ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 23 januari 2011

Het ene en het andere

Licht en duisternis. Warmte en koude. Het leven hangt van tegenstellingen aaneen. Vreugde en verdriet. Samen en alleen. De ene dag, die de andere niet is. U kent dat toch. De ene dag brengen de vogels enkel ter uwer glorie een serenade aan het slaapkamerraam. Het brood valt met de goede kant op de vloer. U stapt uw voordeur uit en de zon is precies op temperatuur. Een breed glimlachende postbode spreekt u aan met ‘juffrouw’. U wandelt op een keutelvrije stoep en in de eerste winkel stoot u al op een paar grijze rijglaarsjes die u wonderwel passen en op de koop toe niet al te duur blijken te zijn. De ene dag zijn de gesprekken met uw medemensen de perfecte mix van diep én licht én boeiend én geestig én prettig gestoord. De medewerkers van de personeelsdienst hebben veertien verlofdagen op hun telraam over het hoofd gezien en delen u mee dat u er alsnog recht op hebt. U krijgt geld terug van de belastingen. Er valt u een lied binnen dat heel goed als achtergrond bij deze verrukkelijke dag past et voila u hebt het nog niet gedacht of Linde van Stubru gooit het al de ether in. De ene dag staat u ergens op een wondermooie plek – nee, het is geen droom – naar de zee te kijken langs een slingerend lint ouderwetse lantaarnpalen. U denkt: licht! En het licht gaat aan. Uw geliefde bekijkt u met de ogen van weleer en u heeft niet eens uw haren gewassen. De kinderen, en bij uitbreiding de godganse wereld, ademen liefde uit al hun poriën. Die ene dag, dat is één en al glans, glorie en trompetgeschal.

Maar daar komt de andere, die zich de heelder dag van zijn grauwste kant zal laten zien. U mispakt zich en spuit de haarlak onder uw oksels. U hebt uw paraplu in de bus, die trouwens twintig minuten vertraging had, vergeten en het regent. U ontwijkt behendig een hondendrol en stapt even verderop in diens zieke broertje. De andere dag struikelt u over een trapje van niks. U stelt tegelijkertijd vast dat de ritssluiting van uw broek openstaat. Achter de ruitenwisser vaan de auto steekt een parkeerboete, ook al hebt u tandpijn. Volkomen onterecht trouwens, want u poetst ze tweemaal per dag precies twee kokhalzende minuten lang. De andere dag tuimelt het worstje tussen het broodje hotdog uit nadat u er rijkelijk saus op hebt gedaan. Uw eten blakert zwart terwijl een Jehova’s getuige zijn voet tussen uw deur steekt en dreigt met het einde van de wereld. Iemand informeert of u bijgekomen bent. Een ander fluistert u in het oor dat uw jurk in uw panty steekt en u bent ruim drie uur geleden naar het toilet geweest. De andere dag is alles, zelfs water koken, gedoemd te mislukken. U poetst? Dan zal u achterwaarts met uw linkervoet in de emmer water stappen. U fietst? Uw jurk draait zich vast tussen de spaken van het voorwiel en men dient u chirurgisch van het wrak te verwijderen. U jogt? De loslopende hond is sneller en laat u woordeloos weten dat hij u wel een lekkere hap vindt. De andere dag is er geen van troost. Geen mens die naar u lacht.
Maar u denkt: mij gaan ze niet hebben. Jazeker, u verzet zich tegen deze andere dag. Meer nog, u zal de pijpenstelen zonder paraplu trotseren en een geschenk voor uzelf gaan kopen. In uw spiksplinternieuwe rijglaarsjes. Maar wat is dit? Dit voelt niet juist aan. Dit voelt helemaal niet juist aan! Wat is er in hemelsnaam mis met uw voeten? U trekt de laarzen terug uit en aanschouwt de volmaakte linker- en rechtervoet met tenen en al. Niks mis met die voeten. Het zijn de laarzen, o nee, het zijn de laarzen! Die dekselse winkeljuffrouw met haar twee linkerhanden heeft u opgezadeld met twee linkerlaarzen!

dinsdag 18 januari 2011

Afscheid van P.

Ik denk, hoe heeft hij daar gestaan? Een fragiele man. Struikgewas. Een spoorweg. Uit de binnenkant van zijn jas haalt hij een pakje tabak. Trekt een vloeitje los. Houdt het zakje tussen arm en zij geklemd. Rolt de sigaret. Plakt ze dicht met een likje. Houdt zijn hand als een cilinder rond het vlammetje. Inhaleert. Een rood kogeltje gloeit op. Een wolkje rook verwaait. Nog vooraleer hij de trein hoort, ziet hij het spoor al trillen. Wild bonkend hart. Maar zijn besluit staat vast. Hij heeft lang gezocht. Is nu zeker. Er is slechts één exit uit het doolhof van zijn leven.

Er wordt mij verteld dat hij gestorven is. Ik heb hem het laatste jaar vaak op de bus gezien. Op precies hetzelfde moment voor de rotonde rolde hij altijd een sigaret. Hem groeten durfde ik niet. Ik verzamelde moed, maar de gemiste kansen werden een berg waar ik niet meer over raakte.
Ik denk aan de klap, vloek binnensmonds en val achteruit in de tijd toen we nog als een kudde, dampige veulens door de poorten van de adolescentie braken en de open vlakte van de toekomst opdraafden. ’t Kon nog alle richtingen uit gaan. Dachten we. The sky was the limit. Dachten we. We galoppeerden naar festivals en fuifzaaltjes. Kurt Cobain schreeuwde ons toe hem te entertainen, waar wij met bokkend genoegen gehoor aan gaven. Wij hoefden niet meer op Assepoesteruur op stal. Halster en juk werden steigerend afgeworpen. Vrijheid. Blijheid. Dachten we.
P. was de stille van de kudde, maar eens de hindernis van die vervloekte eerste medeklinkers genomen, spitsten we onze oren, want P. had humor. We zagen het niet, het grillige doolhof dat hem te wachten stond en waarin hij verdwaalde. Weg van ons. We vergaten.

Zijn weg uit het doolhof is onomkeerbaar. Er zijn er die God hebben. De belofte aan een hiernamaals. Ik heb alleen fictie, met daarin een zacht glooiend landschap. Speels golvend gras. De pijnstillende streling van de zon. Een briesje. En P. die daar als jong veulen in mag rond draven, onbezorgd zonder een greintje zielenpijn (want fictie kan de spoken wegjagen, het doolhof plat bulldozeren en de oorlog in de kop met een paar woorden winnen). En als het kan, DJ, om te eindigen, nog een lied van Arno.

http://www.youtube.com/watch?v=vwnwPIyw6GE

zaterdag 15 januari 2011

Het einde van het verhaal

Ik zit vast. Muurvast. Met de beste wil van de wereld valt er geen bevredigend einde aan mijn verhaal te bedenken. Daarom schakel ik twee experts in: mijn verzinkinderen. Poppy Shakespeare is vooral goed in het ‘verdroefd’ maken van verzonnen personages waarna ze hen nogal koelbloedig van een berg (tafel) laat tuimelen of doet verdrinken (bad), daarbij onaangedaan verkondigend: “En toen was hij dood!” Waarop haar teergevoelige broer Christus telkens ingrijpt met een: “En toen werd hij ineens terug levend!”
We staan met de auto voor de spoorweg te wachten en terwijl met lange tussenpozen drie treinen ons voorbij daveren begin ik te vertellen (om te voorkomen dat u halverwege in slaap valt, heb ik het verhaal enigszins aangepast aan uw gezegende leeftijd, beste lezer):

Er was eens een land. ’t Was pertang niet groter dan een knoopsgaatje en ’t was er plat, heel plat, behalve in het midden van het land, daar torende het hooggebergte ‘de Vanille’ boven alles uit. De Vanille was geen gewone berg, mijn kinders, hij was helemaal opgetrokken uit vanille-ijs, van de brede voet tot het kartelige topje. Ten noorden van deze bergen woonden de IJshoorntjes en de mensen uit het zuiden, noemden zichzelf de Cornetto’s.
Bij de IJshoorntjes kraaiden de hanen van ‘kukeleku’ en in het zuiden ging het van ‘cocorico’. De IJshoorntjes groeten elkaar met ‘goedendag’ en de Cornetto’s zeiden dan weer ‘bonjour’. Maar wat hen samenhield was de Vanille, want van ijsjes konden ze allemaal maar niet genoeg krijgen. Twee ijssalons op één straat was geen uitzondering. Het was er de gewoonste zaak van de wereld om ’s morgens, ’s middags en ’s avonds ijs te eten. En laten we vooral de sorbets als tussendoortje niet vergeten.
(Hier word ik even onderbroken door mijn dochter die me er verontwaardigd op wijst dat zoveel ijs eten wel heel slecht voor de tanden is.) Zelfs de mensen uit warmere landen, waar het onmogelijk was om ijsbergen te fabriceren, werden door een acuut suikertekort naar het paradijsje toe gezogen.
Maar op een dag, die nu bekend staat als de Dag van de Grote Ruzie, ging het mis en om dat te begrijpen moet ik eerst wat meer vertellen over de ridders die het land bestuurden. Laten we beginnen met de Rode Ridders, die hun harnas al enige tijd aan de haak hadden gehangen en vanuit hun salons oreerden dat iedereen recht had op ijs. “Groot en klein, dun en dik, stout en braaf, arm en rijk, gestreept en gespikkeld, nee, werkelijk, aardbeienijs voor iedereen!” riepen ze en nipten tevreden aan hun glaasje Pouilly Fumé.
Kwam je een groepje ridders tegen die op blote voeten door het gras in een weitje struinden terwijl ze aan hun pistache-ijsjes likten, kon je er gif op innemen dat het hier Groene Ridders betrof. Meer nog dan van ijs hielden ze van gras, water en lucht. Verhoede den achteloze mens die het waagde zijn plastieken bakje op de één of andere graspol achter te laten! De Groene Ridders hakten hem zonder pardon in de pan met hun gerecycleerde zwaarden, alsook de vermaledijde automobilist tuffend naar het ijssalon. Zelf namen ze altijd de fiets of de benenwagen, onderwijl angstig speurend naar een gat in de lucht.
De Blauwe Ridders met de dassen zwierig over de Armani- maliënkolder gedrapeerd waren verzot op werkelijk alle ijsjes: ciambella, malaga, limoncello, maracuja, … “Meer ijs zou fijn zijn,” riepen ze, hieven zelfvoldaan het glas champagne en vergeleken de waarde van de opgepoetste zwaarden aan hun muren. De Blauwe Ridders hielden vooral van ‘meer’: meer ijs, meer ijskommetjes, meer ijssalons!
Het motto van de Oranje Ridders was ‘Fijn Samen Likken’. Met hun piepschuimen zwaarden spoorden ze den medemens aan in vrede samen te leven voor, tijdens en na het likken van het appelsienijsje en voor het slapen gaan dankten ze God nog voor de Vanille, in het bijzonder voor de ijshoorntjes, want de cornetto’s vielen hen de laatste tijd wat zwaar op de maag.
“Een zootje ongeregeld,” monkelde de Hoofdridder der Gele Ridders, die nogal zuur keek, niet enkel door zijn passie voor citroenijs, maar voornamelijk vanwege de belabberde verkoopcijfers van de Cornetto’s. En geen hond (chien) die er naar ‘kukelekude’ (cocoricode). Dat die hanen niet unisono kraaiden was hem eveneens een doorn in het oog. De hoofdman zwoer bij de knots en gebruikte zijn gigantische zwaard enkel om te demonstreren wat er met het land diende te gebeuren door een appel telegeniek in twee te klieven.
En dat was dan het begin van de ruzie, want de Cornetto’s zagen hun hele appeltje voor de dorst bedreigd. “ Hoe gaan we in hemelsnaam de Vanille verdelen?” vroegen ze zich af. “Daar is toch geen beginnen aan. En waar zal de koning dan moeten gaan wonen?” Daarom gingen alle ridders rond de tafel zitten en meer dan tweehonderd dagen later bakkeleiden ze nog. (Ter informatie wil ik nog even vermelden dat de Blauwe Ridders niet genoeg stemmen hadden om mee te ruziën en dat de Bruine Kidders, ooit beter bekend als de Bruine Ridders en erg populair in de begindagen, het vertrouwen van de mensen verloren toen bekend werd dat zelfs na het uitsluitend consumeren van vanille ijs, men toch nog bruine keuteltjes uitscheidt/schijt.)


“Meer heb ik niet,” zeg ik. “Hier zit ik dus vast.”
De hefbomen gaan ondertussen naar boven en poppy weigert verdere samenwerking omdat de ontgoocheling over het ontbreken van prinsessen in het verhaal haar te zwaar wordt. Maar in de achteruitkijkspiegel kan ik uit de starende blik van mijn zoon opmaken dat hij mijn probleem wel ernstig neemt en nog vooraleer ik ons vehikel in onze straat kan parkeren, vertelt hij mij het einde van het verhaal:

De ridders maakten zoveel ruzie dat de koning er ziek van werd en stierf. Daar schrokken de ridders wel van. Ze schrokken zelfs zo hard dat ze vergaten ruzie te maken en besloten dan om het land niet in twee te verdelen. De nieuwe koning was heel lief, maar hij zorgde er wel voor dat de bergen ijs wat kleiner werden, want zoveel ijs was echt wel niet gezond. En elke dag ging hij op bezoek bij de ridders om te kijken of ze geen ruzie meer maakten.”
De door empathie gedreven ridders en de controlerende Filip lijken me een mooi voorbeeld van slapstick, maar voor de dood van Albert, als deus ex machina, valt wel iets te zeggen. Niet omdat ik de brave man dat toewens, ook al roomt hij genoeg geld van mijn loon af, maar eerder omdat door deze kunstgreep van mijn zoon er tenminste wat schot in de zaak komt. Deze langdradige, onmogelijke tragedie wordt eindelijk afgerond. En ben ik al te hoopvol gestemd wanneer ik in de beperking van het ijsverbruik een toekomstig verstandige consument ontwaar? Hoe dan ook, in werkelijkheid denk ik dat het voorlopig einde van het verhaal ongeveer hierop neerkomt:

De IJshoorntjes en Cornetto’s verloren gaandeweg hun interesse in het gekrakeel van de ridders dat hen meer en meer in de oren ging klinken als een betekenisloos, kabbelend achtergrondgeruis. Vanachter hun ramen staarden ze naar de regen en verlangden meer dan ooit naar de lente.

vrijdag 14 januari 2011

Ode aan mijn dochter

Je zegt dat je honger hebt.
“Dan maak ik wel een boterham voor je klaar,” laat ik je, behulpzaam als ik ben, weten. Maar daar heb je geen oren naar. Een beetje nukkig sta je op je prinsessenhakjes te wiebelen.
“Maar mamaaa, ik heb geen honger in boterhammen,” zeg je klagerig. “Ik heb honger in koeeek.”
“Kinderen die honger hebben, eten boterhammen,” hou ik vol.
Je schudt hevig met je hoofd en herhaalt koppig dat je honger in koek hebt.
“Koek is geen honger,” stel ik kortaf. “Koek is goesting.”
Daar moet je even over nadenken, maar al snel sper je de kogelronde ogen wijd open, alsof je ineens, zo jong al, begrijpt dat alles taal is.
“Dan heb ik dus goesting in koek,” besluit je en steekt je hand uit. Maar daar komt niets van in huis. Het is bijna twaalf uur en dus moet de jonge dame eerst boterhammen eten. Het zint je niet, maar het nieuwe inzicht lijkt je zo te intrigeren dat je het dreinen even laat voor wat het is en gedreven informatie begint te verzamelen voor je kleuterthesis ‘het verschil tussen honger en goesting’:
- Chocolade is goesting.
- Gekleurde beertjes zijn ook goesting.
- Aardappelen zijn honger.
- Frietjes zijn honger maar ook wel een beetje goesting.
- IJsjes zijn heel veel goesting.
- Soep is honger.
- Groenten zijn heel veel honger.
- Water is honger en cola is goesting.
Op dit punt in je onderzoek word je door je grote broer gecorrigeerd:
“Dat is niet juist hoor, poppy, water en cola zijn allebei gewoon dorst.”
In een poging je gelijk te halen, probeer je nog wat combinaties uit met ‘dorsthonger’ en ‘goestingdorst’, maar dan concentreer je je weer verder op vlees en vis, respectievelijk ‘honger en goesting’ en ‘alleen maar honger’. Ik heb een donkerbruin vermoeden dat de conclusie van je eindwerk kort en bondig zal zijn: een mens heeft veel meer en liever goesting dan honger.

’s Avonds sta je met een gigantische badhanddoek om je pas gewassen lijfje geslagen op de tippen van je tenen diep over het bad gebogen. Al minutenlang probeer je het dopje uit de afvoer te peuteren. Ik moet mezelf bedwingen om je niet te hulp te schieten, omdat ik je het intense genoegen, dat je beleeft aan het tot een goed einde brengen van moeilijke taken, niet wil ontzeggen. Elke dag, terwijl je moeder in de spiegel haar grijze haren en rimpels telt, ga je in bad, droog je jezelf af, worstel je met ondergoed en prutst geduldig met de knoopjes en gaatjes van je pyjama.
Maar wanneer ik je nog dieper over de badrand zie buigen, kan ik het toch niet laten om bezorgd te informeren of het een beetje lukt daar beneden.
“Laat me maar,” kreun je van de inspanning en voegt er mijn gedachten radend – iets waar je steeds beter in wordt – aan toe:
“Niet bang zijn, mama.”
Terwijl ik even afgeleid word door een komisch dansje van je broer weerklinkt achter mijn rug eindelijk het verlossende, slurpende geluid van wegstromend water. Het is je alweer maar eens gelukt.
“Goed zo,” zeg ik, maar dat schijnt niet tot je door te dringen.
“Ik kan alles,” mompel je tegen niemand in het bijzonder. “Het duurt alleen heel langzaam.”

Er zitten veel deeltjes dochter in deze verhalen: het stukje concentratie dat van een ontroerende schoonheid is, het stukje onbevreesde schavuit dat haar (roze) stempeltje op de wereld wil drukken, het deeltje taalgoochelaar en laten we vooral niet die grote brok onstuitbare drang naar zelfstandigheid vergeten, wat aan je vader regelmatig de uitspraak ontlokt: daar gaan we onze peren nog mee afzien. Ik acht de kans inderdaad vrij groot dat je deze brief ooit tegen mij gebruiken zal. Dat je binnen tien jaar voor me staat, met vlammende ogen, me deze ode als een wapen toesteekt en je recht op meer vrijheid zal opeisen. De gebeitelde zekerheid op je gezicht zal me aan het wankelen brengen. Nu al weet ik dat ik me schrap zal mogen zetten. Het mag dan misschien wat vreemd klinken, mijn slimme, aanbiddelijke dochter, maar ik kijk er al naar uit.

Liefs,
je mama

dinsdag 11 januari 2011

Soep

Terwijl prins nog op zijn stoel zit te stuiteren van pure zottigheid, heeft zijn vriend D. al een boterham achter de kiezen en begint aansluitend geestdriftig zijn bord soep leeg te lepelen.
‘Heerlijk,’ geniet hij met zijn ogen dicht tussen twee happen door. Mijn hardhorige kinderen die naar goede gewoonte het startschot hebben gemist, kijken D. over hun onaangeroerde borden aan alsof hij niet goed bij zijn hoofd is. U moet weten dat in mijn familie de concurrentie wat soep betreft moordend is. Laat het mij zo stellen, in vergelijking met de culinaire brouwsels van de grootouders, schijnt mijn groentewater niet veel soeps te zijn. Echter, het onverwacht positieve oordeel van een gewaardeerd heerschap en lid van hun leeftijdsklasse , brengt hen enigszins in verwarring. Verwoed beginnen ze gelijktijdig naar het bestek te graaien, dat voordien haast uitsluitend diende voor de neus-lepeltruc (Dit spel – nota bene geïntroduceerd door hun onvoorzienige moeder – bestaat eruit de lepel zo lang mogelijk en zonder handen aan de neus te laten hangen. En ik beken dat mijn geweldige prestaties op dat vlak vooral te wijten zijn aan de toevallige vorm van mijn neus, waarop mijn geliefde in de prille beginjaren gaarne met zijn wijsvinger een imitatie van mini-schansspringen gaf.)
De lepels gaan in zo een vlot tempo op en neer dat ik er bijna duizelig van word.
“Heerlijk,” echoën de kinderen.

Laat positieve ervaringen in het algemeen en in dit specifiek geval de soep nooit koud worden! Dat staat in het gemeenschappelijk hoofdstuk van de grote handleidingen van mijn klein grut die ik na veelvuldig uitvoeren van experimenten heb kunnen samenstellen. En net zoals woordenboeken dienen zij voortdurend aangepast te worden, omdat het nu eenmaal de enige manier is om de kleine loeders min of meer het hoofd te kunnen bieden. Om maar te zeggen: de volgende dag is het opnieuw soepdag. En ja hoor, prins steekt meteen zijn lepel als een zwaard in de lucht en verkondigt met veel bravoure dat hij D. is. Aan de overkant van de tafel kan hij op weinig bijval rekenen. Poppy kijkt hem strak aan en laat hem gedistingeerd weten dat ‘zij is zoals zichzelf’.
Dat brengt hem echter niet uit zijn concentratie. Ziet hem bezig. De soep moet eraan. Het is hij of de soep. Het is hem menens en het heeft er alle schijn naar dat hij het gaat halen, gezien de fiere onverzettelijkheid die uit zijn hele houding spreekt. Maar dan slaat het noodlot toe, slechts enkele lepels verwijderd van de eindmeet. De hand die de lepel vastklemt zijgt in slow motion naast het bord neer op de tafel. Mijn zoon wrijft ontdaan over de gespannen buik en spreekt op de gelaten toon van iemand die de Olympische medaille in de discipline ‘soep soldaat maken’ aan zijn neus voorbij ziet gaan:
“Ik krijg ze echt niet op, de soep.”
Weerom is zijn overbuur nauwelijks onder de indruk. Ze haalt laconiek de schouders op en deelt hem met uitgestreken gelaat mee:
“Zie je wel, ik heb het toch gezegd, jij bent ook zoals jezelf.”
Vervolgens eet zij waardig en kalm haar bord tot op de bodem leeg.