ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 26 oktober 2010

Onverbeterlijke onderdeurtjes

Opa heeft poppy een tik tegen de billen gegeven. Toen zij tijdens een wandeling ondanks herhaaldelijke waarschuwingen toch weer afdwaalde naar het fietspad, had de luide gil van een pedaalridder op het nippertje een aanrijding kunnen verhinderen.
Geen harde tik, hoor, zegt opa schuldbewust. En ze liet geen enkele traan. Was hoogstens een beetje stiller op de terugweg.
Een eerder aangenaam bijverschijnsel als je het mij zou vragen. Tegen de tijd dat ze terug thuis aankwamen, werd hun vriendschap alweer terug beklonken met een gemeende high five. Of toch niet? Want wanneer opa enige tijd later aangeeft dat ze direct gaan eten, verspert klein kleutertje hem de weg en plant de handen ferm in de zij: Dat is niet juist, hoor opa. ‘Direct’ is Frans. Het moet ‘dadelijk’ zijn. Je praat niet goed Nederlands.
Ik vermoed dat ze op dat moment even een stilte heeft ingelast om meer effect te sorteren en dan fijntjes opa volgende vraag gesteld heeft: Moet ik nu jou dan ook ‘poepeklets’ geven, opa?
Ik ben poppy. Ik vergeef gemakkelijk, maar vergeten doe ik niet.

Moederbeest staat met schele hoofdpijn in een kast te grabbelen op zoek naar verlossing. Haar prinsenzoon die door zijn zus op missie gestuurd werd om snoep werpt een bezorgde blik op de pijnlijke grimas van zijn moeder en vraagt: Ga je pilletjes innemen, mama?
Ja, moeder gaat pilletjes innemen, want een ontploffend hoofd is echt geen zicht. Dit brengt prins blijkbaar op ideeën, want met de air van een zevenjarige sjamaan merkt hij op: Niet te veel, hoor, mama. Met Michael Jackson is het ook niet goed afgelopen.
Ik ben prins. Ik volg het journaal.

Poppy vraagt met een flinke dosis ongeduld waar haar zwart dingetje is. Zwart dingetje? Dropje? Poppenschoentje? Keuteltje? Kevertje? Balletje? Nee mama, mijn-op-laad-ding-van-mijn-Nin-ten-do. Het gebrek aan telepathisch inzicht van haar moeder wordt absoluut niet gewaardeerd. Dat haar moederbeest niet met die Nintendo, al zou ze het willen, speelt en dus dat zwarte ding niet heeft kwijtgespeeld, is een verwaarloosbare bijkomstigheid. Maar zoals gewoonlijk trekt mama gelaten en mopperend haar Columbo-jas aan. En, ziedaar, na wat diepgaand gegraaf wordt het kleinood van onder een kussen, drie knuffels, een gezin poppen en twee jassen opgediept in de zetel.
Al die extra aardlagen die hier voortdurend bijgroeien in huis, foetert het moederbeest tegen haar man, ik was beter archeologie gaan studeren.
Poppy staat met gespeeld medeleven zwijgzaam mee te luisteren, ademt dan rustig in en zegt: Ja mama, alles is serieus mysterieus.
Ik ben poppy. Ik mag dan wel een klein hoofd hebben, maar het zit barstensvol antwoorden.

Zoon drentelt zijn opa achterna de kelder in en stelt daar vol ontzag vast dat opa binnenkort echt wel door het plafond zal gaan groeien of in het ergste geval de kelder niet meer in kan. Opa stelt hem lachend gerust. Dat zoiets zeker niet gebeuren zal, omdat opa niet meer groeit. Waarop prins zich oprecht verbaasd hardop afvraagt waarom zijn grootvader dan nog zoveel eet.
Ik ben prins en als ik mijn bord uit eet word ik heel groot.

Prins zingt in bad een lofzang op zijn nieuwe juf turnen, de wondermooie Helena. Poppy polst met enige jaloezie naar het eventuele lief van die o zo fantastische juf met de lange haren. Ze blijkt er inderdaad één te hebben en zoon kent zelfs zijn naam. Hij heet Bart, deelt broer zelfvoldaan mee en geniet van zijn eigen verzinsel.
Ach, natuurlijk, slaat dochter zich dramatisch voor het hoofd. Die ken ik toch: Bart de Wever!
Ik ben poppy. Als je mij wil overtroeven moet je net iets vroeger opstaan.

woensdag 20 oktober 2010

Ouderdomst

Ik begin er zo langzamerhand aan te twijfelen of het spervuur aan vragen van mijn kinderen op een erkenning van mijn autoriteit op het gebied van algemene kennis wijst.
Of Frank de Boosere altijd boos is, wil mijn dochter weten. Makkie, hij staat op datzelfde moment met een ergerlijk enthousiasme een nieuw koudefront aan te kondigen. Dat lijkt me een sluitend bewijs dat de brave man niet altijd boos is, waar ik haar met enige zelfvoldaanheid op wijs. Maar ik ben er toevallig ook van op de hoogte dat onze weerman vier kinderen heeft. Wat rekenkundig zou kunnen betekenen dat hij dubbel zoveel keren boos is als hun eigenste moeder, gesteld dat hij haar temperament heeft. Bijna altijd dan. Mijn kind is haar belangstelling verloren. Al die nuances en details, daar wil ze niks van weten. Jammer voor haar dat de secretaris van haar moeders geheugen daar nu net verzot op is.
“Zijn de Chinezen rijker dan ons?” vraagt prins terwijl hij tegen een bal trapt.
“Ze zijn met meer,” probeer ik voorzichtig. Mijn brein knispert en knettert. Mijn secretaris dabt verlekkerd in het archief. Vroeger braken ze de poezelige voetjes van babymeisjes met een steen, rolden ze op en maakten er een mooi pakje van. Twaalf centimeter, meer moest dat niet zijn. Als een moeder al eens last kreeg van medelijden en de voeten van haar kind ongehinderd liet groeien, kreeg ze stank voor dank. Dat kind geraakte niet meer van de straat met haar reuzenmaat 34. Dat was de vraag dus niet. Nee, jongen, ik weet het niet. Mama is een beetje dom.
“Wanneer wordt de laatste mens geboren?”
Tussen de soep en de patatten wordt mij deze filosofische vraag in de maag gesplitst. Mijn hart improviseert een verre, verre toekomst. Het is al goed, mijn kind, ik beken, ik heb geen flauw idee.
En ja hoor, hier komt ze, nog even vlug voor het slapen gaan, de nazi-vraag:
“Van wie hou je het meest, van prins of van mij?”
Alsof ik mijn hart kan uitpersen in twee glazen. Ziehier, twee Bloody Mary’s en het volste glas is het meest beminde kind. Foei, gruwelijke dochter met je engelengezicht, ik weiger hierop te antwoorden, want, neen, ik weet het niet en ik wil het niet weten ook.
Er zijn ook de verraderlijke vragen, waarover ik nauwelijks hoef na te denken. Ze willen bijvoorbeeld weten wanneer het eten klaar is. Mama staat daar stomend in potten en pannen te roeren en ze kan precies zeggen op welk tijdstip we aan tafel kunnen. Maar nu ze eindelijk blijkt in staat te zijn om een beknopt en correct antwoord te formuleren, lijkt en leidt het nergens naar. Want madame heeft afgrijselijke honger, dus half zes is veel te laat. Of meneer is net aan een wereldkampioenschap voetballen in de tuin bezig, dus half zes is veel te vroeg.
“En trouwens, waarom mogen wij nooit of te nooit niks?”
Nooit niks is altijd. Met rollende ogen wordt mij duidelijk gemaakt dat dit een verwaarloosbare opmerking is en geen antwoord.
“Waarom mag snoepen voor het eten niet?”
Dat bederft je eetlust. Nog niet half zo veel als ik hun pret bederf laten ze me in stereo weten.
Ik had het kunnen vermoeden. Een opmerkzame moeder had het al van ver kunnen zien aankomen. En gisteren, toen ik mij voorzichtig naar mijn zoon boog voor een nachtkus, was het zover. Mijn oranje prins informeerde bezorgd waarom mijn nek eigenlijk pijn deed.
“Van de ouderdom zeker,” antwoord ik om ervan af te zijn, want zoals u al verwacht had, hoorde ik het in Keulen (Waar ligt Keulen precies, mama?) donderen.
“Wat is dat dan ‘ouderdom’?”
Ik leg uit: “Dat mama ouder wordt.”
Zijn zus had me eerder die week al minder fijnzinnig op mijn "kreukelige" handen gewezen.
“Ah zo, ouderdom,”, zegt de kleine prins peinzend. “Dus mama wordt ouder... En dommer.”
Inderdaad, mama wordt ouderdommer. Maar er zijn ook ouders die vraagstaarten negeren, ouders die niet eens proberen een antwoord te verzinnen en die zijn dan ouderdomst.

maandag 11 oktober 2010

Nina

Van ver al kan ik zien dat ze er niet zit en een paar seconden lang vrees ik dat ik de bus gemist heb. U moet weten dat Nina daar altijd zit op woensdag. Ik ken Nina niet. Tenminste, niet persoonlijk. Alleen van het bankje in het bushokje dus. Van ziens. Van haar pluisachtig, rechtopstaand engelenhaar. Van haar vleeskleurige, teenloze kniekousen. Haar voorkeur voor herfstkleuren. Van haar opgetrokken bovenlip die men makkelijk voor een glimlach kan houden, maar die vooral verbetenheid uitdrukt. Van haar dagelijkse busbeklimmingen, want mensen als Nina, die oud zijn en slecht ter been, slagen er slechts met de grootste inspanningen in om de nieuwerwetse trapjes en verhogingen die snoodaards van designers in de moderne lijnbus voorzien hebben, te overwinnen. Dat gaat als volgt; eerst strekken zij hun armen uit en graaien wat in het luchtledige tot hun klauwtjes in het beste geval een stang, maar soms ook een flapperend kledingstuk van de voorganger vinden. Dan proberen ze schommelend hun stramme lijven binnen te hijsen. Dat lukt hen niet alleen. Wij weten dat. Degene die achter hen staat geeft een duwtje, haakt een arm in en, hoppa, het eerste obstakel wordt overwonnen. Vroeger sprong Nina fluks en vrolijk over de hekken van tien weilanden heen en ze ging er prat op dat geen stier of bronstige boer haar te pakken kreeg. Dat was nog voor de tijd dat ze tien vlaaien begon te bakken op zaterdag, waarvan ze er zelf anderhalve opat. Troosttaart. Haar gesuikerde antwoord – in die tijd waren gepeperde bij vrouwen nog niet in zwang - op de halsstarrige weigering van haar gewoontedier van een man om de grenzen van hun dorp over te steken.
‘De zee? De zee? Wat moeten we aan de zee? Als ik water wil zien, neem ik wel een bad.’
‘De Ardennen? Wat moeten we in de Ardennen? Hier zijn ook bomen. Een boom is een boom. Dat heeft een stam, takken en bladeren. Wedden dat ze daar mijn pruimtabak niet verkopen. En dan hele dagen lopen zoeken naar een winkeltje, terwijl ik hier vlak om het hoekje…”
Waarop Nina hem onderbreekt en voorzichtig tegenpruttelt dat hij misschien een voorraadje kan meenemen. Zoals altijd wanneer hij het niet van haar kan halen, grijpt hij naar zijn buik en vlucht richting wc voor een grooten boodschap. Ze heeft dat hartje in de deur nooit begrepen. Na zijn heengaan is haar dagelijkse busreis een soort inhaalmanoeuvre, haar eigen kleine wraakoefening. Recalcitrante Nina met de opgetrokken bovenlip, zij doet haar eigen zin.
Ik moet u iets bekennen. Ik weet niet of het allemaal zo gelopen is. Zoals ik eerder al zei, ik ken Nina niet. Ik weet alleen dat ze Nina heet en dat ze elke dag de bus neemt. Van horen zeggen. Niet dat ik echt aan het luistervinken was. Maar u weet hoe dat gaat. Als de wind in de gunstige richting staat wil een gesprek aan een halte al eens aan je oor inwaaien.
Voor hetzelfde geld zit ik er helemaal naast. Vormden zij, Nina en haar man, een onafscheidelijk koppel. Arm in arm schuimden ze markten af. Als ze nu , alleen, langs de kraam met appelcake komt, sluit ze haar ogen en snuift de warme, zoete geur ervan diep in. En dan gebeurt het, telkens weer.
Hij zegt: “Nina, die cake van u ruikt duizend keer lekkerder.”
“En gij ook,” zegt hij.
“Zo lekker, dat ik soms goesting krijg om u op te eten,” zegt hij.
Het is alsof zijn groot, sterk lijf terug naast haar staat en hij haar grijnzend schuins aankijkt. De zachte beroering van zijn adem. Ze voelt het. Ze ruikt het. Vanille. De obstakelweg die zij elke dag weer aflegt, is haar persoonlijk ontroerparcours. En daarom blijft ze gaan, strompelen, schuifelen, wankelen, struikelen met een traagheid die vooral anderen lastig vinden. ‘Onverantwoord,’ waait de wind. In een brasserie zonder al te veel trappen drinkt ze twee tassen koffie met twee koekjes. Voor hen allebei.
Blijkbaar heb ik dan toch de bus niet gemist, want daar komt Nino aangehobbeld. Even heb ik gedacht dat hij haar echtgenoot was. Een man laat niet snel zijn zakje met fruit of sokken aan een vreemde vrouw zien. Naar alle waarschijnlijkheid heet die mens trouwens gewoon Jean of Jules of Gustaaf, maar zolang ik niet over de feiten beschik, blijf ik wel de baas van het verhaal. In vergelijking met haar is zijn tempo iets hoger, maar hem een snelheidsduivel noemen is overdreven. Dat hij nooit samen met haar naar de bushalte wandelde, stoorde me enigszins. Al stemde de idee dat hij later die appelsientjes voor haar zou uitpersen me enigszins gerust. Ik weet het, ik heb de neiging om het goede in de mens te zien. Het is dat of de afgrond.
‘Dat hij haar broer is,’ ritselt de wind. ‘Een jonkman. Nooit getrouwd geweest.’ Ik gluur naar zijn stuurse kop. Dat verklaart veel. Vroeger lachte hij wel, vooral naar haar, een meiske uit het dorp. Hij had haar graag gezien. Maar zij moest hem niet hebben. En dus hij zichzelf ook niet meer. De jonge Werther ging daar dood aan, maar Nino zijn gestel was sterker. Sindsdien hebben broer en zus het deel van de geest dat immer over de schouder heen kijkt gemeen.
Iemand vraagt waar Nina is. Blijkbaar ligt ze in het ziekenhuis. Operatie aan haar been. Dat zat inderdaad de laatste tijd in het verband. Kon je zo zien door de kousen heen. Ik heb wel eens gedacht aan de winter als ik Nina zag. Aan de verschrikking van een blinkend, knerpend sneeuwlandschap, dat haar meedogenloos achter een raam met vrouwentongen zou dwingen.
Een schildpad wil ze zijn. Ze begint er al een beetje op te lijken vindt ze zelf in de spiegel, haar nek verplaatst zich neerwaarts terwijl haar rug als een schild omhoog groeit. Hoe dat toch zo gekomen is, vraagt ze zich af. Ze ziet dat wel zitten, een reuzenexemplaar van een schildpad te zijn, op de buik door de straten en als het regent, trekt ze doodeenvoudig een tijdje haar hoofd, armen en benen in.
De bus stopt zuchtend aan onze voeten. Iedereen probeert zoveel mogelijk alleen te zitten. Even heb ik ooit een bus verzonnen waarin mensen zomaar met elkaar zouden praten. Schoon, zeiden ze tegen elkaar. Warm. Heet. Fris. Vochtig. Zuur. Winderig. Kil. Grillig. Duister. Strontweer. Zwijgen was misschien een betere optie. Voor mij , die aan kijken vaak genoeg heeft, dan toch. Ik stap niet snel in vliegtuigen – als het de bedoeling was dat wij vlogen, hadden we wel vleugels gehad. Ik neem niet snel boten - als het de bedoeling was dat wij wijde wateren overstaken, hadden we kieuwen gehad. Bergen zijn te hoog. Onbekende wegen zo ondoorgrondelijk en beangstigend. Ik doe niet aan avontuur, ik verzin en ik zal u vertellen waarom. Een schildpad zal voor mij na dit verhaal nooit meer een schildpad zijn. Als ik er ooit een in uw tuin zie, zal ik aan Nina denken. Het is op zich een klein avontuur, veilig en ontroerend, en het absolute voorecht van elke verzinkoningin.