In 'Den Engel'
Het is kerstavond en de koning denkt na. Naar jaarlijkse gewoonte heeft hij zijn chauffeur opgedragen om zomaar wat rond te rijden. Daar wordt onze vorst rustig van. En met de rust in het hoofd komt ook de inspiratie voor de jaarlijkse kerstboodschap. Toch wil het dit jaar maar niet lukken. Uren rijden ze nu al rond. Wat wil je ook , denkt hij vermoeid, met die economische crisis, die aanhoudende burenruzie in mijn koninkrijk en in het venijnige staartje nog een clerus die zich vreselijk misdraagt. In tegenstelling tot zijn godsvruchtige broer heeft hij er absoluut geen zin meer in om ook dit weer met de hermelijnen mantel der liefde te bedekken. Met de Koninklijke poten stevig in de Belgische potgrond geplant, verkiest hij de tastbare, koele pint boven het plakkerige prakje dat ze in het hiernamaals schijnen te serveren. Muurvast zit hij met zijn toespraak. Met dichtgeknepen ogen tuurt hij naar buiten waar een hysterische wind witte vlokken tegen de voorruit jaagt. Paola zal vast wel...