Onverbeterlijke onderdeurtjes (2)

“Kijk daar eens!”
De welluidende stem van poppy overstijgt met gemak het geroezemoes in het lokaal van de buitenschoolse opvang.
“Kijk, daar is mijn papa en zijn haren zijn geknipt!”
Het was eerst even schrikken toen ze haar leeuwenkoning zonder zijn manen zag. Met open mondje staarde ze hem meewarig aan, alsof Samson in één knip al zijn krachten verloren had, om hem er vervolgens op te wijzen dat hij er toch wel heel gek uitzag.
“Kijk, mijn papa met korte haren!” roept ze nog eens.
De onthaaljuf voelt zich nu wel enigszins verplicht er iets over te zeggen, maar blijkbaar is dat niet voldoende voor onze dochter.
“Voel maar eens!” gebiedt ze de juf.
“En heeft de juf gevoeld?” vraag ik aan geliefde wanneer hij het me vertelt. Maar eigenlijk weet ik het antwoord al. Of ik dan ook nog eens mag voelen? Het mag van de Zonnekoningin.

Mijn zoon jongleert met gedachten, die zo nu en dan eens op mijn hoofd belanden. Wanneer ik het op een avond met hem over een familie-uitstap heb, beweert hij nogal stellig:
“Maar mama, jij bent toch geen familie.”
Dat vraagt om enige toelichting.
“Jij bent geen L.. Papa is een L.. Ik ben een L.”
Zelfs die kleine poppy heeft het klaargespeeld om een L. te zijn. De valkuil van de retoriek. Ik ben de enige met een afwijkende achternaam. Eén enkele scheefgetrokken redenering is voldoende om een mens uit het paradijs de woestenij in te jagen. Enigszins verongelijkt repliceer ik:
“Zeg, je hebt wel mooi negen maanden in mijn buik gezeten, hoor.”
Mijn rosse duivel richt zich op in zijn bed en slaakt een kreet die ik iets te voorbarig als verwondering beschouw, maar deze hoop wordt al snel de grond in geboord.
“Mààr negen maanden, ik dacht dat het er tweeëntwintig waren.”
Mijn god, een olifantendracht. Wat moet een mens hier nog doen om indruk te maken?

Poppy leunt liefjes tegen mij aan in de zetel. De aandachtsorgel in mij vraagt haar:
“Hou je van mij?”
“Ja, mama,” zegt ze gedwee.
“En hoeveel hou jij dan wel van mij?” doe ik er een schepje bovenop.
Het antwoord komt snel, geen twijfel mogelijk:
“Honderd graden.”
Zeg nu zelf, daar smelt een mens toch van. Al blijkt even later dat temperatuur voor mijn dochter blijkbaar de maat van alle dingen is. Ze staat te wiebelen op de weegschaal en vraagt me de cijfers voor te lezen.
“Negentien,” zeg ik, waarop ze uitermate tevreden met zichzelf herhaalt:
“Ik ben al negentien graden.”
En ik krijg dat zonnekind al zo moeilijk in haar winterjas.

Ik hoor mijn kinderen om 6u00 al de trap afsluipen en mijn hart begint gelijktijdig te bloeden. Hij is niet gekomen en ik weet dat. Ze gaan het laarsje en het schoentje terugvinden zoals ze het de avond ervoor hebben achtergelaten, met wortel en suiker er nog in. Ik heb het hun nog uit het hoofd willen praten, maar ze wilden van geen wijken weten. Dus daar lig ik dan stilletjes te luisteren naar hun teleurstelling in stereo.
‘Poppy, de sint is niet gekomen.”
“Nee prins, de sint is niet gekomen.”
Als ik naar beneden ga, zitten ze verweesd tegen mekaar aangeleund in een hoekje van de zetel met een dekentje over hun benen naar tv te kijken.
‘Hij is niet geweest, de sint,” zeggen ze.
Dat het de fout is van het water, probeer ik. Zijn paard Goed Weer Vandaag heeft waterangst, wat wil je ook met zo een naam. Ondertussen haal ik de wortels uit het schoeisel. Tast tevergeefs naar de suikerklontjes. Ze liggen niet in de schoenen, maar mijn kinderen staan er blijkbaar wel recht in, want hun laconieke verklaring luidt als volgt:
“Het paard is niet langs geweest, dus hebben we dan maar zelf voor paard gespeeld.”

Reacties

Kaatje zei…
PRACHTIG!! (vooral die opgegeten suiker ;-)) )

Gij zoudt wel een boek mogen gaan schrijven, zo boeiend dat gij alles kunnen neerpennen ( euh... typen). Uw eerste copy is al aan mij verkocht..

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn