ann schribbelt

ann schribbelt

zondag 17 april 2011

Plaatsvervangende pijn


Ik loop al een uur rond met pijn aan mijn teen. De nagel van mijn dochter hangt namelijk los na een ongelukkige aanvaring met een stoelpoot. Een maand geleden tuimelde ze van het trampolinetrapje. Zij hield er een hersenschudding aan over en ik dacht ondertussen dat mijn hoofd zou exploderen. Toen mijn teergevoelige jongen twee weken geleden op tandartsbezoek moest, was ik al een uur op voorhand zenuwachtig aan het rondscharrelen, onderwijl overtollig speeksel producerend. Eenmaal in de stoel sproeide hij een fonteintje spuw in het gezicht van de tandendokter en riep voorbarig ‘auw’. Ik zweer u dat de pijnscheuten als bliksemschichten door mijn gehemelte trokken. Als ik van het gespannen gelaat van mijn geliefde een te hoge werkdruk aflees, jaagt de stress ongehinderd door mijn eigen lijf. En dat heb ik allemaal te danken aan de bijzondere gave van de plaatsvervangende pijn.

Ze zeggen dat er minder oorlog zou zijn als vrouwen het voor het zeggen hadden. Ze zeggen zoveel. Maar als er een grond van waarheid in deze bewering zit, dan heeft het volgens mij te maken met dit talent. Mannen lijken me toch net iets minder in de empatische poel van pijn te kunnen vissen. Ik zou zo graag willen dat het waar was. Dat wat ik voel een hoger doel dient. Want ik spreek hier nu wel van gave en talent, maar plaatsvervangende pijn is lastig. Het is een eenzaam gevoel. Je lijdt in stilte. Het zou nogal kleinzielig zijn om je huilend kind, dat zich net een buil op het voorhoofd gevallen is, tot stilte aan te manen omdat je zelf last hebt van een plaatsvervangende zwelling. Laat staan dat je je kinderen op de hoogte brengt van de schade die ze hun moeder toebrengen met al hun schrammen, builen en wonden om nog maar te zwijgen van de zielenpijn omwille van plagerijen op de speelplaats. Ze zouden het niet begrijpen, want ze kennen het niet, het juk van het inlevingsvermogen. Of toch niet in dezelfde mate. Een voorbeeld: je ligt met griep weg te kwijnen in de zetel. Je denkt: kill me now and bury me deep. Je kinderen werpen een nieuwsgierige blik op je haast levenloze lijf en hebben vervolgens welgeteld één minuut medelijden met hun zielige moeder, wat zich vertaalt in een vluchtig, koud handje in je nek en een haastig uitgesproken: ‘arme, arme mama’, waarna ze terug overgaan tot de orde van de dag, met name een geweldig luidruchtig spel dat uitmondt in een ruzie, zodat moeder gedwongen is om haar knoken bij elkaar te rapen en tussen te komen vooraleer wereldoorlog drie uitbreekt. Je kinderen hebben op dat moment geen enkele last van jouw pijnlijke vel, noch van je vlammende koorts en evenmin van je elastieken benen. Je staat er helemaal alleen voor. Niet dat ze je niet graag zien. Welnee, het besef van liefde komt in alle hevigheid terug wanneer ze zin krijgen in ijs of koek. Voor de rest steken ze hun energie in groeien en geluk. En gelijk hebben ze.

Laatst liepen mijn dochter en ik hand in hand op de stoep. Ik vind het zo fijn om die kleine, plakkerige hand in de mijne te verstoppen. Het genot was echter van korte duur. Mijn meisje glipte weg en liet me zelfverzekerd weten: “Ik wil niet meer aan de hand, mama. Ik wil gelukkig zijn.” Waarop ze vrolijk weg huppelde en mij ontsteld achterliet. Wat bedoelde ze daarmee? Was ze deze moeder dan werkelijk liever kwijt dan rijk? Ze huppelde zo mooi en hoog voor mij uit. Maar wat bedoelde ze nu? Ineens viel het me te binnen. Ana presenteerde me hier haar hoogstpersoonlijke definitie van geluk. Geluk = huppelen = alleen, vrolijk en vrij. Zoiets gaat niet met een handje. Een hand = rekening houden met het ritme van de ander = beperking. Wat een leiband is voor een hond is een hand voor een kind.
Daar loop je dan met je plaatsvervangend lijden. Je denkt aan alle kwellingen die nog zullen volgen. Je hart dat in hun plaats aan gruzelementen zal vallen wanneer ze de bons krijgen. En dan denk je, of dat dacht ik alleszins: “Waarom ook niet? Ik probeer het eens uit.” Even vlug rondkijken. Niemand te zien. Daar ging ik dan. Eerst nog voorzichtig. Een beetje onwennig. Maar het lukte. Zulke dingen verleer je niet zo snel. Dus even later was ik al even vrolijk en vrij. Ik dacht: verdorie, ze heeft gelijk, die kleine. Een mens zou meer moeten huppelen. Net als een kind ging ik erin op, vergat op te letten en zag dus veel te laat de man die de hoek om kwam. Het was de vader van een schoolvriendinnetje van mijn dochter. Hij fietste me breed lachend voorbij. Gelukkig maar dat mijn kind geen last heeft van plaatsvervangende schaamte.

6 opmerkingen:

elke zei

Zo herkenbaar, dat plaatsvervangende.
En wat het handjesgeven betreft: mijn 12-jarige geeft nog een hand (ondertussen). Niet altijd maar soms. En ik vind dat fijn.

Huppelen doen wij al eens samen, dat is fijn. :-)

soraya zei

Zalig toch hé!!!!

Ik zie ons missken op heel korte tijd ook enorm veranderen.
Deze week zei ze wel terug iets waarvan ik smolt hoor!
Ze zei: "Mama... Ik ga nooit verhuizen, want ik vind het zo leuk bij papa en jou..."

Laat ze nog maar een tijdje klein blijven. Ik denk dat het volgend schooljaar al genoeg zal veranderen...

anneeke zei

Mooi, en zo herkenbaar. Mijn geadopteerde zoon van 17 zei onlangs: Ik vind het fijn als mensen me met jou vergelijken, want je bent een leuk mens. Nou daar ben ik weken stil van geweest:)

Ann zei

Daar zou ik ook stil van worden, Anneke. Ik hoop dat mijn kinderen me ooit ook eens zo stil krijgen ;).

Kathleen zei

Zo herkenbaar en zo mooi! Buikgevoel! Tranen in de ogen! Gevoel van eenvoud en geluk!

Ann zei

Bedankt, Kathleen. Als je aan grote mensen naar hun definitie van geluk zou vragen, zou het antwoord hoogstwaarschijnlijk niet 'huppelen' zijn. Soms verlang ik wel eens terug naar die eenvoud.