ann schribbelt

ann schribbelt

vrijdag 28 oktober 2011

Stil

Ze lijkt niemand nodig te hebben. Op de vloer verzamelt ze voertuigjes rond zich en blaast hen leven in. Vanuit de woonkamer waaien flarden gesprekken me toe, terwijl ik de groenten snij. De ijle, hoge stemmetjes horen – dat weet ik wel zeker - bij de gestroomlijnde modellen, terwijl uit de kelen van de robuustere wagens donkere basstemmen echoën. Ze houden van elkaar en dan weer niet en dan weer wel. Het eeuwenoude spel van aantrekken en afstoten. Als het hoofdje draaierig wordt van de vicieuze cirkels die ze zelf verzint, laat ze de auto’s voor wat ze zijn en vult haar rechterknuist met een grote stift. Gaat onvervaard het papier te lijf. Later zal ik de tekeningen van tekst moeten voorzien. “Kijk,” zal ze wijzen. “Hier moet je bijschrijven dat de kleine bom het heel erg vindt dat de grote bom op zijn huisje gaat vallen.” En: “Dit is een prinses. En ze huilt en huilt en huilt. Want, zie je, haar broer is gevangen.” Het figuurtje, een kruising tussen een kikker en een ventje, hangt met tien touwen bevestigd aan iets wat op een reclamebord lijkt en even verderop doet zijn zus een verdienstelijke poging om donkerblauwe pijpenstelen te regenen. Op haar vraag zal ik als een gehoorzame klerk alles in drukletters noteren. “Doodskop is ongelukkig omdat niemand met hem spelen wil,” dicteert zij dan met de air van een vorstin. Pathos is nooit ver weg bij dochter. Maar nu hangt ze nog in opperste concentratie over het blad. Het is zo stil. Soms vergeet ik even dat ze er is.

maandag 24 oktober 2011

Tien minuten

“Wanneer ga je opstaan, pappa?”
“Om half elf, jongen.”
“Dat is dan nog eenentwintig minuten.”
(vader werpt een zuinig oog op de radiowekker)
“Nee, zoon, dat zijn nog tien minuutjes.”
“Aha, nog tien minuutjes, pappa.”

(zoon port zijn vader tegen de schouder)
“Nog negen minuutjes, pappa.”

(zoon tikt vader tegen het hoofd)
“Nog acht minuutjes, pappa.”

(zoon rolt een paar maal dwars over vader heen)
“Pappa, nu nog zes minuten, pappa.”

“Zal ik je even masseren, pappa?”
(zoon steekt zijn ijskoude voeten uit en houdt ze tegen de rug van zijn vader)
“Koud, die voeten, koud hoor.”
“Zal ik je dan een beetje aaien, pappa?”
(zoon aait op steeds hetzelfde stukje huid, totdat het een beetje pijn begint te doen)
“Fijn, hè pappa, zo aaien.”

(zoon gebruikt vader als trampoline)
“Nog, drie minuten, pappa.”

(zoon maakt een vreugdedans op de linkerarm van vader)
“Pappa, het is tien uur dertig, hoor! Tijd om wakker te worden!”

dinsdag 18 oktober 2011

Evenwicht

Hij staart voor zich uit, steekt zijn rechterwijsvinger in zijn neus, haalt hem eruit en laat de hele vinger met de buit gedachteloos in de getuite mond glijden.
“Hallo,” zeg ik, terwijl ik mijn dochter zoek in het slordig hoopje kinderen dat allemaal gelijktijdig aan de jas van de stagiaire probeert te trekken. “Hallo, jongen, hou je ook nog een beetje over om later in de soep te doen?”
De ogen van zoon schieten vol woedetranen en hij lipt me toornig toe dat hij me haat. Ik ken mijn prins. Zijn woede heeft niets met de onorthodoxe soepkruiden te maken, maar alles met een eerdere weigering van zijn heksenmoeder. Ik probeer me nog te beroepen op mijn gevoel voor humor, maar daar heeft prins geen oren naar. Hij speelt dat hij me voor altijd en eeuwig gaat verlaten. Gezien zijn prille leeftijd kan hij mijn kwetsbare moederhart nog niet volledig peilen, maar uit ondervinding weet hij maar al te goed dat zijn verdwijntrucjes wel enig effect sorteren. Als ik even later aan zijn vader uitleg hoe de oorlog begon, kan die daar hartelijk om lachen. Olie op het vuur. Ksjjjjttt. De overslaande stem van zoon echoot door de hele gang: “Ik haat je!”

Maar ’s avonds kunnen de knuffels in zijn bed hem niet behoeden voor de spoken en lokt hij me met een reeks nepkuchjes naar zijn kamer. Rechtop zit hij, tussen omgewoelde lakens, speurend naar monsters.
“Ik ben de bangste sukkel van de school,” fluistert hij me toe.
“Maar je bent ook mijn liefste sukkel,” fluister ik terug. “Trouwens, vroeger was ik ook de bangste sukkel. Maar nu, nu niet meer. Voor niks niet en niemendal.”
Daar is ze weer, de leugen voor bestwil. Een talent waarvan elke ouder in noodsituaties dankbaar gebruik maakt. Hij wil het me uitleggen, mijn kleine huisfilosoof:
“Dat komt omdat kinderen slimmer zijn en alles beter onthouden. Daarom zijn we banger,” zegt hij.
“Ja, kinderen zijn slimmer,” beaam ik.
Hij laat me een vermoeid, scheef lachje zien. Tuit zijn lippen om de mijne te kussen. Strekt zijn dunne armen om mijn lijf te knuffelen. Zijn liefde is bijna tastbaar. Op het einde van de dag herstellen kinderen altijd het evenwicht.

donderdag 6 oktober 2011

Kat en vlinder

1.

De berg is zwaar, maar de vlinder tilt de kat op.

2.

Poppy worstelt in de gang met haar schoenen en ik help haar. Man loopt om ons heen en leidt twee potige vrouwen, die hij bijstaat in de bouw van hun liefdesnest, zijn bureau binnen. Onze dochter staart hen enigszins vijandig na.
‘Jullie moet trouwen,’ stelt ze beslist. De deur van het bureau staat nog wagenwijd open.
‘Jullie moeten echt trouwen,’ herhaalt ze luid. ‘Want anders worden al die vrouwen verliefd op pappa.’

3.

Kat staat achteloos tegen de muur van het terras geleund. Hij praat met vlinder. Zijn ouders hebben de dag voordien met een deskundig vrouwmens gepraat over onroerend goed. Ontroerend goed, denkt ze. Een nest bouwen. Ontroerend goed.
“En toen hadden ze het ook even over ons,’ zegt hij. Over een zelfstandige kat en een parttime vlinder dus, die al heel lang en gelukkig samenleefden in hun huis zonder zich om financiële zaken te bekommeren.
“Die vrouw geloofde haar oren niet,” gaat kater verder. “Ze zei: als die twee nu hier voor mij zaten, dan trouwden ze nog op de terugweg.”
Kat kijkt vlinder schuin aan: “Zullen we dan maar trouwen?”
Vlinder hoort violen. Ze kent een man die zijn vrouw verraste met een chocolade eitje (Kindersurprise) tijdens een picknick. In het gele verrassingsomhulsel – dat zij eerst nog onwetend aan de kant gooide – had hij de ring verstopt.
Vlinder kruist haar armen en zegt gespeeld streng: “Op de knie of nie(t).”
Kat lacht, maar blijft stevig op al zijn poten staan. Vlinder had niet anders verwacht. Na zeventien jaar kent ze haar kater zo onderhand wel. Kat heeft nooit willen trouwen. Hij staat niet graag in de belangstelling. Maar zij, vlinder, wilde stiekem wel. Allemaal de schuld van die hoofse ridders en VijfTV. De gedachte aan een huwelijk versnelt haar trillende vleugelslag. Ze kirt een beetje, dartelt lichtvoetig de trap op en als kat omkijkt, vangt ze zijn vertederende blik.

4.

Geliefde studeert nog en vertelt me over de kat die de vlinder optilt. We vinden het allebei een fascinerend beeld en herkennen onszelf erin. Hij is onmiskenbaar kat, nuchter, speels en aards. Hij jaagt op muizen, niet op dromen. En ik kan niet anders zijn dan vlinder, zo vol verlangen naar days of miracle and wonder. ’s Avonds lees ik hem in bed voor uit de Kleine Prins en hij doet mopperend het licht aan vooraleer ik mijn ogen helemaal kapot lees.

5.

“We hebben nieuws!” Verwachtingsvol kijken de kinderen ons aan. Man laat de eer aan mij. “Mama en papa gaan trouwen,” roep ik nogal uitbundig.
Het gezicht van prins licht op, maar poppy reageert teleurgesteld: “Is dat ook al nieuws?”
Dan staat ze toch even stil bij de aankondiging, spert ineens de ogen wijd open en juicht: “O mama, en mag ik dan de sleep dragen?”
Er zal geen sleep zijn. Ik schud mijn hoofd. Met eenzelfde beweging spiegelt ze haar ontgoocheling.

6.

“Niet veel gedoe”, zegt kat. “Gewoon trouwen. Een etentje met zus, schoonbroer en ouders. We kunnen het op drieëntwintig december laten doorgaan. En ’s avonds het feestje voor mijn veertigste verjaardag.” Vlinder knikt en haar wiekslag vertraagt een beetje, maar ze heeft geduld. Ze zal hem later uitleggen wat het spreekwoord ook weer betekende. Dat wat in eerste instantie onoverkomelijk zwaar kan lijken, uiteindelijk heel licht kan blijken. En dat Lenny en J.K. Rowlings overschot van gelijk hebben: we’ve got to let love rule!