Hij onderdrukt het, natuurlijk, zoals hij dat in gezelschap doet met een boertje na het eten. Maar weg is het niet. 't Zit daar blijkbaar goed. Om hem te pesten. Of te testen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.

De vogels lijken met elkaar te praten. De maakt hem enigszins nieuwsgierig en hij opent het raam. Ze zwijgen abrupt. Eén van hen vliegt na wat lijkt op een vleugelzwaai weg. De andere blijft. Kijkt hem aan. Met zijn blinkende kraaloogjes. Recht in zijn hart.
“Wat scheelt er, Godfried?”
De wereld draaide al door en nu draait hijzelf blijkbaar mee door. Of is dit dan toch eindelijk God die weliswaar door een vogelbek, ook door hem geschapen en dus zeker niet minderwaardig, zich kenbaar maakt? Zijn timing is alleszins perfect, verzucht Godfried, de nood hoog.
“Zeg het maar, Godfried,” spreekt de vogel en houdt zijn kopje scheef.
“We zitten in de knoei. Dat is wel het minste dat ik zeggen kan. Eerst hebben ze me meegepakt. Als een misdadiger. In mijn huis rond gesnuffeld. Papieren meegenomen. Mijn strips van Jommeke. En nu …”
De kardinaal laat zijn hand vermoeid neervallen op de krant die voor hem ligt.
“Nu hebben ze het recht gezet, maar dat is niet wat blijft hangen bij de mensen. Wat blijft hangen zijn de beelden. En die gaan in de hoofden een eigen leven leiden. Die Godfried, zullen ze zeggen…”
Het vogeltje onderbreekt hem en wipt enthousiast van het ene pootje op het andere :
“ Laat die God er maar af, zullen ze zeggen. Die Fried, dat vettige Frietje, is volgens mij ook niet proper. Waarom vallen ze anders binnen, zullen ze zeggen, waar rook is, is smeerlapperij. Kan die Fried wel zelf met zijn tengels…”
Godfried kijkt het vogeltje ontdaan aan.
“Mijn excuses,” zegt het gebekt duiveltje. “Als ik eenmaal begin, raak ik erg op dreef. Neemt u het mij niet kwalijk.”
“Wat had ik moeten doen? Zeg het me. Ik heb het ook aan Hem gevraagd. Naar goede gewoonte mijn handen gevouwen en het Hem gevraagd. En naar even goede gewoonte antwoordde Hij niet, wat evenveel betekent als: zoek het zelf maar uit, ge weet wat ge moet doen…. Hij overschat mij.”
De vloek werkt zich woest een weg naar boven.
“En toen vroeg Roger of ik met dat bewuste familielid wilde spreken. Ik kan niet nee zeggen. Wij zijn vrienden… Waren… Zijn… Wij moeten toch vergiffenis schenken, nietwaar? Zalven eerder dan slaan. Begrijpt ge wat ik bedoel?”
“Ge dacht, ik sla die “vriend” van mij even graag op zijn smoel. U handen jeukten, maar ge stak ze in uw zakken. Is het dat wat ge bedoelt?”
Godfried knikt. Een vogel die hem de biecht afneemt, dat hij dit nog mag meemaken.
“Dus toen ik daar aan die tafel zat tegenover die mens, het slachtoffer, de familieportretten zag boven zijn hoofd, dat tegeltje met de spreuk “Gasten brengen vreugde aan, is ’t niet bij ’t komen dan wel bij ’t gaan.” Toen had ik al spijt. Waarom zit ik hier God, dacht ik. Ik was op mijn ongemak. Zeg ne keer, zei ik, maar ik meende dat niet. ik wilde het allemaal niet weten. Ik kan dat niet verdragen. Ik zie die man nog diep ademhalen en eraan beginnen. Ik heb mijn hand omhoog gestoken en hem laten zwijgen. Dat ik het verhaal al kende, zei ik hem. Een leugen. Ook dat nog. Want ik kende alleen Roger zijn verhaal. Die man bleef rustig. Maar zijn adamsappel niet, die bleef maar op en neer gaan. Ik kon daar niet meer tegen. Vooruit, dacht ik, we moeten allemaal vooruit.”
Het vogeltje wipt van de vensterbank op de krant, nogal respectloos op het aangezicht van de kardinaal, en duidt met zijn bek een zin aan.
“Hier staat dat ge elke dag aan die mens denkt.”
Godfried knikt.
“Dat helpt geen fluit. En dat weet ge. In die mens schreeuwt nog altijd dat jongetje van toen. Dat weet ge toch.”
“Dat weet ik, ja.”
“En als ge straks aan de gouden poort staat. Wat gaat ge daar vertellen? Ik heb het niet geweten? Onze Pieter kan daar niet goed tegen. Ge moet die mens begrijpen, die staat daar al voor eeuwig en altijd. En telkens zijn ze weer daar met hun “Ik heb het niet geweten”. Ge zult iets beters moeten verzinnen.”
“De Kamer van Inbeschuldigingstelling heeft me gelijk gegeven. Maar dat betekent niet dat ik me niet…”
“…schuldig voel.” vult het vogeltje een beetje verveeld verder aan. “Maar wat ge ook zou doen, het zou nooit goed zijn. Als ge deemoedig zwijgt, zijt ge een lafaard. Als ge door het slijk kruipt, mea culpa roept, de zweep legt over uw blote bast, o goede ouderwetse zelfkastijding, dan zou het nog niet voldoende zijn. Hij hangt het slachtoffer uit, zullen ze zeggen. Maar door de modder moet ge. Er door heen en nog eens terug. Er zit niks anders op. De kerk ligt op zijn gat. De mensen wantrouwen uw soort. Mea Culpa in het kwadraat. Er zit niks anders op.”
Godfried buigt zijn hoofd. De onbeschaamde vogel pikt een paar kruimels uit zijn onaangeroerde boterham met confituur. De kardinaal zit er verslagen bij.
“En dan nog één laatste ding,” zegt het vogeltje met volle bek.
Godfried kijkt hem hoopvol aan.
“Laat het maar komen.”
“Wat komen?”
“Dat wat daar al zo lang vanbinnen vast zit. Laat het maar komen.”
Godfried schudt zijn hoofd.
“Dat kan ik niet. Dat mag ik niet.”
“Ge kunt dat wel. Vooruit, het kwaad moet eruit. Voordat het erger wordt en u ziek maakt. Vooruit, laat het los.”
Godfried staat recht, spreidt zijn armen. Als een Jezus aan het kruis denkt de vogel bewonderend, en dan gebeurt het.
“Godvergodvergodverdomme toch!”
De vloek echoot over de straten. Voorbijgangers kijken omhoog. Vogels fladderen verschrikt weg. Geschrokken trekt Godfried zijn hoofd tussen de schouders en gluurt omhoog. Het plafond is niet opengescheurd, geen bliksem heeft hem getroffen. Zijn lijf ontspant zich een beetje.
“Zie wel dat ge het kunt. En daarbij, ge zijt ook maar een mens.” zegt het vogeltje en het vliegt weg.
Godfried zakt terug in zijn zetel. Hij is ook maar een mens. En dus komt na de vloek het water. Het vogeltje kijkt nog eenmaal achterom en ziet dat het goed is.

maandag 6 september 2010

Communautaire knuffels

Onderweg van school naar huis komt er een man langs me lopen.
“Heb je dat gezien?” vraagt hij. De verontwaardiging spat van zijn gezicht af.
“Schandalig is het. Heb je gezien hoe hard ze hier rijden vlak aan een school?”
Hij schudt zijn chagrijnige kop, trekt diepe rimpels in zijn voorhoofd. Het is hem aan te zien dat hij dat al eerder heeft gedaan.
“Huhu,” mompel ik, want ik moet eerlijk bekennen dat ik het niet gezien heb, maar ik denk er niet aan om zijn woorden in twijfel te trekken.
“Een man die 140 rijdt naar zijn werk in Leuven. Die pakken ze wel. Die mag zijn centen gaan neerleggen. Terwijl ze het hier allemaal laten gebeuren. Hier mag dat allemaal.”
Verongelijkt trekt hij zijn mondhoeken nog verder naar beneden. Een mens wordt daar niet schoner van.
“Huhu,” knik ik halfhartig.
“En tegen die bruine mannen doen ze al helemaal niks. Die mogen alles.”
Huhu? Hoe zijn we ineens bij ‘die bruine mannen’ beland? Ik word kriegel als ze zo beginnen. De kinderen huppelen een paar meter voor ons uit en ik ben blij dat ze niet aan deze onzin blootgesteld worden. Vroeger had ik hem met plezier klemgezet, verpletterd, hem rond zijn oren gekletst met ongelijke kansen. Dat hij zever in pakjes verkocht. Dikke zever in pakjes. Alles mogen. Mens, beseft gij wel hoeveel dat is? Alles. Maar het enige dat er bij mij uitkomt is ‘uhu’.

Ik ben opgelucht als ik mijn voordeur zie en onze wegen zich scheiden. De man glimlacht even. Er licht een milliseconde lang iets zonnigs op in zijn gelaat. Als ik nog verder van de school had gewoond, was hij ongetwijfeld over de politiek begonnen. Ik hoor het hem al zeggen.
“En die walen dan, wat vind ge daar nu van, die denken toch echt dat ze alles mogen. En maar op hun luie krent van ons geld leven. En wij maar werken tot we krom staan. En maar eelt kweken. En zweten. En geen tijd meer hebben voor vrouw en kind. Laat staan tijd om te genieten. Nee, dat zullen zij wel doen. Met ons geld.”
Ik begin de verongelijkte mens te herkennen. Helaas. Ze spreken allemaal dezelfde taal. De Waal is een profiteur. Van hetzelfde laken een broek bij De Vreemdeling, en blijkbaar rijdt Hij nu ook nog als een zot rond in onze straten. De Jeugd deugt niet. De Politiekers zijn zakkenvullers. De Cuisson van het vlees in het restaurant is niet goed. De Hond schijt net voor hun deur en De Koffie is lauw omdat hij zich alweer een uur aan het ergeren is. Slachtoffers van zoveel gebundelde slechtheid zijn ze. Of zij dan nooit iets fout doen? Of twijfelen? Of het eens niet weten? Of zich vergissen? Nee, want daar zijn ze tegen. Ze vertegenwoordigen De Perfecte Vlaming. Een standbeeld moesten ze krijgen. Nog bij het leven.
Ik weet niet wat ik me precies moet voorstellen bij De Vreemdeling. Waar De Waal voor staat. Of wat De Vlaming is, terwijl ik er naar het schijnt toch zelf één ben. Dat we in het buitenland altijd de taal van het land proberen te spreken, zeggen ze. Dat we graag in het zwart werken. En wat voor een beest is De Limburger? Volgens een aantal Antwerpenaren wonen zij in Limbabwé. En als de Vlaming al een beetje de onnozelaar van België is, ben ik dus als Limburger een oen in het kwadraat. Het zei zo. Wat is dat toch met De Waal, in één vingerknip gereduceerd tot zakkenvuller. Ik hoop dat het iets meer mag zijn. Straks denken mijn kinderen nog dat die mensen hele dagen over de grens heen en weer reizen met vrachtwagens om geld op te halen.
Ik ken De Waal niet. Alleen die vanuit mijn jeugd, toen ik met een vriendinnetje en haar ouders op vakantie ging naar de Ardennen. Wij vonden het hoogst vermakelijk dat op weg van camping naar dorp iedereen ons groette. Iedereen. En ze kenden ons niet eens. De oudere mannen namen zelfs hun pet af of tikten aan hun hoofd. Bonjour. Twintig keer op een dag als het moest. En als je er één keertje mee gebabbeld had, kreeg je er nog een kus bij ook. Gratis en voor niets. In het bos hebben wij samen kampen gebouwd. We verstonden elkaar niet, het ging allemaal met handen en voeten en tevergeefs articuleren, maar op het einde van de dag stond dat kamp er wel. Toen we weg groeiden van het bos naar een pintje in de kantine of de dorpstent waar er regelmatig een bal werd georganiseerd, verstonden we elkaar nog altijd niet. Hier en daar een zin kenden we, met veel haar erop. Dus het was weer met veel handen en voeten. En het kijken kwam erbij. Want voor flirten heb je niet zoveel woorden nodig. Als de stilte te lang naar onze goesting bleef duren, kusten we wat. Daar begrepen we allemaal wel iets van. Ik herinner me dat die kussen goed waren. Misschien zelfs beter dan de Vlaamse, want de Ardennen was voor ons al ver van huis. Het proefde allemaal iets exotischer.
Misschien hadden we Bart en Elio in die kantine moeten zetten. Na een lange wandeling door de bossen van dat vriendelijke dorpje Bièvre hen aan de toog een pint met een schoon kraagje toeschuiven. Er is natuurlijk geen garantie dat het gesprek dan het gewenste resultaat zou opleveren, maar misschien zouden ze door de blootstelling aan een overdosis zuurstof net zoals ik indertijd hun toevlucht nemen tot een knuffel. Ik hoor de verbaasde, iele stem van Elio al.
“Maarrr Barrrt, ik heeft dat nooit kewist dat kij zo koed kon knuufelen.”
Waarop Bart monkelt: “Daar zegt ge al zo iets, ik ben er zelf niet goed van. Het is maar dat ik mijn kinderen mis. Die krijgen elke dag vakantiekaartjes van hun vriendjes en ze verwijten me dat zij nergens naartoe kunnen met zo een vergadervader. Dat doet iets met een mens. Misschien dat het daardoor allemaal zo fout loopt.”
“Kij moet niet zo strenk zijn voor u zelf, Bart.” sust Elio hem daarop. “Weet kij, iek heb een idee, kij kaat nu subiet bellen naarr uw kinderen. Iek zal een huisje huurren hier voor uw kezin in de skone Ardennen. Alles op mijn kosten.”
Bart is daar zowaar een beetje van gepakt.
“Awel, Elio, dat is nu het verstandigste dat ge de laatste 80 dagen voorgesteld hebt. Een waarachtig schone geste.”
Ze heffen samen het glas. Iemand draait dat plaatje van Raymond van het Groenewoud op de jukebox: “de liefde voor muziek … het gaat vooruit, het gaat vooruit, het gaat verbazend goed vooruit.” Daar moeten ze dan eens hard om lachen.
Wat zou er gebeurd zijn als ik die mens op straat eens stevig vastgepakt had, bedenk ik nu. Een knuffel had misschien geholpen.

zaterdag 4 september 2010

Eén september

Kinderen gaan vandaag de dag blijkbaar graag naar school. Dat wordt mij door hun ouders bevestigd. Ik vind dat verdacht. Toen ik een jaar of acht was, heb ik mijn hoofd eens in de diepvriezer gestoken. Niet om af te koelen. Aan mijn kiekenbrein was er om de één of andere reden het grandioze idee ontsproten dat als ik maar genoeg koude lucht in zou ademen, ik vast en zeker een verkoudheid, griep of longontsteking zou oplopen. Mijn acteertalent was beperkt, dus ik moest wel echt ziek zijn om aan school te kunnen ontsnappen. Het haalde allemaal niets uit, maar ik had tenminste geprobeerd. Mijn kinderen doen niet eens een halve poging om er onderuit te komen.
“Gaan jullie graag terug naar school?” pols ik nog even voor de zekerheid.
“Ja hoor!” bevestigt het koor olijk.

De volgende ochtend, één september: het is zover. Mijn kinderen liggen nog te slapen alsof hun leven ervan afhangt. Voorzichtig vlei ik me tegen die zalig warme lijfjes aan en fluister hen in de oortjes dat het tijd is om op te staan. Nee, zeggen ze. Ja hoor, zeg ik lieflijk. Nee hoor, zeggen ze. Maak maar eerst ons ontbijt klaar. Ontbijt komt eraan, zing ik. Maar met dat ontbijt wil het ook niet echt lukken. Die maagjes staan nog op negen uur ingesteld. Dat is ruim anderhalf uur te laat. Mama voedert hen een beetje om het wat op te laten schieten. De snelheid van het aankleden heeft door twee maanden zonder deadline ook ernstige vertraging opgelopen. Er is echt wat hulp nodig bij het aantrekken van weerspannige sokken die blijkbaar meer last van schoolziekte hebben dan de kinderen zelf.
Maar dan is het uiteindelijk zover. We kunnen vertrekken. Ouders en kinderen staan precies op tijd aan de voordeur. Fantastisch. Zijn we niets vergeten? Natuurlijk zijn we iets vergeten. Die arme boekentassen staan nog boven. De routine zit er duidelijk nog niet in. De tassen worden op de rug geheveld om er vervolgens weer afgehaald te worden. Het is koud buiten. We zijn de zomer nog niet vergeten, maar wel de jasjes. Waar waren die jasjes ook al weer? En dan zijn we echt weg en wij niet alleen, in de straat wemelt het van blinkende ouders en kinderen, die elkaar lachend begroeten. De lucht zindert van de slagzinnen. “Het werd tijd!” “Terug een beetje structuur!” “Het is weer omgevlogen, die vakantie!” “Jammer dat ze niet meer bij elkaar in de klas zitten.” De Eén September Musical.

Eerst mogen we het heiligdom van poppy’s derde kleuterklasje betreden. Mijn juf is heel streng, beweert mijn dochter onderweg gewichtig. Dat kind weet dat niet, die heeft dat van horen zeggen. Ik stel haar gerust: deze juf heeft namelijk nog nooit in haar godganse leven een heel kind opgegeten. Eenmaal in het klasje koppelt mijn dochter zich zomaar, zonder mij te waarschuwen, los van mijn hand en gaat op in de groep van kinderen. Gedwee laten ze zich in kringformatie drijven door de juf. Thuis heb ik gedurende twee maanden alles minstens twee keer moeten vragen, maar deze klas lijkt gevuld te zijn met magische oorontstoppers.
Dat ze groot worden, glunderen de ouders tegen elkaar. Dat is zo, maar toch vind ik het vreemd. Geen enkel kind laat een traan. Zelfs geen drupje kan ervan af. Geen enkele blik wordt angstig vastgehaakt aan een verdwijnende moeder. Geen trillende kin te bespeuren bij één of andere ouder. Iedereen is flink. Bravo! Kus van de juf en een bank vooruit. Tot, ineens, onverwachts, het dan toch gebeurt. Daar zijn ze, die waterlanders. Mijn waterlanders. En plein public begin ik zowaar de collectief droge wangen te compenseren. Mijn snotterende kop trekt de aandacht. Waar is hier een gat om in weg te kruipen? Stuntelig duik ik weg achter een piepklein kastje. Straks besmet ik mijn moedig meisje nog met misplaatste meligheid. Het lijkt wel de omgekeerde wereld. Als de koppige krop eindelijk doorgeslikt is, begin ik enthousiast kushandjes te werpen, maar mijn snoezig kind heeft er helemaal geen oog voor. Uiteindelijk zwaait ze dan toch even terug, een beetje wuft. Een onverschillige koningin die haar volk uitwuift.
Prins wordt op de speelplaats bestormd door een enthousiaste buurjongen. De nieuwe juf wordt met een brede glimlach goedgekeurd. En de twee knapste grieten zitten allebei in zijn klas. Het kan niet op. Bijgevolg is ook onze zoon ons in precies twee en een halve seconde vergeten.

’s Avonds doorstaan de kinderen stoïcijns mijn vragenspervuur, maar veel meer dan ‘goed’ en ‘ik weet het niet meer’ krijg ik er niet uit. Misschien ligt het aan mijn ondervragingstechnieken. Uiteindelijk stopt Poppy even met tekenen en kijkt me streng aan.
“Mama, niet zoveel praten. We zijn ons hier wel aan het concentreren.”
En dat na een half dagje school. Con-cen-tre-ren. Waar gaat dat eindigen?
Na een badje en een verhaaltje is het bedtijd . Mijn afgepeigerde kinderen zijn niet eens meer in staat om tegen te sputteren. Voordat hij zijn ogen sluit vertrouwt prins me nog even toe dat ik de liefste mama van de wereld ben. Ik vind dat nogal overtrokken, maar mag het toch graag horen. Absence makes the heart grow fonder. Er is geen enkel kwaad woord gevallen vandaag. Iedereen was content. Leve de school!