ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 25 september 2011

Waar is de moeder van Bambi?

Met open mondjes zitten mijn kinderen ’s avonds naar de televisie te kijken. Nieuwsgierig wurm ik me tussen hen in. Mijn schouders zuigen als magneten hun hoofden naar mij toe. Een voorrecht dat ik voorlopig nog mag koesteren.
‘Waar kijken jullie naar?” informeer ik.
“Naar Batman,” prevelt poppy zonder haar blik van het scherm te halen. Ik loop niet echt hoog op met gemaskerd manvolk, dat meestal met veel vertoon van spierkracht het scherm dreigend opvult, maar blijf toch even meekijken. Batman wordt in deze aflevering bijgestaan door een blikken duo: een breedgeschouderde robot en een fragieler exemplaar. Het begin van het verhaal heb ik gemist, maar ik begrijp al snel dat de grotere robot, gedreven door zijn verlangen naar een zoon, de kleinere ontwierp. Met zijn drieën trekken ze ten strijde tegen de slechteriken. Ik ga ervan uit dat we hier met een onoverwinnelijk trio te maken hebben, waartegen geen enkele maniak, bliksem of storm zal opgewassen zijn. Het goede zal zegevieren en mijn kinderen zullen straks de nacht zorgeloos uitslapen. Maar dan raakt de kleine robot zwaar gewond. Straks is hij weer helemaal genezen, denk ik opgeruimd en aai prins, bij wie deze onverwachte verhaallijn voor ontsteltenis zorgt , geruststellend over zijn hoofdje. Heel even lijkt het goed te komen met de kleine robot. Alleen blijft hij wel met een urgente vraag zitten: “Waarom bestaat er zoveel slechtheid bij de mensen?” Een variant van de verzuchting van prins: “Mama, waarom zijn er slechte dingen?” Ik wijs mijn zoon dan ook op de gelijkenis met de kleine robot. Een beetje voorbarig, zo blijkt, want het gaat van kwaad naar erger met metal boy. Die moet van de mensen ineens niets meer weten, leert al snel het verlangen naar macht kennen en kan er door zijn vader maar op het nippertje van weerhouden worden om zijn eerste moord te begaan. Maar daarmee is de ruzie nog niet over. In een ultiem eindgevecht komen zoon en vader robot opnieuw tegenover mekaar te staan. In zijn strijd om de wereld van het kwade te vrijwaren, ziet de vader geen andere uitweg dan zijn eigen creatie te vernietigen. Ik word daar zowaar even stil van. Ik bedoel, de moeder van Pippi was ook dood, maar over de omstandigheden werd verder niet uitgeweid en voor Pippi zat het lieve mens eigenlijk gewoon toe te kijken door een klein gaatje in een wolk. En de moeder van Bambi kwam dan wel gruwelijk aan haar einde, maar dat speelde zich allemaal buitenbeeld af. De dader was trouwens een onzichtbare, onbekende jager. Als ik aan poppy vraag wat er met de moeder van Bambi gebeurd is, antwoordt ze steevast: “Die is even weg.” Wasverzachter bijhalen of zo. Indertijd werd de miserie niet zo expliciet getoond, terwijl in dit filmpje van die zoon nauwelijks nog iets over blijft nadat de vader met hem klaar is.
Poppy lijkt niet erg aangedaan, maar prins is in alle staten. “Waarom doet die vader zijn zoon dood?" snikt hij. “Waarom doet die zijn eigen zoon dood?”
Ik ben zelf nog in shock en schud een beetje onnozel met mijn hoofd.
“Dat mag niet, mama, dat mag hij niet doen!”
Prins is troosteloos en dus probeer ik hem en mezelf een beetje af te leiden.
“Kijk straks even uit, wil je?” zeg ik. “Want zonet kwam hier een turpelitje door de woonkamer en die heeft op de vloer gekakt.”
Mijn kinderen komen nieuwsgierig kijken. Ik veins paniek.
“Poppy! Nu ben je er toch in getrapt. Jakkes!”
“Je bent maar wat aan het verzinnen, mama,” lacht poppy. “Zo een turpedingetje bestaat toch helemaal niet!”
“Nee,” geef ik toe. “En die robot van daarnet bestaat ook niet. Allemaal verzonnen.”
Prins probeert een klein lachje. Dat de gruwel in de echte wereld die van de verbeelding met gemak overtreft, laat ik maar achterwege. Alles op zijn tijd. Voorlopig heeft mijn zoon al genoeg aan zijn hoofd. Als ik hem een nachtkus geef, vraagt hij zich bezorgd af of hij op het einde van het derde leerjaar wel tot duizend zal kunnen tellen.

woensdag 14 september 2011

Fred

Het zou wel eens de laatste zwoele septemberdag van het jaar kunnen zijn en wij zijn er de mensen niet naar om dat aan ons voorbij te laten gaan. Dus parkeren wij onze luie lijven strategisch op een terras naast een pleintje. Blijkbaar zijn wij niet de enige geniale ouders. Er zijn daar nog kinderen. Prins groeit enkele centimeters wanneer hij onder hen het bevallige, blonde potloodje, waar hij al een tijdje geleden zijn oog op heeft laten vallen, ontwaart. Terwijl de kinderen in raadselachtige, geografische patronen ronddartelen, nippen wij aan een Beach Royal. Op het terras van een aanpalend appartement verschijnt ineens een mollige uitvoering van Rapunzel. Haar golvende haren zijn niet lang genoeg voor onze kinderen om zich aan op te hijsen en dus wuiven ze het kind naar beneden. Van onze miniverslaggeefster poppy krijgen we na welgeteld anderhalve minuut volgende informatie: “Ze heet Laura, is veertien jaar en mijn vriendin.’
We bestellen nog een Beach Royal. Een zuchtje wind blaast ons precies de juiste hoeveelheid koelte toe. Geen wolkje of vuiltje in de lucht. Tot het gefronste voorhoofd van man naderend onheil voorspelt. Ik volg zijn blik over mijn schouder heen. Prins spoedt zich met een vertrokken gezicht naar ons toe en kruipt meteen op de schoot van man. Hakkelend probeert hij zijn paniek te verwoorden: “Dat dat meisje dat zegt dat meisje dat zegt dat daar in die appartementen daar in die appartementen dat meisje zegt dat daar een man woont die die…” Prins drukt zijn neus jankend tegen de borstkas van man aan en laat de rest van de zin verdwijnen tussen de plooien van zijn T-shirt: “…Die Man Lust Konijnenbloed.”
“Dat geloof je toch niet, prins,” zeg ik meteen. “Dat meisje verzint gewoon een griezelverhaal. Dat doen meisjes van veertien als het donker wordt.”
Mijn zus was stukken jonger toen ze me in onze duistere slaapkamer toefluisterde dat er een melaatse in de kast zat. Ziedend van angst schreeuwde ik haar telkens opnieuw toe dat ze ermee moest ophouden. Waarop ze me ongehinderd door enig mededogen liet weten ‘dat er een m. in de kast zat’ en nog vooraleer ik mijn bezwaren kon uitbrullen, herhaalde: ‘Ik heb het niet gezegd! Ik heb het niet gezegd!’.
Prins laat zich echter niet gemakkelijk geruststellen.
“Dat is wel echt, echt wel!” roept hij me toe. “Ze heeft het toch ze heeft het gezegd dat die die die man, die Fred, die woont daar, en die lust konijnenbloed en nu ben ik ben ik zo bang.”
Er begint me iets te dagen. Ik buig me voorover en zeg:
“Zou het meisje het niet over een fretje hebben? Fretjes zijn diertjes. Ze lijken een beetje op een cavia met een langer lijf.”
Prins luistert aandachtig, loert even naar het meisje dat nog steeds in het middelpunt van de belangstelling staat en gaat er dan ineens vandoor. Even later duikt hij alweer terug op, kruipt opnieuw op de schoot van zijn vader en knikt naar mij:
“Je had gelijk, mama. Het was geen man, het was een fretje. En het lust geen mensenbloed. Dat heb ik gevraagd aan haar. Alleen konijnenbloed. Geen mensenbloed.”
Vanonder zijn vochtige wimpers werpt hij een bedenkelijke blik op het meisje dat nu een twee drie piano speelt.

zondag 4 september 2011

Kaftduivels

Gelieve de schriften te kaften. Zo staat het er. Alsof het niks is. U moet weten dat mijn moeder het de helft van de tijd niet over haar hart kreeg om mij naar de kleuterklas te sturen omdat ik zo hartstochtelijk huilde. Daarbovenop ben ik nog eens linkshandig ook. Om maar te zeggen dat mijn vaardigheden op het vlak van knippen en plakken zeer beperkt zijn.
Toch ben ik gisteren dapper een winkel binnengestapt om kaftpapier te kopen. Poppy koos, waarschijnlijk uit een vlaag van heimwee naar haar kleutertijd, voor roze. Prins was er omwille van sportieve verplichtingen niet bij. De keuze was dus aan mij. Lastig. Toch viel mijn oog al snel op een rol zwart kaftpapier waarop een veelvoud aan astrante ventjes in een eenvoudige, witte lijnvoering stoute dingen brulden in wit en rood. ‘YEs.We.CAn.Not,’ riepen ze. En nog: ‘Wel Done! VEry WeLL Put TOgethER! But noT!’ Misschien zat ik er helemaal langs – uiteindelijk ben ik forthysomething en bijgevolg niet meer hip – maar dit kon best wel eens het ‘vetcoole’ kaftpapier zijn dat mijn achtjarige zoon rond zijn schriften wilde hebben.

De dag van het kaften begon vandaag toepasselijk met een regenbui. Zuchtend stalde ik alle benodigdheden op de tafel uit: kaftpapier, plakband en schaar. De kinderen hielden zich gedeisd. ‘Laten we er maar eens aan beginnen,’ zei ik tegen mezelf, maar toen sprong mij ineens een rood tekstballonnetje in het oog. ‘CrAp! CrAp! CrAp!’ schreeuwde één van de kereltjes me vanaf het kaftpapier van prins toe. Terwijl ik me afvroeg of deze tekst toch niet te grofgebekt was, zag ik verscheidene duivelse figuurtjes ook andere dingen roepen: ‘I Don’T GIve A shIT!’ en ‘FUck GrEEn Living!’ Lieve help, deze uitspraken leken me net iets ‘vetcooler’ dan de bedoeling was. Bovendien vernam ik gisteren dat de kersverse juf van prins heel wat vromer is dan haar voorgangers. Ze heeft onze kinderen al laten weten dat ‘Jezus diep in haar hartje zit’. Ik kon me bijgevolg perfect voorstellen hoe deze gruwelijke kaftduivels haar de volgende dag doorheen het verkeerde keelgaatje rechtstreeks en zwaar op het maagje zouden kunnen vallen. Dus raadpleegde ik man:
“Wat moet ik doen?”
Helaas was man niet bereid om het papieren gevloek te relativeren.
“Dat kaftpapier kan je niet gebruiken,” liet hij me beslist weten.
Ik probeerde man duidelijk te maken dat er geen andere optie, noch tijd of reserve kaftpapier voorhanden was.
“Je zou de letters kunnen inkleuren met zwarte stift.”
Ziehier het pragmatisch advies van iemand die op het punt stond om de rest van de dag langs een voetbalveld en in een kantine te vertoeven. Helaas waren er geen andere, briljantere ideeën in omloop. Dus nam ik eerst de gebruikelijke hindernissen. Zoals daar waren: de in rijtjes tegen de tafelkant geplakte strookjes plakband die slechts met veel moeite kunnen losgepeuterd worden, de bol trekkende kaft die tegenspartelt, de schaar die in mijn linkse hand steevast gekartelde én scheve kaftranden oplevert. Daarna, toen alle schriften en boeken uiteindelijk min of meer ingepakt waren, haalde ik de alcoholstift boven voor het volgende huzarenstukje: honderden keren kleurde ik de woorden shit en fuck en crap in. Onderwijl binnensmonds elk krachtwoord meevloekend. Ik had namelijk meer dan ooit last van de ondraaglijke lichtheid van het inpakbestaan.
Uiteindelijk is alles goed gekomen. Elke vuil woord is gewist. En straks zal ik met een gerust hart naar bed kunnen gaan in de wetenschap dat er morgen door mijn toedoen geen devoot mens zal bezwijken.