ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 5 april 2011

Love lost (2)

Vroeger piste ze dikwijls in haar broek van het lachen, maar zoals ze daar nu stond voor zich uit te staren in de ontruimde woonkamer, leek ze eerder op één van die triestige figuurtjes van Giacometti, vond Jessy. Verdwaald en droefgeestig.
“Komaan, Su,” riep ze vanuit de keuken. “Het belangrijkste hebben we toch laten staan. Het bed. De televisie. De koelkast. En deze fantastische uitvinding om diepvriesmaaltijden in op te warmen.”
Met haar vlakke hand gaf ze een ferme klap op de microgolfoven. Haar zus schrok op en keek haar ontstemd aan.
“Op een dag zal dat ding nog eens ontploffen.”
Jessy voelde haar laatste restje geduld wegsijpelen, rammelde met haar sleutels en mompelde:
“Ze zijn buiten op ons aan het wachten.”
“Het was nochtans allemaal zo goed begonnen.”
Daar gaan we weer, dacht Jessy verveeld. Ze kon het beschimmelde verhaal van hun ontmoeting bijna woordelijk mee opdreunen. Fred had de bocht gemist. Fred was haar appartement en in één ruk door haar hart in gereden. Dat was overdreven, want Fred had een hoofdwonde en werd met een bebloed aangezicht weggevoerd. Het hart had nog even moeten wachten. Pas weken later had het toeval een handje toe gestoken in de gedaante van een oude schoolvriendin die Suzy onverwacht uitnodigde voor een verjaardagsfeest. En zo was het dan eindelijk gekomen: trompetgeschal, tromgeroffel, bliksemschicht, rozengeur en maneschijn! Fred was de frontman van het coverbandje van dienst. Fred riep haar na de pauze het podium op. Fred zong van satelliet Suzy, telkens als ik u zie. Fred zong haar ondersteboven. Fred vergaf het haar dat ze hem niet herkend had zonder al dat bloed. Fred. Fred. Fred. Jessy luisterde al niet meer. Volgens haar was Su eerst op het verhaal en later pas op de fantast gevallen, wat nauwelijks verwonderlijk was gezien haar wankele geest en haar zwak voor vertelsels.
“Ben ik te ver gegaan?”
“Te ver?”
Jessy probeerde een beetje interesse in de vraag te leggen, maar faalde jammerlijk.
“Zeg, ik haal hier wel het hele kot leeg. Achter zijn rug om,” stelde Suzy gepikeerd.
“Het zijn mijn zaken niet, Su, maar die luiwammes kwam hier aan zonder een nagel om aan zijn gat te krabben. En alle jaren nadien heeft hij voor de rest ook niks binnengebracht. Niente. Nada. Noppes. Alles hier was van u. Ge hebt er verdomd hard voor gewerkt. En wat deed meneer Fred ondertussen? Die waande zich de nieuwe Claus. Poeh!”
Suzy bestudeerde nauwgezet een modderspatje op haar linkerschoen, glimlachte even toegeeflijk, maar zei toen fel: “Als hij goed gezind was, ging hij psalmen zingen in de trappenhal. Ik vond dat heel grappig, ja. Hij kon eieren klaarmaken op 356 manieren. Als ik moe en ambetant was, deed hij Urbanus na: ‘Ze spuit met de shampoo recht in mijn ogen, ze maakt me gelukkig en blij.’ Hij smeerde elke dag mijn boterham voor het werk en als ik mijn doos dan ’s middags opendeed, was er altijd één hap uit het brood. En ja, dat vond ik ook grappig. En ik ken niemand die uren met vogels kan praten. Nee, Jes, dat is niet gestoord. Nel gelooft dat Fred die vogels echt verstaat.”
Genoeg, dacht Jessy en gaf haar zus een zachte duw tegen de schouder.
“Zeg, ge gaat toch niet van gedacht veranderen?”
De blik van Suzy vlamde even op. Ze maakte er een slechte gewoonte van om haar woede voor de verkeerde mensen te bewaren, bedacht Jessy een beetje verongelijkt.
“Fred koestert tenminste zijn dromen nog. Weinig…”
“Dromen moet je waarmaken,” kapte Jessy haar kortweg af. “Anders blijven het lege dozen. Komaan zeg, die gast was niet eens meer aan het dromen. Die rookte te veel sigaretten en dronk teveel pinten. En daarmee is alles zo ongeveer gezegd.”
Suzy schudde zachtjes met haar hoofd.
“Ik heb dit nog nooit aan iemand verteld,” zei ze stilletjes. “Maar een jaar of twee geleden leek het hem eindelijk te lukken. Hij schreef als bezeten, kwam de studeerkamer nauwelijks uit. Als ik vroeg of ik iets mocht lezen zei hij alleen maar: als het af is, Suzelu, als het af is. Dus ik wachtte. Ge kent me. Eén en al geduld en vertrouwen. Tot hij voor de zoveelste keer weer vastliep. Toen ben ik stiekem gaan snuffelen. Hij had geschreven, dat wel, maar…”
Suzy haalde bewust diep adem vooraleer ze verder ging.
“Ach, Jes, hij had gewoon Het verdriet van België overgeschreven. Letter voor letter. Woord voor woord. Zin voor zin. Hele schriften vol…”
En nu moet ge zwijgen, dacht Jessy. Meer hoef ik niet te weten.
“Ik was zo teleurgesteld. Maar ik heb hem nooit verteld dat ik het wist. Dat zwijgen van mij, Jessy… Die schriftjes werden een steen in het water en al de smerigheid bleef erachter hangen.”
Ik wil mijn zus terug, dacht Jessy. Ik wil terug samen jong zijn en op de laatste bank van de bus iedereen die opstapt uitlachen.
“Kijk toch eens hoe blij we daar waren.”
Su stond op en streek zacht met haar hand over de uitbundig lachende gezichten van zichzelf en haar dochter.
“Fred heeft die genomen. Hij had een stukje zwart papier van een Chocotoff over zijn tand geplakt om ons te laten lachen.”
“Ze wachten op ons,” probeerde Jessy nog eens voorzichtig en nam de koude hand van haar zus in de hare.
In de trappenhal bleef Suzy ineens stokstijf staan.
“Wacht even...,” zei ze. “ Ik wil afscheid nemen.”
Ze maakte zich groot, nam heel diep adem en zong toen uit volle borst: “La-ham go-o-o-ods dat wegneemt de zonden der wereld...”
Jessy moest toegeven dat een psalm in een trappenhal fantastisch klonk. Ze legde haar arm over de schouders van Su en zette even luid en vals in: “...Ontferm u over o-o-o-ons...”

Geen opmerkingen: