ann schribbelt

ann schribbelt

zaterdag 17 maart 2012

Wijvenweek (5) - Schat

Veel kan ik niet. En al helemaal niet veel tegelijk, maar  ik heb wel een klein talent: ik kan in het park die haan zien, die prachtige, enorme haan. Hoe hij over het grasperk statig komt aan paraderen. Hoe hij traag aan me voorbij schrijdt. Als een koning. En tegelijk voel ik iets. Iets dat zich moeilijk laat beschrijven. Het licht misschien, of het gebrek eraan. Het groener gras misschien. De manier waarop een eend over mijn hoofd afdaalt naar de vijver. Of de vijver zelf die koel, grijs en geheimzinnig de lucht weerspiegelt. Of dat allemaal tegelijk. Hoe de dingen samenspannen en mijn verbeelding op hol doen slaan, want zomaar,  ineens kan ik me voorstellen dat de haan een horloge uit zijn borstveren plukt en moppert dat hij nog te laat gaat komen. Het is niet ondenkbeeldig dat ik straks in een konijnenpijp beland.
Ik kan niet veel en al helemaal niet veel tegelijk, maar ik kan wel kleine dingen vangen. Ziehier, de trotse eigenaar van een persoonlijk museum van miniaturen. Ze draait de tijd terug in haar hart en daar verschijnt hij weer, die prachtige koning van het park. En verder, verder terug langs fragmenten kindertijd naar de vader die zachtjes denkbeeldige eieren stukslaat op het hoofd van zijn dochters. Proef de magie van zijn vingers die als lopend eiwit door de haren glijden.
Veel kan ik niet, maar ik heb een klein talent voor details.  En datgene wat door mij gehoord en gezien en geroken en geproefd is, die schat aan alledaagse zaken, probeer ik te laten aanmeren in poëtische havens. Zodat ze niet verloren gaan. De dichteres Wislawa Szymborska beschrijft de vreugde van het schrijven als volgt: Er bestaat dus een wereld/ waar ik absoluut over het lot regeer?/ Een tijd die ik met tekenketens bind?/ Een bestaan, continu op mijn bevel?//De vreugde van het schrijven./ Het vermogen te bewaren./ De wraak van een sterfelijke hand.

vrijdag 16 maart 2012

Wijvenweek (4) - Schop


Beste lezer,

Als je schrijft over iets zuurs, is de kans groot dan je zelf klinkt als een augurk. En dat wil ik niet. Daarom heb ik Pippi Langkous ingeschakeld. Ze is dan wel groot geworden – de pillen van de zolder bleken niet te werken -  maar haar paard loopt nog steeds rond in Villa Kakelbont  en ze eet nog regelmatig slagroomtaarten voor ontbijt. Haar vlechten heeft ze ingeruild voor een onbestaanbaar hoog kapsel, maar haar puntige heksenschoenen zijn nog altijd een maatje te groot. Want goede dingen, zo beweert zij, moet je niet veranderen. Zo blijft ze nog steeds om meducijn vragen, ook al weet ze ondertussen wel beter. Toen ik haar mijn probleem voorlegde, kwam ze onmiddellijk van het dak af waar ze lag te zonnen met mijnheer Nilson en zocht de apotheker op. Ziehier het verslag van haar bezoek.

“En wat mag het wezen?” vroeg de oude man. Als kind bracht ze hem al eens in verwarring, maar nu waren haar bezoekjes een welkome afwisseling tussen de saaie om Dafalgan en Nurofen vragende dorpsbewoners.
“Het is niet voor mij, hoor,” zei Pippi en bekeek een doosje vitamines alsof het toverpillen waren. “Het is voor de anderen.”
De apotheker grinnikte.
“En wat scheelt er dan precies met de anderen, als ik vragen mag?”
Pippi keek dromerig naar buiten. Haar aandachtsprobleem was nog steeds legendarisch.
“Wat hebben ze dan?” drong de farmaceut vriendelijk aan. “Hebben ze misschien last van spoenk?”
Het was al anderhalve maand geleden dat hij nog een grapje had gemaakt en hij genoot intens van de kriebel die hem dat bezorgde in zijn buik.
“Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben,” zei Pippi ernstig. “Maar zeker zijn we natuurlijk nooit.”
“Natuurlijk niet,” kuchte de oude man, waarop Pippi zich vertrouwelijk naar hem toe boog en fluisterde: “Maar ik kan je wel wat meer vertellen over die anderen, als je dat verder kan helpen.”
“O, alsjeblieft, vertelt u vooral verder,” giechelde de man. Hij zat nog steeds met spoenk in zijn hoofd.
“Die anderen zijn het soort,” begon Pippi bedachtzaam en legde haar wijsvinger op haar neus die nog steeds vol sproeten stond, “dat eerst naar het rotte plekje gaat zoeken als je ze een appel geeft en daar dan heel lang over gaat zeuren. Het maakt voor hem niet uit hoe lekker die appel is. Meer nog, hij vergeet hem op te eten.”
“Ach, dat soort,” zuchtte de oude farmaceut. “Spijtige zaak, zeer spijtige zaak.”
“Dus je kent ze ook: die anderen die altijd alles beter weten en wolken voor de zon trekken en zoet in zuur veranderen en gekwetsten omver lopen om de schuldigen aan de paal te nagelen? ... Goed zo. En, wat denk je? Zou het besmettelijk zijn, Peter Pillendraaier?”
“U hoeft niets te vrezen,” zei de apotheker snel. “Mensen met paarden en aapjes zijn immuun voor zulke zaken.”
Hij deed daarbij erg zijn best om ernstig te kijken en ging toen verder:
“Maar ik vrees dat ik u teleur moet stellen, mijn beste Pippi. Voor moraalridders, azijnpissers, betweters en mierenneukers bestaat er geen medicijn.”
Zijn lievelingsklant trok een pruilmond en liet ondertussen een doosje op haar hoge kapsel balanceren.
“Maar wat moet ik dan met die augurken? Kan je niet zo hier en daar wat mengen?
“U weet best dat ik op zulke verzoeken niet meer kan ingaan,” zei de oude man gespeeld streng en plantte zijn met witte haren begroeide handen op de toonbank. “Maar ik weet wel iets anders wat zou kunnen helpen.”
“Echt waar?” riep Pippi vurig, terwijl het doosje met keelpastilles kletterend op de grond viel.
“Echt waar. Wat volgens mij nog het beste werkt, is de ouderwetse schop onder de kont.”
En zo komt het dus, beste lezer, dat ik vandaag goed nieuws kreeg. Pippi Langkous, in eigen persoon, belde tien keer na mekaar bij me aan en kwam zingende de drempel over:
“Schop onder de kont, schop onder de kont, dat maakt de anderen weer gezond.”
U bent gewaarschuwd.

woensdag 14 maart 2012

Wijvenweek (3) - Schade

Een getuigenis, zelfs een fictieve, zegt soms meer dan een mening:

De eerste keer dat ik het gedicht las, ik weet dat nog goed. In de lege wachtkamer van de dokter was het. “Zo tedere schade als de bloemen vrezen/Van zachte regen in de maand van mei.” Zo begon het. Ik ben niet zo voor gedichten, maar daar en toen heb ik dat gedicht zeker tien keer gelezen. Om mijn gedachten te verzetten. Om de tanden die niet meer in mijn mond zaten te vergeten. Toen de dokter mijn wenkbrauw bijeennaaide dacht ik de hele tijd ‘tedere schade, tedere schade’ en ik gaf geen kik. Ik lach nog liever dan dat ik jank. We waren nog geen twee maanden samen toen zijn vuist over de tafel heen naar me toeschoot. Want ik zeg u, ik was direct verkocht toen ik zijn scheve lachje zag, als dat van de cowboys op televisie, maar hij kon hard slaan. Knokkels van staal had hij.
Tedere schade, ik was daardoor gepakt, ik proefde die woorden tussen het bloed in mijn mond door. Ik heb het gedicht toen uit dat boek gescheurd. Dat mocht niet. Weet ik. Weet ik wel. Dat is diefstal. Ik pikte in die dagen als de raven. Ze hebben me ondertussen uitgelegd dat ik de dingen terugpak die me ooit afgenomen zijn. Eerlijk gezegd vind ik het nog altijd gemakkelijker om te geloven dat ik een loser ben, want dat was ik al zo lang. Een stukje stront aan een voetzool. Dat voelde ik in de vuisten van mijn stiefvader en in het zwijgen van mijn moeder, in de blikken van de flikken en de opgetrokken neus van dat mens van het ocmw. En het stond ook op mijn strafblad.
Er is geen tederheid voor losers, denk ik. Voor mensen zoals ik blijft er alleen maar schade over. Ik dacht, toen, na twee jaar, als hij zo blijft doorgaan, zal ik ooit gaan lijken op één van die mozaïeken in de wachtzaal van de dokter. Gevallen, zei ik elke keer tegen hem. In het begin sprak die nog over bewijsmateriaal en klachten, maar dan maakte ik van mijn vingers een sleuteltje. Mondje dicht,  zei ik dan,  krik krak. Zachte handen had die dokter, zachte lippen ook, denk ik, maar op het laatste zwegen ze. Dus ging ik maar weer terug naar mijn cowboy. Want wie wil er nu een wilde kat in huis.
Maar toen, twee maanden geleden,  toen ik zijn sigaretten had vergeten en we tegen elkaar schreeuwden  en ik hem duwde en hij me bij mijn haren greep en door de gang sleepte en ik deed wat ik altijd deed als hij zo was: mijn gedicht in stilte voordragen, want ik kende het ondertussen vanbuiten, en hij natrapte en nog eens en ik het gedicht bleef herhalen, omdat het dan precies wat minder pijn deed,  een pijnstillend gedicht was het, geloof het of niet, toen merkte ik ineens dat ik hardop aan het praten was, en daar werd hij nog kwader van. Hij moet gedacht hebben dat ik het deed om hem te pesten.  Zo woest was hij dat hij me opsloot en het huis uit liep voor sigaretten. En ik, ik bleef maar bezig met dat gedicht, sprong door het raam in het gras en deed wat ik al jaren geleden had moeten doen: ik wandelde weg. Niks  had ik, geen proper ondergoed, geen tandenborstel, geen brood, niks, alleen mezelf en mijn gedicht en een lentedag, en ik mag doodvallen als ik  lieg, maar ineens begon het te regenen en het water landde,  zacht en warm, op mijn gezwollen gezicht. En ik begreep ineens hoe dat voelde: tedere schade.

Een Hart voor Limburg | Projecten die wij steunen in 2010 - CAW 't Verschil vzw

dinsdag 13 maart 2012

Wijvenweek (2) - Schuld

Vandaag moest ik voor de rechtbank verschijnen. Mij werd ‘diefstal van momenten’ ten laste gelegd. Nog voordat mijn zitvlak het beklaagdenbankje raakte, stak de aanklager al van wal.
“Bewijsstuk nummer één,’ riep hij een toonde het publiek een pan met gestold vet.
“Is dit uw pan?” vroeg hij en keek daarbij iets te zelfvoldaan naar mijn goesting.
“Ja, maar…, wierp ik tegen. De aanklager legde me echter snel het zwijgen op:
“Enkel antwoorden met ja of nee, mevrouw.”
“Ja,” piepte ik.
De pan, zo stelde het heerschap, stond daar al een avond, een hele nacht én een hele dag te verkommeren op een  - hij haalde luidruchtig zijn neus op – aangekoekt fornuis. Helaas was dat bewijsstuk iets te onhandelbaar gebleken om naar de rechtbank te sleuren.  Maar daar werd verder niet op ingegaan, stelde ik enigszins verongelijkt vast. Zo begon het dus. En daar bleef het niet bij: de aanklager loodste het publiek van de pan naar de verminkte en geschroeide strijkplank die artritis in haar poten had van langdurig werkloos in de woonkamer te staan, naar de vaat die klaagde over een collectieve bronchitis die ze over had gehouden aan langdurige zelfopdroging, naar een komkommer die ongewild pootjes had gekregen in een uithoek van de koelkast, die zich op haar beurt weer beklaagde over een gebrek aan hygiëne. Het duizelde me. Na al die jaren van samenwerking hadden deze ondankbaren een complot tegen mij gesmeed.
Op een moment werd de bewijslast zelfs de rechter teveel. Met een mollige, behaarde hand legde hij de aanklager het zwijgen op en richtte zich rechtstreeks tot mij:
“Dit is een hele waslijst, als u me de woordkeuze vergeeft, maar wat ik me eigenlijk afvraag is het volgende: waarmee vult u die gestolen momenten dan zo al op?”
“Met van alles,” mompelde ik.
“Met van alles, met van alles,” bauwde de aanklager, die duidelijk in zijn gat gebeten was door de onderbreking van de rechter. “Van alles, dat is kiekenstront.”
De rechter trok zijn wenkbrauwen op tot halverwege zijn voorhoofd en gebaarde dat ik aan het woord was.
“Ik schrijf. Of ik lees.”
Die invulling leek de goedkeuring van de man wel weg te dragen.  En toen maakte ik een cruciale fout, ik werd overmoedig:
“Ik blink ook uit in plannen maken zonder ze uit te voeren. In lijstjes maken en ze te verliezen. En in onvervalst koekeloeren.”
“Koekeloeren?”
“Koekeloeren, ja, door het raam naar de tuin kijken, bijvoorbeeld.”
Het schuim stond de aanklager ondertussen op de lippen, hij wipte van het ene been op het andere en fulmineerde:
“Door vui-le ramen, wel te verstaan. Door sme-rige ramen die al maanden smeken om gepoetst te worden, mijnheer de rechter. Want we hebben hier wel degelijk te maken met een recidivist. Al jarenlang steelt zij schaamteloos momenten. Naar het schijnt loopt ze zelfs de helft van de tijd met haar hoofd in de wolken.”
De rechter keek mij vragend maar niet onwelwillend aan.
“Ja,” riep ik opstandig. “Dat is allemaal waar. Zoals je een vlieger aan een touw laat vieren, zo laat ik mijn hoofd op in de lucht. En dan gebeurt er iets wonderlijks, dan worden al die verdomde pannen en potten en ramen en pluisjes piep- en piepklein.”
De advocaat gooide zijn armen triomfantelijk in de lucht. Dit leek verdacht veel op een bekentenis.
“Maar voelt u zich dan nooit schuldig?” vroeg de rechter oprecht verbaasd.
“Zelden,” lachte ik. “Wanneer men bezocht wordt door schuld, dient men het zo snel mogelijk door te spoelen met een glas wijn.”
“Proost!” riep de rechter onverwacht en hief zijn hamertje als wilde hij ermee klinken. De aanklager greep vertwijfeld naar zijn hartstreek.
Vijf minuten later stond ik terug buiten als vrije vrouw, gered door een rechter die elk jaar een bestelwagen  volgestouwd met wijn ging ophalen in Frankrijk. Een zonovergoten terras wenkte me.

maandag 12 maart 2012

wijvenweek (1) - Schoon


Die keer dat ik in bed lag. Een warme zomernacht was het en ik had niet veel om het lijf; een weinig flaterende onderbroek die vloekte met de mottige bh die ik droeg, omdat ik nog borstvoeding gaf. Mijn lijf, dromend en dus achteloos, met duidelijk zichtbare sporen van de zwangerschap.
Hij had, zoals altijd om ons niet te storen, de slaapkamer op de tast doorkruist en het licht in de badkamer aangedaan. En in die streep licht had hij naar ons gekeken. Naar mij in het grote bed, diagonaal tussen slordige lakens. Naar ons vers kind in haar kleine bedje dat aan mijn rechterzijde met twee voorpoten een stapel forse sprookjesboeken besteeg tegen het duivelse terugvloeien. En naar onze tweejarige prins van oranje in een iets groter bed aan mijn linkerzijde.
“Schoon,” zei hij de volgende ochtend. “Schoon. En wonderlijk. Telkens wanneer de kinderen zich op een andere zij draaiden, draaide je met ze mee.”

En dan die andere keer, dat ik aan de tafel zat te schrijven met mijn bril scheef op mijn neus. Onder mijn ogen zaten nog resten mascara van de vorige dag. Elke keer als een zin tegenspartelde en ik met mijn handen vertwijfeld door mijn ongekamde haren woelde, viel er sneeuw op mijn tekst. Op mijn linkerknie, die nogal onbeschaamd door een grote scheur in mijn versleten spijkerbroek stak, had ik gedachteloos een zonnetje getekend. Ik had niet eens gemerkt dat hij tegenover me was komen zitten, maar voelde ineens toch zijn blik op me rusten.
“Wat?” zei ik en keek even op. “Wat?”
“Je ziet er goed uit,” zei hij.

En dan was er nog die keer, dat ik door de woonkamer paradeerde in een wolk parfum. Met nieuwe schoenen en een nieuwe jurk. Met wimpers, zo lang dat je er een half continent koelte mee kon toewuiven en een huid zo glad dat elke ongewenste aanraking ervan af zou glijden. Met een blik, zo diep, dat argeloze gluurders zichzelf erin zouden verliezen en rode lippen die men zou willen maar niet durfde te kussen. Althans, dat was de belofte die een assortiment stiftjes en tubes drie uur voordien aan mij had gedaan. Ik schreed door de ruimte met glanzend golvende haren, zoals die vrouwen op televisie dat doen, omdat ze het waard zijn. Elegant plukte ik tas en jas van een stoel en sloop katachtig naar hem toe. Of deed daar een niet onverdienstelijk poging toe. In de deuropening stond hij te wachten, rammelde met de autosleutels, liet zijn blik vluchtig over me heen gaan en vroeg: “Kunnen we dan nu vertrekken?”