ann schribbelt

ann schribbelt

vrijdag 3 augustus 2012

Beetjes Frankrijk (5,6)

Poppy is vandaag zeven geworden en dus mag ze mee gaan kajakken. Verleden jaar hadden we een leeftijdsgrens verzonnen. Ze is dat niet vergeten en we kunnen nu geen enkele reden meer verzinnen om haar niet mee te laten gaan. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan om vrijwillig in zo een drenkelingenbootje te stappen, maar man ziet er geen probleem in om zich over het addergebroed te ontfermen en stelt me gerust dat het water voor het overgrote gedeelte laag staat.
Ik blijf veilig thuis, lees en kijk naar de gigantische horzel die dagelijks om geheimzinnige redenen een toertje rond de omgevallen stronk komt maken. Dat is spannend genoeg voor mij.

De jongen in het boek ‘de alchemist’ van Coelho reist naar Afrika en wordt bedot. 'Hij bedacht dat hij, toen de zon ’s morgens was opgekomen, op een ander continent had gezeten, herder met zestig schapen was geweest en een afspraak had gehad met een meisje. Hij was geen herder meer en had niets meer, niet eens geld om terug te gaan en opnieuw te beginnen.
En dat allemaal tussen zonsopgang en zonsondergang, dacht de jongen.'
Ik denk na over de tweedeling die Else maakte nadat ze op 9/11 naar de aanslag op de torens keek. Volgens haar zijn er slechts twee soorten mensen: zij die gaan, vertrekken, springen, desnoods in vrije val met het hoofd omlaag, en zij die blijven en wachten tot de rook hun neus, ogen en oren binnendringt.

Onze avonturiers zijn sneller terug dan verwacht. Man heeft een grote, dwarse snee op zijn neusbrug.
‘Die verdomde Engelsen,’ foetert hij. ‘Ik ga me toch niet laten doen door zo’n stelletje…”
‘Wat?’ lach ik.
Mijn man en vechten? Grotere kans dat ik een perfecte duiksprong maak in het diepe.
Het echte verhaal wil dat man met de peddel kracht op de bodem zette om de kajak correct aan te meren. Op één of andere manier schoot het ding hem plots uit de handen vol tegen de neus.
Wat is beter? Gaan of blijven?

Na de nachtelijke zwempartij met champagne is het de volgende dag tijd voor liters water. De dehydratatie is collectief en dus stellen we de trip naar de watervalletjes van la roque-sur-seize uit. We blijven.

Ik ben niet meer in de stemming voor de sprookjesachtige verteltrant van Coelho, dus speel ik vals, lees het boek snel snel diagonaal tot het einde uit. Bij sommige boeken kan dat.
Gaan en terugkeren is niet hetzelfde als blijven, bedenk ik bij het lezen van de slotzin.

Ik zoek een plekje op het schaduwterras, drink frisdrank uit een bierglas met een plaatje van het hoofd van een voetballer die ik niet ken erop. De jongens spelen een spelletje jeu de boules in het dalletje achter het zwembad en ik laat me helemaal meeslepen door een mooi fragmentje uit ‘meisje ontmoet jongen’ van Ali Smith, waarin Anthea in plaats van naar haar werk te gaan een boekenhandel binnen stapt. ‘Zoals dat gedicht dat ik kende, over hoe je een boek uitleest, het dan dichtslaat en in de kast zet en je misschien, omdat het leven zo kort is, zult sterven voordat je dat boek weer opent en die bladzijden van het boek, die eenzame bladzijden, dichtgeslagen in dat boek in de kast, misschien nooit meer het licht zullen zien, hetgeen de reden was waarom ik de winkel moest verlaten, omdat de man van wie de winkel was me bevreemd aankeek, aangezien ik deed wat ik kennelijk in alle boekwinkels doe vanwege dat gekmakende gedicht: een boek van een plank pakken en het open laten waaieren zodat elke bladzijde wat licht opvangt, het daarna terugzetten, dan het boek ernaast pakken en hetzelfde doen, wat zeer tijdrovend is, ook al lijkt men er in de tweedehandswinkels minder bezwaar tegen te hebben dan bij een Borders of een Waterstones enzovoort, waar men het gewoonlijk niet waardeert als je de ruggen van nieuwe boeken buigt of knakt.’
Ik hou van zulke personages. “Omdat ze springen,” fluistert Else. “Anthea springt.”

donderdag 2 augustus 2012

Beetjes Frankrijk (4)

Het is windstil deze morgen. De gesprekken in het zeteleiland van de kinderen meanderen van snurken naar armbanden en hondjes naar pennenzakrock en een auto die ondersteboven gaat naar de aardbol in Bredene waar je zelf een weerbericht kan uitzenden. Ze zitten gezellig met blote schouders tegen mekaar te keuvelen. En even later aan de tafel gaat het door, want prins vindt dat er twee Olympische balletjes in de doos Cornflakes moeten zitten omdat dat op de voorkant én de achterkant aangegeven staat. Nicht begint omstandig uit te leggen waarom dat niet zo is. Ze weet niet waar ze aan begint. Van mij mag hij thuis tot aan zijn elleboog in de doos dabben om zelf  te ontdekken dat er maar eentje in zit. Hij kan maar beter zo snel mogelijk ingewijd worden in de lepe wereld van de reclame. Op de doos van nicht staat: Crunchy Muesli, een moment van intens plezier.

Het is woensdag, windstil, 30 graden Celcius en het is markt. Wij zweten ons dapper door het volk heen en plukken hier en daar wat van de kraampjes mee: een mottige, helgroene horloge (poppy), een voetbalshirt en broek (nee, geen pistool, prins), een strooien hoed (man) en oorbellen (moi). Achter een smeedijzeren poort bij de kruidenkraam – heerlijke geuren in onze neuzen - hinkelen kinderen op een speelplaats, maar wij willen niet meer bewegen. Wij willen van onze zweetsnor af en gaan op zoek naar een terras. Er is iets vreemds met die terrassen in Frankrijk. Je mag alleen aan de eerste rij tafeltjes iets drinken, ook al zit er voor de rest van twaalf tot drie niemendal. We zijn met elf personen en er zijn niet genoeg stoelen. Dus stapelen wij, dorstige maar meegaande toeristen, ons op mekaar, en het loont de moeite, want een frisse pint smaakt op zijn best met een zweetsnor, zeg dat ik het gezegd heb. En ijs voor de kinderen kan ook niet, laat de jonge garçon ons zuurtjes weten, want er is geen plaats. Wat een zeer snuggere opmerking is, gezien we al aan de derde pint zitten en er nog steeds niet afgeruimd werd.

Geen blad beweegt. We glibberen ons de dag door. Als het niet in het zwembad is, dan wel in eigen nat. Maar we klagen niet. Het is fris in Vlaanderen, heel fris. We zouden niet durven klagen. Bijlange niet, wij kijken roerloos maar tevreden naar de vochtparels op onze lijven. Kijk, hoe schoon de zon er zich in spiegelt.

Ik lees in Japin: dagboeken 2000-2007, terwijl Raymond na al die jaren nog even hartstochtelijk l’amour wil hebben. Zoiets gaat niet voorbij. Het licht valt zo hard op de bladzijden dat mijn hoofd er ijl van wordt.

‘Vrijheid is me lief, maar liefde is met liever.’ – Japin
Prins is boos op me. Hij is zo schattig als hij boos is. Hij lijkt op een grootogig zeehondje dat van zijn moeder voor straf op het zand moet. Maar ik zie hem liever vrolijk en probeer uit te leggen waarom ik het niet leuk vind als hij aan me trekt in het bad. Hij kijkt stuurs weg, met getuite mond, kleine frons in het voorhoofd en alle spanning in de armen die hij ferm gekruist houdt voor zijn natte shirt. Er is geen beginnen aan als hij zo is. Ik weet dat ik het dan even moet laten. Hij is ergens anders, daar waar tralies zitten en donkere wolken. Geduld. Tien minuten later volgt hij stilletjes zijn schaduw naar mij toe.
‘Wat ben je aan het lezen?’ vraagt hij en duwt zijn natte buik naar mij toe.
Ik leg mijn wang ertegen en kan de codetaal van zijn hartje ontcijferen:
‘Ik ben niet boos meer. Ik vind je terug lief, mama.’

‘Geluk is het verstand over het hoofd zien’ – ‘Zelfs door te dromen van een doel bereik je het al.’ – Japin

De drie musketiers hebben gereserveerd bij le Grain de Soleil. Het is stil daar. Sereen. Ik heb de indruk dat de gasten eerder fezelen dan praten. En dus dondert prins eerst achterover van een muurtje, schuift  even later in volle vaart met zijn knieën over de kiezeltjes en toetert daarbij als een kudde gekwetste olifanten. Man neemt hem met de elleboog mee even verderop naar een steegje. Een Vlaamse vrouw die het spektakel heeft gezien, volgt hem en haalt een apotheek uit haar handtas om onze gekwetste prins te helpen. Het gehuil maakt me van streek. Bovendien is het eten niet echt lekker, en heeft één van de vrouwen die ons bedient een uitdrukking die duidelijk toeristenallergie verraadt (onze kennis van het Frans is beperkt, maar we doen ons best). De andere vrouw is beminnelijk. Ze draagt een hele lange bruine jurk, is groot, heeft een mooi gezicht.
Ik vermoed dat het een samenkomen is van te weinig voedsel, teveel wijn, het gehuil van prins en de aanblik van deze engel. Ineens raak ik in een vreemde, zwaarmoedige stemming.
In mijn dagboekje staat net voor de notitie van deze avond een fragmentje van Japin: ‘de zwaarte van mijn jeugd was van mijn lichaam af maar zat voor altijd in mijn geest.’ En ook iets over de uitbarsting van Aldonza die kwaad was op Don Quichot omdat hij haar mooier en beter ziet dan ze is. ‘Door zijn rotsvaste geloof in haar ontdekt zij wat zij niet is maar had kunnen zijn. Hierin schuilt veel van de woede van de mensen. Je voelt het litteken pas als iemand het streelt. Dit is de wonde in bewondering.’
Daar aan tafel draaien mijn gedachten in cirkeltjes.  In mij is het niet vaak windstil.

woensdag 1 augustus 2012

Beetjes Frankrijk (3)

Ze smeren mijn rug in, de meisjes. Peutertje pauw kan er maar niet genoeg van krijgen. Gaat eindeloos bedelen bij mama voor nog wat. Doe maar, meisjes, denk ik, want het is zo fijn, zo fijn met die kleine aspergevingertjes. De wind, jaloers geworden, laat van zich horen. Ze heeft de opblaaszetel op de dorre plukjes gras gesmeten en de krokodil ligt op haar rug tegen de roestige draad van de druivenranken.

 Nonkel, vraagt prins, wat ga je doen? Schoonbroer komt in zwembroek de trappen af. Het is ons allemaal overduidelijk wat schoonbroer gaat doen, maar prins is een meester in het stellen van overbodige vragen. Het gras maaien, zegt schoonbroer droogjes. Wij lachen, terwijl zoon zich in alle ernst afvraagt waar de grasmachine dan wel is.

Een grote witte vlinder zeilt over het water van het zwembad. Ik ken haar naam niet. De plastieken walvis loert over de badrand en lijkt me uit te lachen. Hoog boven ons zweeft een enorme vogel door de lucht.  Welke vogel is dat? vraag ik aan zus. Ze weet het niet. Ik vraag het aan schoonbroer, want die zou het volgens zus wel eens kunnen weten. Een flink uit de kluiten gewassen mus, zegt hij en duikt terug in het water.

Prins, wanneer gaan we het gras maaien? vraagt schoonbroer.

De jongens spelen voor de duizendste keer ‘ik neem je mee van Londen naar Parijs’. Inwendig begin ik stilletjes zelf een verzoeknummer af te spelen: ‘hang the DJ’s’.

Zus leest ‘een schitterend gebrek’ van Japin en ik volg nog even mijn verpleegster en word weer getroffen door haar vermogen tot verwondering: ‘Alles aan de apotheek is mooi – de glazen, de vlammen, de koperen gewichten, de bokalen en kolven, maar nog mooier omdat dit alles zich een verdieping hoger bevindt dat de corridor waarin wij staan en opkijken, door een luik in de muur. Het heeft wel iets, je lijkt wel Gulliver.’ En nog: ‘…geschramde schouders verdragen geen klopjes.’

Theater in het water:
Poppy (in de breedte overzwemmend, kirrend): je bent zo grappig.
Broer pauw (bezorgd over iets waar ik geen  kennis van heb): gaat het een beetje?
Poppy (stelt een paar geïnteresseerde vragen, hoofd schuin, ze doet dat goed, en dan abrupt van onderwerp veranderend, iets waar kinderen in uitblinken): ik wil je proefkonijn zijn.

Broer pauw (die in tegenstelling tot mij dit wel schijnt te begrijpen): oké, jij bent aan het verdrinken en ik kom je redden (zet ostentatief bril op en duwt snorkel in mond).
Poppy (kruipt uit zwembad, doet een bommetje): help! Help!
Broer pauw (peddelt rustig op een rode watermatras naar de vrouw in nood)
Prins (fronsend aan de kant, met chocoladebroodje in de hand)
Ik (over boek heenkijkend): als je zo blijft eten, ga je als reus terug naar België.
Prins (hoort me niet, kijkt jaloers naar de reddingspogingen)
Ik (sta op en ga af)
Prins (gooit bal tegen het hoofd van de drenkeling)
Poppy: mamaaaaa, hij gooit de bal tegen mijn hoofd
(Intermezzo)
Poppy (gooit duikbril tegen buik van prins)
Prins: mamaaaaa, ik bloed!
Ik (duik onder)

Zeg prins, is het nog geen tijd om het gras te maaien?

Mama pauw maakt ovenbroodjes met tomaat en mozzarella. Ondertussen zal ik wel eens voorlezen aan peutertje pauw. Ik spoor haar vader aan om mij twee boekjes mee te geven, want als ik eenmaal op dreef ben… Het draait enigszins anders uit. Ik was vergeten dat peutertjes geen geduld hebben. Na mijn eerste zin draait ze de bladzijde alweer om, want dat is veel en veel leuker. Ooit heb ik dat nochtans geweten hoe dat ging met boekjes en scheurgrage tijgerpootjes.

Na een wel zeer uitgebreide aperitief – zijn er hier andere? – laten we ons wat meedrijven in het water als visjes in een aquarium. Franky zingt: let yourself be beautiful. En dan kruipen we als hagedissen uit het water om roerloos aan de rand te zitten. We laten de benen bengelen in het koele water en in mijn hoofd en lijf lijkt alles te kabbelen. Zo moeten bomen zich voelen, denk ik nu. Het is een kortstondig evenwicht, want langs de kant van het hoger gelegen huis komt een monster de trappen af geslopen, een groot langharig zwart, snuffelend beest. Daar komt hij dichter, het zonneterras op. De kinderen gillen enthousiast en begroeten de gruwel, maar het is niet hen die hij zoekt. Hij loopt hen straal voorbij, mijn richting uit. En dan doe ik wat ik nooit durf, ik spring gewoon langs de diepe kant het bad in. Een onverwacht experiment: mijn angst voor honden is blijkbaar nog groter dan mijn angst voor water. Het is niet anders, ik ben Bandini: ‘Ik liep de trappen af van Angel’s Flight naar Hill Street, honderdveertig treden, met gebalde vuisten, voor niets en niemand bang, maar wel benauwd voor de tunnel van Third Street, bang om erdoor te lopen – claustrofobie. En ook bang voor hoogtes, voor bloed, en voor aardbevingen; maar verder zonder vrees dan voor de dood, behalve de vrees dat ik in een menigte zal gaan schreeuwen, vrees voor blindedarmontsteking, voor een hartkwaal … Maar verder nergens bang voor.’Ik ben Bandini.

’s Avond spelen de vrouwen/meisjes Trivial Pursuit tegen de mannen/jongens. De wijn heeft rijkelijk gevloeid, zodat ik ineens helemaal blij word met iets wat ik nog niet wist, namelijk dat de maan de getijden en de aardkorst bepaalt. Niet weten? Natuurlijk weet ik dat wel. Over hoofdsteden moet je me niet ondervragen. En de namen van vogels ken ik niet. Ook niet van vlinders. En een boom is een boom. Maar de maan. Natuurlijk wist ik dat. Het was de wijn. De maan, haar ken ik toch. Af en toe huil ik naar haar.

(Voor de lezer die het nu wel gehad heeft met het luie leven aan het zwembad, de blauwe lucht en de wind. Er is nog meer van dat, maar er volgen ook nog uitstapjes.)