ann schribbelt

ann schribbelt

woensdag 25 april 2012

Een hart in een doosje

In het eerste studiejaar begon het te kriebelen. Dat merkte ik toen op mijn dagelijks gestelde vraag ‘hoe is het geweest op school’ een ‘goed, we hebben meisjes gespioneerd’ volgde.  Enige tijd later vroeg hij me of ik geen mooi doosje voor hem had en toonde me in zijn openvouwde handje een steen in de vorm van een hart. Terwijl hij het geschenkje met de grootste omzichtigheid op een watten bedje in een cilindervormig horlogedoosje schikte, droomde hij luidop een beetje weg over het frĂȘle meisje in zijn klas. Ik smolt en vermoedde dat zij dat weldra ook zou doen, maar het  draaide enigszins anders uit. Prins kwam na school naar huis met zijn hart in zijn knuistje en zijn kwetsbare jongensziel onder zijn arm. Over het doosje, het mag gezegd, was ze laaiend enthousiast geweest. ‘O, leuk, hier kan ik mijn armbandjes in leggen,” had ze gekird. Maar het hartje was als een zielig schuitje tegen zijn boterhammendoos gestrand, nadat ze het hem achteloos tussen de kruimels door terug had toegeschoven. Edoch,  jongensharten herstellen snel op die leeftijd. Veel meer dan een dessert was er die dag niet voor nodig.
Dochter werd al sneller iets gewaar. In de derde kleuterklas beoefende zij reeds de kunst van het giechelen, het hoofd ietwat schuin. Voor even dan toch, want het verveelde haar al snel.
Al bij al stelt wat ik hoor en zie me gerust: ze zijn lief voor mekaar, die jongens en meisjes. De heertjes staan al eens tegenover elkaar als schattige haantjes met sponsen spieren, maar tussen de seksen blijft het bij onschuldig plagen en giechelen, elkaar achterna zitten of een kus die dichter bij het oor dan bij de mond belandt. En laat ik vooral niet vergeten te vermelden dat ondanks het beperkte arsenaal aan flirttechnieken er geen brokken gemaakt worden.
Soms kijk ik als ouder vooruit: hoe zal mijn zoon later, als zijn sproeten verbleekt zijn en het testosteron door zijn lijf jaagt, met meisjes omgaan? Gezien zijn ietwat bedeesde natuur en met een zachtmoedige vader als voorbeeld zie ik de jongen niet meteen transformeren in een man die onuitgenodigd met zijn vuile laarzen de grenzen oversteekt. En hoe zal dochterlief zich later tegen opdringerig manvolk verweren? Rad van tong is ze en fel in haar gebaren. Dus voorlopig hoef ik me daar ook geen zorgen over te maken.
Maar laat ik hier toch maar even oefenen, voor later. Lieve dochter, als een man te dichtbij komt, zo dichtbij dat  het alarm in je buik loeiend afgaat, ga er dan niet aan voorbij. Want dat alarm is geen goedkope, haperende rookmelder. En nee, je bent niet flauw, als je er iets van zegt.  
Lieve prins van me, flirten is een subtiel spel. Het heeft niets met grove borstels te maken, maar alles met fijne penseelstreken. En, nee, gemakkelijk is het niet, lichaamstaal kan verwarrend zijn. Schrik ik je af met mijn woorden? Dat is niet de bedoeling,  jongen. Laat ik je geruststellen, we zijn echt niet van porselein. Wij, althans de meesten onder ons, hoeven niet perse op een troon gezet te worden, maar de tijd dat we met de haren de grot in getrokken werden is definitief voorbij, en de verbale oervariant  daarvan zal altijd verloren raken in bevallige dovemansoren. Vinden jullie het allemaal nogal verwarrend? Ik kan jullie een trucje verklappen: als de lichaamstaal van de anderen je voor een raadsel stelt, vraag dan gewoon wat ze ermee bedoelen, met hun glimlach, of het handgebaar, met de stilte tussen hun regels. Zo simpel en vanzelfsprekend kan het ook zijn.  En gegarandeerd komt er dan die mooie dag waarop ze het hartje houden en het doosje teruggeven.   

maandag 9 april 2012

Ik bel wel met mezelf

Mijn dochter heeft een nuchtere geest. Dat weten we al sinds dat ze het bestaan van draken afdeed als onzin en bijgevolg ook zichzelf bevrijdde van de angst voor het donker. Gisteren deelde onze bijna zevenjarige Poppy, nadat ze zich in de grootste stilte over het bestaan van de paashaas gebogen had, argeloos haar conclusie mee aan haar oudere broer. Prins wordt negen jaar in de zomer en hij zal zowat de enige in zijn klas zijn die nog in paashazen gelooft. Daar staat hij nu, in het midden van de woonkamer, een beetje verloren en hoofdschuddend  naar zijn zus te kijken.
“De paashaas bestaat niet,” zegt ze en onderstreept alle zinnen van haar betoog met strakke armbewegingen. “De paashaas loopt op vier poten. Als die eieren moet gaan leggen, moet hij op twee poten lopen. En dat kan een haas niet. Dat heb ik op televisie gezien. En hij kan ook niet praten. Hij heeft een mond, maar hij kan niet praten. Dus de paashaas bestaat niet, prins.”
Prins lijkt zich onaangedaan op een speelgoedje te concentreren, maar zijn frons verraadt zijn bezorgdheid. We staan op het punt om naar de grootouders te vertrekken voor een grootscheepse zoekactie in de tuin en nu gooit zijn zus hem deze ontluisterende informatie in zijn gezicht.
“De paashaas is een man in een kostuum,” gaat hij tegen zijn zus in, maar zijn woorden komen er wat hortend uit.  “En die komt dan de eieren in onze tuin leggen.”
Poppy verwaardigt zich niet eens om daarop in te gaan. Ze blijft zelfzeker voor hem staan, maar dan lijkt zoon zich te herpakken en komt met de ultieme vraag.
“Zeg, poppy, als de paashaas niet bestaat, wie legt de eieren dan in de tuin?”
Het baat niet, zelfs over die vraag heeft het duivelskind nagedacht.
“Oma en opa leggen die eieren in de tuin,” laat ze hem met een zelfvoldaan lachje weten.
“Dat kan niet,” smaalt prins. Nu heeft hij haar. “Want oma en opa weten zelf toch nooit waar ze liggen. Die zoeken toch mee.”
Poppy schudt zachtjes met haar hoofd en geeft het op. Er wordt verder niet meer over gesproken, maar als onze snoodaards ’s avond bij de grootouders stiekem de kraan in de tuin opendraaien om elkaar kleddernat te spuiten en ik bijgevolg gewoontegetrouw ermee dreig de paashaas voor de volgende dag af te bellen, kijkt mijn zoon mij lachend en blakend van zelfvertrouwen aan en sneert: “Dan ga je dus jezelf afbellen?”
Ik haal het steeds minder van mijn kroost. Het ziet ernaar uit dat ik nog veel met mezelf ga moeten bellen.