Het einde van het verhaal

Ik zit vast. Muurvast. Met de beste wil van de wereld valt er geen bevredigend einde aan mijn verhaal te bedenken. Daarom schakel ik twee experts in: mijn verzinkinderen. Poppy Shakespeare is vooral goed in het ‘verdroefd’ maken van verzonnen personages waarna ze hen nogal koelbloedig van een berg (tafel) laat tuimelen of doet verdrinken (bad), daarbij onaangedaan verkondigend: “En toen was hij dood!” Waarop haar teergevoelige broer Christus telkens ingrijpt met een: “En toen werd hij ineens terug levend!”
We staan met de auto voor de spoorweg te wachten en terwijl met lange tussenpozen drie treinen ons voorbij daveren begin ik te vertellen (om te voorkomen dat u halverwege in slaap valt, heb ik het verhaal enigszins aangepast aan uw gezegende leeftijd, beste lezer):

Er was eens een land. ’t Was pertang niet groter dan een knoopsgaatje en ’t was er plat, heel plat, behalve in het midden van het land, daar torende het hooggebergte ‘de Vanille’ boven alles uit. De Vanille was geen gewone berg, mijn kinders, hij was helemaal opgetrokken uit vanille-ijs, van de brede voet tot het kartelige topje. Ten noorden van deze bergen woonden de IJshoorntjes en de mensen uit het zuiden, noemden zichzelf de Cornetto’s.
Bij de IJshoorntjes kraaiden de hanen van ‘kukeleku’ en in het zuiden ging het van ‘cocorico’. De IJshoorntjes groeten elkaar met ‘goedendag’ en de Cornetto’s zeiden dan weer ‘bonjour’. Maar wat hen samenhield was de Vanille, want van ijsjes konden ze allemaal maar niet genoeg krijgen. Twee ijssalons op één straat was geen uitzondering. Het was er de gewoonste zaak van de wereld om ’s morgens, ’s middags en ’s avonds ijs te eten. En laten we vooral de sorbets als tussendoortje niet vergeten.
(Hier word ik even onderbroken door mijn dochter die me er verontwaardigd op wijst dat zoveel ijs eten wel heel slecht voor de tanden is.) Zelfs de mensen uit warmere landen, waar het onmogelijk was om ijsbergen te fabriceren, werden door een acuut suikertekort naar het paradijsje toe gezogen.
Maar op een dag, die nu bekend staat als de Dag van de Grote Ruzie, ging het mis en om dat te begrijpen moet ik eerst wat meer vertellen over de ridders die het land bestuurden. Laten we beginnen met de Rode Ridders, die hun harnas al enige tijd aan de haak hadden gehangen en vanuit hun salons oreerden dat iedereen recht had op ijs. “Groot en klein, dun en dik, stout en braaf, arm en rijk, gestreept en gespikkeld, nee, werkelijk, aardbeienijs voor iedereen!” riepen ze en nipten tevreden aan hun glaasje Pouilly Fumé.
Kwam je een groepje ridders tegen die op blote voeten door het gras in een weitje struinden terwijl ze aan hun pistache-ijsjes likten, kon je er gif op innemen dat het hier Groene Ridders betrof. Meer nog dan van ijs hielden ze van gras, water en lucht. Verhoede den achteloze mens die het waagde zijn plastieken bakje op de één of andere graspol achter te laten! De Groene Ridders hakten hem zonder pardon in de pan met hun gerecycleerde zwaarden, alsook de vermaledijde automobilist tuffend naar het ijssalon. Zelf namen ze altijd de fiets of de benenwagen, onderwijl angstig speurend naar een gat in de lucht.
De Blauwe Ridders met de dassen zwierig over de Armani- maliënkolder gedrapeerd waren verzot op werkelijk alle ijsjes: ciambella, malaga, limoncello, maracuja, … “Meer ijs zou fijn zijn,” riepen ze, hieven zelfvoldaan het glas champagne en vergeleken de waarde van de opgepoetste zwaarden aan hun muren. De Blauwe Ridders hielden vooral van ‘meer’: meer ijs, meer ijskommetjes, meer ijssalons!
Het motto van de Oranje Ridders was ‘Fijn Samen Likken’. Met hun piepschuimen zwaarden spoorden ze den medemens aan in vrede samen te leven voor, tijdens en na het likken van het appelsienijsje en voor het slapen gaan dankten ze God nog voor de Vanille, in het bijzonder voor de ijshoorntjes, want de cornetto’s vielen hen de laatste tijd wat zwaar op de maag.
“Een zootje ongeregeld,” monkelde de Hoofdridder der Gele Ridders, die nogal zuur keek, niet enkel door zijn passie voor citroenijs, maar voornamelijk vanwege de belabberde verkoopcijfers van de Cornetto’s. En geen hond (chien) die er naar ‘kukelekude’ (cocoricode). Dat die hanen niet unisono kraaiden was hem eveneens een doorn in het oog. De hoofdman zwoer bij de knots en gebruikte zijn gigantische zwaard enkel om te demonstreren wat er met het land diende te gebeuren door een appel telegeniek in twee te klieven.
En dat was dan het begin van de ruzie, want de Cornetto’s zagen hun hele appeltje voor de dorst bedreigd. “ Hoe gaan we in hemelsnaam de Vanille verdelen?” vroegen ze zich af. “Daar is toch geen beginnen aan. En waar zal de koning dan moeten gaan wonen?” Daarom gingen alle ridders rond de tafel zitten en meer dan tweehonderd dagen later bakkeleiden ze nog. (Ter informatie wil ik nog even vermelden dat de Blauwe Ridders niet genoeg stemmen hadden om mee te ruziën en dat de Bruine Kidders, ooit beter bekend als de Bruine Ridders en erg populair in de begindagen, het vertrouwen van de mensen verloren toen bekend werd dat zelfs na het uitsluitend consumeren van vanille ijs, men toch nog bruine keuteltjes uitscheidt/schijt.)


“Meer heb ik niet,” zeg ik. “Hier zit ik dus vast.”
De hefbomen gaan ondertussen naar boven en poppy weigert verdere samenwerking omdat de ontgoocheling over het ontbreken van prinsessen in het verhaal haar te zwaar wordt. Maar in de achteruitkijkspiegel kan ik uit de starende blik van mijn zoon opmaken dat hij mijn probleem wel ernstig neemt en nog vooraleer ik ons vehikel in onze straat kan parkeren, vertelt hij mij het einde van het verhaal:

De ridders maakten zoveel ruzie dat de koning er ziek van werd en stierf. Daar schrokken de ridders wel van. Ze schrokken zelfs zo hard dat ze vergaten ruzie te maken en besloten dan om het land niet in twee te verdelen. De nieuwe koning was heel lief, maar hij zorgde er wel voor dat de bergen ijs wat kleiner werden, want zoveel ijs was echt wel niet gezond. En elke dag ging hij op bezoek bij de ridders om te kijken of ze geen ruzie meer maakten.”
De door empathie gedreven ridders en de controlerende Filip lijken me een mooi voorbeeld van slapstick, maar voor de dood van Albert, als deus ex machina, valt wel iets te zeggen. Niet omdat ik de brave man dat toewens, ook al roomt hij genoeg geld van mijn loon af, maar eerder omdat door deze kunstgreep van mijn zoon er tenminste wat schot in de zaak komt. Deze langdradige, onmogelijke tragedie wordt eindelijk afgerond. En ben ik al te hoopvol gestemd wanneer ik in de beperking van het ijsverbruik een toekomstig verstandige consument ontwaar? Hoe dan ook, in werkelijkheid denk ik dat het voorlopig einde van het verhaal ongeveer hierop neerkomt:

De IJshoorntjes en Cornetto’s verloren gaandeweg hun interesse in het gekrakeel van de ridders dat hen meer en meer in de oren ging klinken als een betekenisloos, kabbelend achtergrondgeruis. Vanachter hun ramen staarden ze naar de regen en verlangden meer dan ooit naar de lente.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn

Ode aan mijn dochter