ann schribbelt

ann schribbelt

zaterdag 30 april 2011

Taalkwestie

Dat Calvados pannenkoeken zijn, beweert mijn alwetende dochter. Ik waag het haar tegen te spreken. Zelf hou ik het meestal bij wijn, maar Youp van ’t Hek vertelde eens tijdens een voorstelling dat hij na menig Calvados genuttigd te hebben wel zeer muurgevoelig naar zijn kamer was gesukkeld. Volgens Ana had het straffe spul ook Bassie (van Adriaan) in de problemen gebracht.
“Maar wat is pannenkoek in het Spaans?” vraagt Willem.
“Pannenkoekos,” zeg ik zonder verpinken en schaam me daar geenszins voor. Mijn kinderen denken dat ik minstens dertien talen kan spreken. Dat hoort nu eenmaal bij het rolmodel van de intellectuele vrouw dat ik hen voor wil houden. Het kan nog jaren duren vooraleer ik door de mand val.
Willem fronst.
“En in het Engels?”
“Pancakes,” zeg ik prompt, terwijl ik daar helemaal niet zeker van ben. Maar het klinkt aannemelijk genoeg. Weer trekt mijn zoon een diepe rimpel in zijn voorhoofd.
“En in het Frans dan, mama?”
“Des crêpes,” juich ik. Mijn Frans is abominabel, maar blijkbaar zijn de crêpes van het zesde studiejaar toch blijven hangen (en niet enkel aan mijn heupen).
“Fout!” roept Willem overtuigd. Ik schrik. Mijn hart roffelt betrapt een tel sneller. Het is zover. Dit vreesde ik meer nog dan de ontmaskering van hun moeder als magistrale probleemoplosser.
“Fout! Fout! Fout!” herhaalt hij nog een paar maal.
“Wat is fout?” vraagt zijn zus hem.
Ik heb zin om mijn vingers in mijn oren te steken en heel hard te zingen.
“Dat hoor je gewoon. Het juiste woord voor pannenkoeken is pan-nen-koe-ken.”
Met een cirkelbeweging maakt hij een gigantische pannenkoek in de lucht.
“De rest klinkt niet eens als een pannenkoek. Zeker die crêpes niet. Dat lijkt helemaal nergens op.”
Ik haal opgelucht adem. Het is geen kwestie van demasqué, maar van taal. Dat hij zich maar koest houdt. Alsof we al niet genoeg communautaire problemen hebben.

(Panqueque in het Spaans. Pancakes in het Engels en omdat ik toch bezig was met het op te zoeken: Pfannkuchen in het Duits. Smakelijk!)

donderdag 21 april 2011

De droomtechnicus


Wij zijn grote voorstanders van de zomer, zoon en ik, maar onze biologische klok blijft maar protesteren tegen het zomeruur. Loom zitten we naast mekaar te doezelen in de zetel. Ana heeft ondertussen al een kunstwerk gemaakt, haar barbiepoppen in een cirkel gezet voor een kringgesprek (al kan ik me nauwelijks voorstellen dat er uit die wufte wijven één zinnig woord zal komen) en staat ondertussen alweer een lied van Justin Bieber te zingen alsof ze het zelf geschreven heeft. Die spilzieke manier waarop ze 's ochtends haar energie verbruikt maakt ons welhaast nog vermoeider.
“Ik heb een vreselijke droom gehad,” zucht ik. Mijn zoon legt zijn ros hoofdje tegen mijn schouder.
“Waarover dan?” vraagt hij lijzig.
“Over een bomaanslag. Ik sloeg op de vlucht en overal stootte ik tegen gesloten deuren en hekken. Het was verschrikkelijk.”
Freud had een flinke kluif aan mij gehad in een vorig leven.
“Bij mij was het weer niks,” zegt Willem met spijt in zijn stem. “Ik heb de hele nacht naar een zwart scherm gekeken.” Zijn standaardondertiteling van droomloze nachten.
Zo zitten we een tijdje te kijken naar Ana die zich nu omkleedt, haar haren kamt en op strenge toon haar knuffel berispt: “Absoluut geen sprake van!”
“Ja, ja,” zucht Willem. “Ik moet dringend mijn toestel eens laten repareren.”
Die droomtechnicus mag daarna gerust eens bij mij langskomen. Ik heb het gehad met al die nachtelijke actie.
“Meneer de droomtechnicus,” zou ik zeggen. “Ik wil een ander kanaal. Al dat zinloze vluchten voor imaginaire wezens en bommen. Het is te belachelijk voor woorden. Ik ben geen mens voor actie. Zelfs niet als ik klaarwakker ben. Gelieve mij op een golflengte te zetten die beter bij me past. Een droomzender met een wijngaard bijvoorbeeld. Een wijds panorama. Ergens in Frankrijk of Italië. Een enorme tafel in de lommer. Vrienden en familie die aanschuiven. Lekker voedsel. Lekkere wijn. Fijne gesprekken. Boeken voor als het gepraat stilvalt. Meer moet dat voor mij niet zijn. Of misschien, nu u toch hier bent, ik zou ook graag mensen uitnodigen die ik niet persoonlijk ken, maar die ik toch graag zie. Roald Dahl bijvoorbeeld (Ik weet natuurlijk wel dat de man dood is, maar dat telt gelukkig niet in dromen). Josse de Pauw. Sien Eggers. Stijn Meuris. Zadie Smith. Matthias Schoenaerts. Johan Anthierens. Connie Palmen. Antonio Bandini (Ik weet dat die man niet echt bestaat, maar dat telt gelukkig ook niet in dromen). Pippi Langkous. Ik stop al meneer, maar alleen omdat u kort van geheugen bent. Ze moeten niet allemaal tegelijk komen. Voor elke nacht ééntje. Ik wil hen mijn volle aandacht geven. En als ze op zijn, dan bel ik u even terug. U bent een engel, meneer de droomtechnicus.”
“Mama,” zegt mijn zoon en brengt zijn hoofd dicht tegen het mijne. “Je kijkt zo raar. Alsof je eigenlijk niet echt aan het kijken bent. Ik geloof dat jij zelfs kan dromen met je ogen open.”

zondag 17 april 2011

Plaatsvervangende pijn


Ik loop al een uur rond met pijn aan mijn teen. De nagel van mijn dochter hangt namelijk los na een ongelukkige aanvaring met een stoelpoot. Een maand geleden tuimelde ze van het trampolinetrapje. Zij hield er een hersenschudding aan over en ik dacht ondertussen dat mijn hoofd zou exploderen. Toen mijn teergevoelige jongen twee weken geleden op tandartsbezoek moest, was ik al een uur op voorhand zenuwachtig aan het rondscharrelen, onderwijl overtollig speeksel producerend. Eenmaal in de stoel sproeide hij een fonteintje spuw in het gezicht van de tandendokter en riep voorbarig ‘auw’. Ik zweer u dat de pijnscheuten als bliksemschichten door mijn gehemelte trokken. Als ik van het gespannen gelaat van mijn geliefde een te hoge werkdruk aflees, jaagt de stress ongehinderd door mijn eigen lijf. En dat heb ik allemaal te danken aan de bijzondere gave van de plaatsvervangende pijn.

Ze zeggen dat er minder oorlog zou zijn als vrouwen het voor het zeggen hadden. Ze zeggen zoveel. Maar als er een grond van waarheid in deze bewering zit, dan heeft het volgens mij te maken met dit talent. Mannen lijken me toch net iets minder in de empatische poel van pijn te kunnen vissen. Ik zou zo graag willen dat het waar was. Dat wat ik voel een hoger doel dient. Want ik spreek hier nu wel van gave en talent, maar plaatsvervangende pijn is lastig. Het is een eenzaam gevoel. Je lijdt in stilte. Het zou nogal kleinzielig zijn om je huilend kind, dat zich net een buil op het voorhoofd gevallen is, tot stilte aan te manen omdat je zelf last hebt van een plaatsvervangende zwelling. Laat staan dat je je kinderen op de hoogte brengt van de schade die ze hun moeder toebrengen met al hun schrammen, builen en wonden om nog maar te zwijgen van de zielenpijn omwille van plagerijen op de speelplaats. Ze zouden het niet begrijpen, want ze kennen het niet, het juk van het inlevingsvermogen. Of toch niet in dezelfde mate. Een voorbeeld: je ligt met griep weg te kwijnen in de zetel. Je denkt: kill me now and bury me deep. Je kinderen werpen een nieuwsgierige blik op je haast levenloze lijf en hebben vervolgens welgeteld één minuut medelijden met hun zielige moeder, wat zich vertaalt in een vluchtig, koud handje in je nek en een haastig uitgesproken: ‘arme, arme mama’, waarna ze terug overgaan tot de orde van de dag, met name een geweldig luidruchtig spel dat uitmondt in een ruzie, zodat moeder gedwongen is om haar knoken bij elkaar te rapen en tussen te komen vooraleer wereldoorlog drie uitbreekt. Je kinderen hebben op dat moment geen enkele last van jouw pijnlijke vel, noch van je vlammende koorts en evenmin van je elastieken benen. Je staat er helemaal alleen voor. Niet dat ze je niet graag zien. Welnee, het besef van liefde komt in alle hevigheid terug wanneer ze zin krijgen in ijs of koek. Voor de rest steken ze hun energie in groeien en geluk. En gelijk hebben ze.

Laatst liepen mijn dochter en ik hand in hand op de stoep. Ik vind het zo fijn om die kleine, plakkerige hand in de mijne te verstoppen. Het genot was echter van korte duur. Mijn meisje glipte weg en liet me zelfverzekerd weten: “Ik wil niet meer aan de hand, mama. Ik wil gelukkig zijn.” Waarop ze vrolijk weg huppelde en mij ontsteld achterliet. Wat bedoelde ze daarmee? Was ze deze moeder dan werkelijk liever kwijt dan rijk? Ze huppelde zo mooi en hoog voor mij uit. Maar wat bedoelde ze nu? Ineens viel het me te binnen. Ana presenteerde me hier haar hoogstpersoonlijke definitie van geluk. Geluk = huppelen = alleen, vrolijk en vrij. Zoiets gaat niet met een handje. Een hand = rekening houden met het ritme van de ander = beperking. Wat een leiband is voor een hond is een hand voor een kind.
Daar loop je dan met je plaatsvervangend lijden. Je denkt aan alle kwellingen die nog zullen volgen. Je hart dat in hun plaats aan gruzelementen zal vallen wanneer ze de bons krijgen. En dan denk je, of dat dacht ik alleszins: “Waarom ook niet? Ik probeer het eens uit.” Even vlug rondkijken. Niemand te zien. Daar ging ik dan. Eerst nog voorzichtig. Een beetje onwennig. Maar het lukte. Zulke dingen verleer je niet zo snel. Dus even later was ik al even vrolijk en vrij. Ik dacht: verdorie, ze heeft gelijk, die kleine. Een mens zou meer moeten huppelen. Net als een kind ging ik erin op, vergat op te letten en zag dus veel te laat de man die de hoek om kwam. Het was de vader van een schoolvriendinnetje van mijn dochter. Hij fietste me breed lachend voorbij. Gelukkig maar dat mijn kind geen last heeft van plaatsvervangende schaamte.

donderdag 14 april 2011

De waarheid, de leugen en de blog

Mijn zoon vraagt: “Weet je nog dat ik vroeger op school altijd liegde?”Vroeger is nauwelijks twee jaar geleden. Liegde’ moet gewoon ‘loog’ zijn. En ja, ik herinner mij de fantastische verhalen van mijn zoon nog levendig. Over de duistere, vochtige kelder van ons huis vertelt hij. En de enorme kast vol geld die daarin staat. Voor alle zekerheid ben ik na het gesprek met de juf toch maar even in de krochten van ons huis afgedaald. Ik mag dan wel een fijne, open relatie hebben met mijn geliefde, je weet maar nooit met die zelfstandigen en hun zwart geld. Edoch, buiten wat rommel, een plasje water en enkele bejaarde spinnen die in hun grijze web lagen te verkommeren, was er niets te zien.En prins vertelde verder. Over een snorkelvakantie in Australië. Wij hadden daar blijkbaar in wateren van het blauwste blauw tussen dolfijnen gezwommen en zelfs de euvele moed bij elkaar geraapt om een aantal van die Flipperbeesten te strelen. Terwijl het vakantiebudget ons toch eerder noopte tot pover pootjebaden in de troebele branding van onze Belgische kust. En dan nog, degenen die mij goed kennen weten hoe ik mij verhoud tot avontuur. Laten we wel wezen, als het de bedoeling was dat wij voor langere tijd onze vege lijven in een zee dienden onder te dompelen, hadden we wel kieuwen gehad. En vergis u niet in die dolfijnen met hun gulle glimlach. Niks sociale vaardigheid kennen die beesten! Die omhooggetrokken mondhoeken hebben ze louter aan hun fysionomie te danken. Dat ik u gewaarschuwd heb. Ik zal mijn hoofd niet snel aan zo’n grijnzende muil vol scherpe tandjes verliezen. Versta me niet verkeerd. Ik heb niets tegen dieren. Zolang ze zich maar gewillig in mijn breedbeeldscherm laten vangen.Hoe dan ook, het enthousiasme van mijn kind was zo authentiek dat de juf er met haar twee pedagogische voeten in trapte. Ze leek oprecht van haar zonnemelk toen ik haar behoedzaam ons regenachtig Noordzeekustverhaal presenteerde. Meer nog, ze achtte het noodzakelijk om mijn leugenachtig kind het verschil tussen het één en het ander aan te leren. Vanaf dan diende mijn kleine fantast bij elk verhaal te vermelden of het waar of gelogen was. Een bijzonder ambitieus plan, vond ik, want de lijn tussen waarheid en leugen is dunner dan een nylon kous. Ik durf zelfs al eens filosoferen over de waarheid in de leugen en de leugen als literaire kunstgreep om de waarheid aan het licht te brengen. En verder vond ik het gewoon ook een slecht idee. Want door de leugen te laten benoemen, joeg ze mijn verzinkind de stuipen op het lijf.“Waarom loog je eigenlijk?” vraag ik mijn zoon. Het antwoord verbaast me geenszins: “Omdat ik anders niks te vertellen heb.” Ik begrijp mijn kind. Een goed verhaal begint niet met de boterham met choco die men ’s morgens opeet. Het is de kast met geld die de toehoorder nieuwsgierig maakt. Van wie is dat geld? Waarom ligt het in een kast in de kelder? … Ik beken: ik heb de juf haar werk laten doen. Overdag kneep zij, ongetwijfeld zachtzinnig, de strot van het liegbeest in mijn kind dicht en ik reanimeerde het dan ’s avonds met behulp van een flinke dosis interactief, leugenachtig knuffeltheater.
Maar wat als iemand je liegbeest dood wil zonder zich kenbaar te maken? Dan wordt het een heel ander verhaal. Blijkbaar is er iemand die me het toetsenbord uit de handen wil trekken. Op donderdag 6/4 rond 23 uur wil ik het derde deel van Love lost delen op Facebook. Er wordt mij droogjes meegedeeld dat daar geen sprake van kan zijn. Iemand heeft gemeld dat mijn blog beledigend zou zijn. Ik mag daar tegenin gaan op het daarvoor bestemde vakje. De onzichtbare Facebookman of –vrouw zal er zich dan over buigen en een oordeel vellen. De Sherlock Holmes in mij roert zich en besnuffelt de geschribbelde teksten. Het vergrootglas blijft hangen boven de tekst over de knorrel, een verhaal dat van fictie en feiten aaneen hangt. Mijn beste anonymous, ik richt mij nu tot u. U was zich toch bewust van deze mix? U dacht toch niet dat ik echt een brief naar J.K. Rowlings geschreven heb? U wist dat knorrels niet bestaan, maar een bedenksel zijn van een verzinkoningin, toch? Het loof slaat op mensenhaar. Dat had u ongetwijfeld geraden. En nee, de man die mij inspireerde tot dit magische wezen heeft echt niet de gewoonte om pieren leeg te zuigen. Ik moet tevens bekennen dat geen enkele buur ooit vermoedde dat de man tot de familie der snottrollen behoorde. En ik kan onmogelijk weten of de knorrel mijn zoon samen met het zwaard onder de aarde wilde begraven. Allemaal leugens, verzinsels en overdrijvingen. Kom kom, u wist dat ongetwijfeld allemaal. (Voor alle duidelijkheid: ik ben ook niet echt in de kelder afgedaald om te controleren of er een kast met geld stond.) Het clandestien tuintje daarentegen bestaat echt. Dat wel. En de aversie voor het vervoer van grasmatten en boomhutten is feitelijk. Alsook buurmans afkeer voor boombeklimmende kinderen. Het is de leugen of de fictie die onze knorrel universeel en herkenbaar maakt, want ik ga ervan uit dat er in elke stad of dorp, wat zeg ik, in elke straat een knorrelvariant woont. De feiten duiden wel op een persoon van vlees en bloed. Deze mix van feiten en fictie zijn een veel voorkomend gegeven binnen de literatuur (waartoe ik mijn schribbels vooralsnog niet reken, maar waarnaar ik eerlijkheidshalve wel streef). Mag ik u er ook even op wijzen dat het uiteraard niet de bedoeling is dat de schrijver daarover veel duiding geeft. Mijn toelichting in deze tekst is dan ook eenmalig en enkele ter uwer glorie, mijn beste anonymous. Uw onbekendheid is een gemiste kans; ik zal nooit kunnen achterhalen wat het precies was wat u kwetste: de leugen of de waarheid.U mag gerust weten dat ik er over nagedacht heb en zelfs even overwogen heb om het verhaal uit mijn blog te halen, om de eenvoudige reden dat ik het soort mens niet wil zijn dat andere mensen opzettelijk kwetst. Ik heb me bedacht. Knorrel blijft. Want democratie en vrije meningsuiting hebben één ding gemeenschappelijk : ze zijn niet feilloos. Een democratisch verkozen meerderheid is geen garantie voor goed beleid en een in alle vrijheid geuite mening, in dit geval een verhaal, kan mensen zeer doen. Toch ben ik een groot voorstander van beiden, omdat het omgekeerde veel en veel erger is. Het omgekeerde is willekeur en onverdraagzaamheid. Is concentratiekamp en apartheid. Is zwart en wit en helemaal niks daartussen. Het omgekeerde is oogkleppen en alleen maar rechtdoor. Is de schrijver monddood. En daarom blijft de knorrel staan. Uw anonieme pijn mag me geen blok aan het schrijversbeen worden. Ik wil u er trouwens even attent op maken dat er een vakje is onder de tekst, waarin u uw verdriet en pijn - veroorzaakt door een onvrijwillige trap tegen het zere been - kan deponeren. Met heel veel liefde zal ik u een fictief doekje voor het bloeden geven.

donderdag 7 april 2011

Love lost (3)

Mijn papa heeft een baard waar vogels gemakkelijk twee nesten in kwijt kunnen. Ik lieg niet. En mijn mama is zo dun als de wandelstok van opa. Ik lieg echt niet. En allebei beweren ze heel stellig dat ze gelukkig zijn en dat is zo vet gelogen L.
Verleden week hebben ze me gevraagd wat ik voor mijn verjaardag wilde. Maakt niet uit, heb ik tegen mijn mama gezegd en er stilletjes bij gedacht dat ik toch niet krijg wat ik echt wil L. Aan papa heb ik de ingelijste foto van mama en mij gevraagd, omdat ik weet dat hij niet veel geld heeft. Tante Jes zei laatst nog tegen opa: “Die Fred heeft geen nagel om aan zijn gat te krabben.” Ik wist niet eens wat dat betekende. Ik heb het aan mama moeten vragen.
“Dat kan je niet menen,” zei papa en zijn wenkbrauwen leken op huppelende rupsen. “Dat kan ik je toch niet geven! Het glas is helemaal kapot!”
“En mama ook,” floepte ik eruit en het kleine stukje gezicht tussen de rupsjes en de woeste baard werd helemaal rood. Hij ging er zelfs van stotteren.
“Dat is… dat moet… Dat was de bedoeling. Dat is een collage. Of een…of een mozaïek, als je het echt wil weten.”
Zoiets noemen ze een leugentje om bestwil, geloof ik. Opa heeft me dat eens uitgelegd. Grote mensen vertellen dat soort leugens omdat het leven anders te ingewikkeld wordt.
“En toch wil ik de foto,” hield ik stug vol. Die koppigheid heb ik van mijn vader geërfd, zegt mama. En papa beweert precies het omgekeerde.
Mijn ouders zijn uit elkaar, had ik dat al verteld? Ze gaan nooit of te nimmer nog samenkomen, zeggen ze. Het was nochtans goed begonnen: papa was eerst in het appartement van mama gereden met zijn auto en daarna recht in haar hart J. Ik woon nu veel bij mama en kampeer af en toe bij papa. Zo noemt hij dat als we picknicken op een dekentje in de keuken. Ik mag bij hem ook in een tentje in de woonkamer slapen. Het lijkt altijd een beetje op vakantie J. Maar wat ik het liefste heb, zal ik dus niet krijgen L. Daarom vraag ik het elke avond aan God. ‘Lieve God,’ zeg ik dan. ‘Lieve God, geef riddertje Afgelikt – zo noemt papa de nieuwe vriend van mama – een ander lief en laat, alsjeblieft, mijn ouders elkaar terug graag zien. Ik zal nooit meer vanuit mijn raam steentjes gooien naar de gemene hond van de buren.’

Ik heb de foto gekregen van papa. In een nieuwe lijst met glas ervoor nog wel J. En een schrift waarin papa alle verhalen die hij me ’s avonds vertelt netjes heeft opgeschreven, zodat ik ze ook kan lezen als ik bij mama ben. De verhalen gaan allemaal over een zekere meneer Bolderkop die met vogels kan praten en die een baard heeft waar gemakkelijk twee nesten in kwijt kunnen raken. Ik weet het wel, ik heb die zin van papa gestolen en dat mag niet. Dat is plagiaat, zegt papa. Mensen met een leeg hoofd kunnen daar al eens last van hebben, maar mijn papa zit gelukkig helemaal vol avontuur. Van kop tot teen.
Toen ik terug bij mama was, heb ik de foto uit de lijst gepeuterd en mijn eigen gezicht verscheurd. Mama vroeg waar ik in godsnaam mee bezig was.
“Ik maak een collage. Of een mozaïek, als je het echt wil weten,” zei ik.
Ze haalde haar schouders op. Dat doet ze nogal dikwijls de laatste tijd. Ik hoop maar dat het geen tic wordt, want daar kan ze zelf niet zo goed tegen. Dus daar lagen mijn snippers gezicht op de keukentafel. En toen gebeurde er iets vreemds. Ik werd daar ineens zo verdomd en verschrikkelijk verdrietig van L. Mama wil niet dat ik dat woord nog uitspreek, maar tante Jes zegt dat ‘verdomd’ in sommige zinnen heel gepast is. ‘Verdomd als het niet waar is,’ zegt ze dan. Maar echt, zoals mijn buitenkant daar in stukjes vaneen lag, zo voelde ik me al een tijdje ook aan de binnenkant. Mama zegt soms tegen riddertje Afgelikt dat ze zich verscheurd voelt. Ineens snapte ik wat ze bedoelde L. Omgekeerd werkte het gelukkig ook. Hoe meer ik mezelf bijeen plakte, hoe beter ik me voelde. En mama kreeg een nieuwe tand van Tipex.
“Nu zijn we terug heel,” zei ik. Daar werd mama helemaal tranerig van.
“Ach, Nelleke toch, mijn lief, slim meisje,” bleef ze maar herhalen en ze streelde mijn arm tot hij pijn deed.
Na het eten vroeg ze me of ze de verhalen mocht lezen. Natuurlijk mocht dat. Zij wel, maar riddertje niet. Hij keek me weer aan met zo een puppyblik, maar het deed me helemaal niks. De hele avond heeft mama gelezen en toen ze me een nachtkus gaf, zei ze:
“Dat zijn hele mooie verhalen, Nel. Die moet je goed bijhouden. Een Claus zal je vader wel nooit worden, maar misschien zit er wel een Roald Dahl in hem.”
Dat klonk zo ongelooflijk cool, want Dahl is echt te gek. Toen mama wegging, heb ik nog heel lang zitten oefenen op de zinnen die ze gezegd had, want ik wilde ze op precies dezelfde manier doorvertellen aan papa. Daar zou hij vast helemaal blozend en blij van worden JJ. En toen kreeg ik er nog een superidee bovenop. Als papa boeken van zijn verhalen zou laten maken, zou meneer Bolderkop misschien even beroemd worden als Harry Potter JJJ. En als papa dan veel nagels zou kunnen kopen om aan zijn gat te krabben, zou hij vast terug het hart van mama mogen binnen rijden JJJJ.

dinsdag 5 april 2011

Love lost (2)

Vroeger piste ze dikwijls in haar broek van het lachen, maar zoals ze daar nu stond voor zich uit te staren in de ontruimde woonkamer, leek ze eerder op één van die triestige figuurtjes van Giacometti, vond Jessy. Verdwaald en droefgeestig.
“Komaan, Su,” riep ze vanuit de keuken. “Het belangrijkste hebben we toch laten staan. Het bed. De televisie. De koelkast. En deze fantastische uitvinding om diepvriesmaaltijden in op te warmen.”
Met haar vlakke hand gaf ze een ferme klap op de microgolfoven. Haar zus schrok op en keek haar ontstemd aan.
“Op een dag zal dat ding nog eens ontploffen.”
Jessy voelde haar laatste restje geduld wegsijpelen, rammelde met haar sleutels en mompelde:
“Ze zijn buiten op ons aan het wachten.”
“Het was nochtans allemaal zo goed begonnen.”
Daar gaan we weer, dacht Jessy verveeld. Ze kon het beschimmelde verhaal van hun ontmoeting bijna woordelijk mee opdreunen. Fred had de bocht gemist. Fred was haar appartement en in één ruk door haar hart in gereden. Dat was overdreven, want Fred had een hoofdwonde en werd met een bebloed aangezicht weggevoerd. Het hart had nog even moeten wachten. Pas weken later had het toeval een handje toe gestoken in de gedaante van een oude schoolvriendin die Suzy onverwacht uitnodigde voor een verjaardagsfeest. En zo was het dan eindelijk gekomen: trompetgeschal, tromgeroffel, bliksemschicht, rozengeur en maneschijn! Fred was de frontman van het coverbandje van dienst. Fred riep haar na de pauze het podium op. Fred zong van satelliet Suzy, telkens als ik u zie. Fred zong haar ondersteboven. Fred vergaf het haar dat ze hem niet herkend had zonder al dat bloed. Fred. Fred. Fred. Jessy luisterde al niet meer. Volgens haar was Su eerst op het verhaal en later pas op de fantast gevallen, wat nauwelijks verwonderlijk was gezien haar wankele geest en haar zwak voor vertelsels.
“Ben ik te ver gegaan?”
“Te ver?”
Jessy probeerde een beetje interesse in de vraag te leggen, maar faalde jammerlijk.
“Zeg, ik haal hier wel het hele kot leeg. Achter zijn rug om,” stelde Suzy gepikeerd.
“Het zijn mijn zaken niet, Su, maar die luiwammes kwam hier aan zonder een nagel om aan zijn gat te krabben. En alle jaren nadien heeft hij voor de rest ook niks binnengebracht. Niente. Nada. Noppes. Alles hier was van u. Ge hebt er verdomd hard voor gewerkt. En wat deed meneer Fred ondertussen? Die waande zich de nieuwe Claus. Poeh!”
Suzy bestudeerde nauwgezet een modderspatje op haar linkerschoen, glimlachte even toegeeflijk, maar zei toen fel: “Als hij goed gezind was, ging hij psalmen zingen in de trappenhal. Ik vond dat heel grappig, ja. Hij kon eieren klaarmaken op 356 manieren. Als ik moe en ambetant was, deed hij Urbanus na: ‘Ze spuit met de shampoo recht in mijn ogen, ze maakt me gelukkig en blij.’ Hij smeerde elke dag mijn boterham voor het werk en als ik mijn doos dan ’s middags opendeed, was er altijd één hap uit het brood. En ja, dat vond ik ook grappig. En ik ken niemand die uren met vogels kan praten. Nee, Jes, dat is niet gestoord. Nel gelooft dat Fred die vogels echt verstaat.”
Genoeg, dacht Jessy en gaf haar zus een zachte duw tegen de schouder.
“Zeg, ge gaat toch niet van gedacht veranderen?”
De blik van Suzy vlamde even op. Ze maakte er een slechte gewoonte van om haar woede voor de verkeerde mensen te bewaren, bedacht Jessy een beetje verongelijkt.
“Fred koestert tenminste zijn dromen nog. Weinig…”
“Dromen moet je waarmaken,” kapte Jessy haar kortweg af. “Anders blijven het lege dozen. Komaan zeg, die gast was niet eens meer aan het dromen. Die rookte te veel sigaretten en dronk teveel pinten. En daarmee is alles zo ongeveer gezegd.”
Suzy schudde zachtjes met haar hoofd.
“Ik heb dit nog nooit aan iemand verteld,” zei ze stilletjes. “Maar een jaar of twee geleden leek het hem eindelijk te lukken. Hij schreef als bezeten, kwam de studeerkamer nauwelijks uit. Als ik vroeg of ik iets mocht lezen zei hij alleen maar: als het af is, Suzelu, als het af is. Dus ik wachtte. Ge kent me. Eén en al geduld en vertrouwen. Tot hij voor de zoveelste keer weer vastliep. Toen ben ik stiekem gaan snuffelen. Hij had geschreven, dat wel, maar…”
Suzy haalde bewust diep adem vooraleer ze verder ging.
“Ach, Jes, hij had gewoon Het verdriet van België overgeschreven. Letter voor letter. Woord voor woord. Zin voor zin. Hele schriften vol…”
En nu moet ge zwijgen, dacht Jessy. Meer hoef ik niet te weten.
“Ik was zo teleurgesteld. Maar ik heb hem nooit verteld dat ik het wist. Dat zwijgen van mij, Jessy… Die schriftjes werden een steen in het water en al de smerigheid bleef erachter hangen.”
Ik wil mijn zus terug, dacht Jessy. Ik wil terug samen jong zijn en op de laatste bank van de bus iedereen die opstapt uitlachen.
“Kijk toch eens hoe blij we daar waren.”
Su stond op en streek zacht met haar hand over de uitbundig lachende gezichten van zichzelf en haar dochter.
“Fred heeft die genomen. Hij had een stukje zwart papier van een Chocotoff over zijn tand geplakt om ons te laten lachen.”
“Ze wachten op ons,” probeerde Jessy nog eens voorzichtig en nam de koude hand van haar zus in de hare.
In de trappenhal bleef Suzy ineens stokstijf staan.
“Wacht even...,” zei ze. “ Ik wil afscheid nemen.”
Ze maakte zich groot, nam heel diep adem en zong toen uit volle borst: “La-ham go-o-o-ods dat wegneemt de zonden der wereld...”
Jessy moest toegeven dat een psalm in een trappenhal fantastisch klonk. Ze legde haar arm over de schouders van Su en zette even luid en vals in: “...Ontferm u over o-o-o-ons...”