ann schribbelt

ann schribbelt

woensdag 9 november 2011

Spiegels

Ik lees mijn kinderen terwijl ze slapen. Prins ligt op zijn linkerzij, opgerold, ingekapseld door zijn pluchen beschermheren. De nacht is geen vriend. Allerkleinst slaapt hij, bescheiden, in de hoop dat de monsters van het duister hem over het hoofd zullen zien. Enkel een stukje kruin is zichtbaar en als ik even vals speel en zijn donzen harnas een beetje naar omlaag trek, dan kan ik met voorzichtige vingers de vochtige, oranje haartjes in zijn nekje raden. Stil is hij, onbeweeglijk, alsof hij gekneed is uit sneldrogende klei. Maar dan, net als je hem kussen wil, daar in de diepte, ergens dichtbij die uitnodigend uitgestulpte lippen, haalt hij onverwacht diep adem door zijn neus. Een intense zucht trekt door zijn S-vormige ik. Opluchting, daar lijkt het op. Alsof hij weet dat ik er ben, zijn moederbeest.
Zij, poppy, ligt op haar rug, opengevouwen als een bloem aangeraakt door zomerzon. Beide armen uitbundig langs haar hoofd gestrekt, de handpalmen naar boven. Ze neemt zoveel mogelijk ruimte in. Spoken bestaan niet. Dus mag ze gezien worden. Een knie staat omhoog en een voet ontvlucht de warme anonimiteit van de dekens. Af en toe rolt ze weg of veegt een lokje uit haar nek, herschikt het blindelings tussen de uitwaaierende haren op haar kussen. Ze doet aan baldadig bedballet. Een hachelijke onderneming is het, haar te willen kussen. Tot over de drempel van de slaap blijft ze nog waakzaam. Eens boog ik me voorover. Ze voelde het, kwam me tegemoet, iets te snel. Een bliksem schoot door mijn neus. Een vloek werd ingeslikt. Er is nog iets: ze praat met haar ogen op een kiertje. “Wat is de bedoeling?” vraagt ze me dan bijvoorbeeld na een voorzichtige zoen. Ik zoek naar woorden, maar ze draait zich alweer van me weg zonder het antwoord af te wachten.
Mijn kinderen slapen en ik lees in hun kamers het vervolgverhaal van wie ze zijn op klaarlichte dag.

zaterdag 5 november 2011

Eilanden

Mijn jongen telt. Al van toen hij heel klein was: de snoepjes in het zakje, de borden op de tafel, de glazen in de kast. Ik vermoed dat hij daarmee zijn angsten bezweert. Een ordelijke wereld is minder bedreigend. Zijn minst favoriete getal is één. Die wetenschap drijft hem elke dag de tuin in op zoek naar zijn vriend, want één is een te verwaarlozen getal. Eén is geen. Nauwelijks vijf jaar oud hield hij al minutieus de score bij tijdens de voetbalwedstrijden. Zijn vader keek een beetje radeloos toe hoe zijn kleine voetbalheld op het plein stokstijf de ballen aan zich liet voorbijgaan en doelpunten stond te tellen. Prins telt nog steeds: de stickertjes in zijn agenda, de door de juf ingekleurde lachende gezichtjes in zijn werkschrift. Maar waar tellen vroeger enkel op zichzelf stond, staat het nu helemaal ten dienste van de vergelijking. “Mijn vrienden hebben een hoger leesniveau,” vertelt hij me met spijt in zijn stem. In zijn weekschriftje van school staat er altijd dezelfde beginzin: we hebben gevoetbalt en verloore met (daaropvolgend variabele uitslagen) 12-5, 9-1. Zoon zit in het kamp van de verliezers en ervaart zijn eerste hartpijn. Toch kiest hij steevast voor deze nieuwe ordening waarin er nu enkel nog plaats is voor winnaars (die groot, sterk, snel en slim zijn) en verliezers (die klein, slap, traag en dom zijn). Mijn kind leeft in een wereld vol strijd en competitie.
Ik heb niets met getallen. Cijfers brengen me in de war. Ik tel nog steeds 7+5 even na op mijn vingers. Op jonge leeftijd werd ik al betoverd door het geschreven woord. En cijfers en woorden verhouden zich niet altijd even goed. Bijgevolg is het brein van mijn jongen een vreemd eiland, waar ik moeilijk voet aan wal krijg.
En dan, op een zondagnamiddag komt hij langs me zitten nadat ik me met een boek in een hoekje van de zetel heb genesteld. Heel dicht tegen me aan. Ik durf bijna niet te ademen. In zijn armen klemt hij een dik boek van vos en haas. Langs zijn neus weg informeert hij op welke bladzijde ik zit. “125,” antwoord ik. En dan gebeurt het. Mijn rekenjongen leest. 45 minuten lang. Ik voel zijn lijf ademen tegen mijn arm, zie hoe zijn lippen de woorden stilletjes proeven. Het ontroert me mateloos dat mijn speelbeest eindelijk aangespoeld is op mijn eiland. Meer dan ooit voel ik me met hem verbonden. Zelfs wanneer ik even opsta om de vaatwasmachine leeg te maken, blijft hij verder lezen. Kijkt niet eens op als ik even later terug mijn plaatsje inneem. Een ritueel is geboren, denk ik nogal voortvarend. En dan draait hij zich ineens toch naar me toe.
“Mama,” vraagt hij. “Mama? Aan welke bladzijde zit je nu?”
Ik sla mijn boek open en geef hem achteloos het gevraagde cijfer, waarop hij een reeks getallen begint te fezelen, me glunderend aankijkt en roept:
“Dan heb jij er 41 gelezen en ik 56! Ik heb gewonnen!”
Met een klap sluit hij het boek en gaat er razendsnel vandoor. Beduusd blijf ik achter.