ann schribbelt

ann schribbelt

maandag 6 september 2010

Communautaire knuffels

Onderweg van school naar huis komt er een man langs me lopen.
“Heb je dat gezien?” vraagt hij. De verontwaardiging spat van zijn gezicht af.
“Schandalig is het. Heb je gezien hoe hard ze hier rijden vlak aan een school?”
Hij schudt zijn chagrijnige kop, trekt diepe rimpels in zijn voorhoofd. Het is hem aan te zien dat hij dat al eerder heeft gedaan.
“Huhu,” mompel ik, want ik moet eerlijk bekennen dat ik het niet gezien heb, maar ik denk er niet aan om zijn woorden in twijfel te trekken.
“Een man die 140 rijdt naar zijn werk in Leuven. Die pakken ze wel. Die mag zijn centen gaan neerleggen. Terwijl ze het hier allemaal laten gebeuren. Hier mag dat allemaal.”
Verongelijkt trekt hij zijn mondhoeken nog verder naar beneden. Een mens wordt daar niet schoner van.
“Huhu,” knik ik halfhartig.
“En tegen die bruine mannen doen ze al helemaal niks. Die mogen alles.”
Huhu? Hoe zijn we ineens bij ‘die bruine mannen’ beland? Ik word kriegel als ze zo beginnen. De kinderen huppelen een paar meter voor ons uit en ik ben blij dat ze niet aan deze onzin blootgesteld worden. Vroeger had ik hem met plezier klemgezet, verpletterd, hem rond zijn oren gekletst met ongelijke kansen. Dat hij zever in pakjes verkocht. Dikke zever in pakjes. Alles mogen. Mens, beseft gij wel hoeveel dat is? Alles. Maar het enige dat er bij mij uitkomt is ‘uhu’.

Ik ben opgelucht als ik mijn voordeur zie en onze wegen zich scheiden. De man glimlacht even. Er licht een milliseconde lang iets zonnigs op in zijn gelaat. Als ik nog verder van de school had gewoond, was hij ongetwijfeld over de politiek begonnen. Ik hoor het hem al zeggen.
“En die walen dan, wat vind ge daar nu van, die denken toch echt dat ze alles mogen. En maar op hun luie krent van ons geld leven. En wij maar werken tot we krom staan. En maar eelt kweken. En zweten. En geen tijd meer hebben voor vrouw en kind. Laat staan tijd om te genieten. Nee, dat zullen zij wel doen. Met ons geld.”
Ik begin de verongelijkte mens te herkennen. Helaas. Ze spreken allemaal dezelfde taal. De Waal is een profiteur. Van hetzelfde laken een broek bij De Vreemdeling, en blijkbaar rijdt Hij nu ook nog als een zot rond in onze straten. De Jeugd deugt niet. De Politiekers zijn zakkenvullers. De Cuisson van het vlees in het restaurant is niet goed. De Hond schijt net voor hun deur en De Koffie is lauw omdat hij zich alweer een uur aan het ergeren is. Slachtoffers van zoveel gebundelde slechtheid zijn ze. Of zij dan nooit iets fout doen? Of twijfelen? Of het eens niet weten? Of zich vergissen? Nee, want daar zijn ze tegen. Ze vertegenwoordigen De Perfecte Vlaming. Een standbeeld moesten ze krijgen. Nog bij het leven.
Ik weet niet wat ik me precies moet voorstellen bij De Vreemdeling. Waar De Waal voor staat. Of wat De Vlaming is, terwijl ik er naar het schijnt toch zelf één ben. Dat we in het buitenland altijd de taal van het land proberen te spreken, zeggen ze. Dat we graag in het zwart werken. En wat voor een beest is De Limburger? Volgens een aantal Antwerpenaren wonen zij in Limbabwé. En als de Vlaming al een beetje de onnozelaar van België is, ben ik dus als Limburger een oen in het kwadraat. Het zei zo. Wat is dat toch met De Waal, in één vingerknip gereduceerd tot zakkenvuller. Ik hoop dat het iets meer mag zijn. Straks denken mijn kinderen nog dat die mensen hele dagen over de grens heen en weer reizen met vrachtwagens om geld op te halen.
Ik ken De Waal niet. Alleen die vanuit mijn jeugd, toen ik met een vriendinnetje en haar ouders op vakantie ging naar de Ardennen. Wij vonden het hoogst vermakelijk dat op weg van camping naar dorp iedereen ons groette. Iedereen. En ze kenden ons niet eens. De oudere mannen namen zelfs hun pet af of tikten aan hun hoofd. Bonjour. Twintig keer op een dag als het moest. En als je er één keertje mee gebabbeld had, kreeg je er nog een kus bij ook. Gratis en voor niets. In het bos hebben wij samen kampen gebouwd. We verstonden elkaar niet, het ging allemaal met handen en voeten en tevergeefs articuleren, maar op het einde van de dag stond dat kamp er wel. Toen we weg groeiden van het bos naar een pintje in de kantine of de dorpstent waar er regelmatig een bal werd georganiseerd, verstonden we elkaar nog altijd niet. Hier en daar een zin kenden we, met veel haar erop. Dus het was weer met veel handen en voeten. En het kijken kwam erbij. Want voor flirten heb je niet zoveel woorden nodig. Als de stilte te lang naar onze goesting bleef duren, kusten we wat. Daar begrepen we allemaal wel iets van. Ik herinner me dat die kussen goed waren. Misschien zelfs beter dan de Vlaamse, want de Ardennen was voor ons al ver van huis. Het proefde allemaal iets exotischer.
Misschien hadden we Bart en Elio in die kantine moeten zetten. Na een lange wandeling door de bossen van dat vriendelijke dorpje Bièvre hen aan de toog een pint met een schoon kraagje toeschuiven. Er is natuurlijk geen garantie dat het gesprek dan het gewenste resultaat zou opleveren, maar misschien zouden ze door de blootstelling aan een overdosis zuurstof net zoals ik indertijd hun toevlucht nemen tot een knuffel. Ik hoor de verbaasde, iele stem van Elio al.
“Maarrr Barrrt, ik heeft dat nooit kewist dat kij zo koed kon knuufelen.”
Waarop Bart monkelt: “Daar zegt ge al zo iets, ik ben er zelf niet goed van. Het is maar dat ik mijn kinderen mis. Die krijgen elke dag vakantiekaartjes van hun vriendjes en ze verwijten me dat zij nergens naartoe kunnen met zo een vergadervader. Dat doet iets met een mens. Misschien dat het daardoor allemaal zo fout loopt.”
“Kij moet niet zo strenk zijn voor u zelf, Bart.” sust Elio hem daarop. “Weet kij, iek heb een idee, kij kaat nu subiet bellen naarr uw kinderen. Iek zal een huisje huurren hier voor uw kezin in de skone Ardennen. Alles op mijn kosten.”
Bart is daar zowaar een beetje van gepakt.
“Awel, Elio, dat is nu het verstandigste dat ge de laatste 80 dagen voorgesteld hebt. Een waarachtig schone geste.”
Ze heffen samen het glas. Iemand draait dat plaatje van Raymond van het Groenewoud op de jukebox: “de liefde voor muziek … het gaat vooruit, het gaat vooruit, het gaat verbazend goed vooruit.” Daar moeten ze dan eens hard om lachen.
Wat zou er gebeurd zijn als ik die mens op straat eens stevig vastgepakt had, bedenk ik nu. Een knuffel had misschien geholpen.

Geen opmerkingen: