De Efteling

Voor veel mensen is muziek een uitstekende manier om terug in de tijd te reizen. Op de tonen van Big in Japan stap ik alleszins moeiteloos met zevenmijlslaarzen naar de dagen waarin ik nog hartritmestoornissen kreeg bij het vooruitzicht aan de schalkse ruiters die mijn zaterdagavonden zouden doorkruisen. Uiteindelijk bleken het meestal eerder bedremmelde puistenkoppen te zijn die door de poorten van dancingland struikelden, maar wij bleven hopen. Ook het gelukzalige gesmak van een doezelend kind dat ik onder naar wasverzachter geurende lakens in zijn bedje stop, kan me in één klap terugvoeren naar mijn eigen kinderland. En tot mijn verbazing bleek de tijd ook niet al te erg aan mijn geheugen geknabbeld te hebben toen geliefde ons onlangs verraste met een tweedaagse uitstap naar de Efteling, alwaar elfen en prinsessen ondertussen met vereende krachten een ‘kasteelhotel’ recht getoverd hadden. Met een verbluffende helderheid verschenen al op voorhand beelden van de chagrijnige kop van Langnek, de dreigende muil van de draak die zijn schat bewaakt, het eeuwig ronkende Doornroosje en de verlekkerde wolf voor de deur van de argeloze geitjes. Ik besef natuurlijk wel dat het geheugen al te lief kan zijn voor herinneringen. Dat ook de tijd graag zijn dromerige waas over gebeurtenissen spreidt, en teleurstelling bijgevolg nooit ver weg is, maar het kon mijn kinderlijke opwinding nauwelijks temperen. Een enthousiasme dat mijn dochter aanvankelijk niet echt met me wenste te delen. Ze vond de ‘Efteling’ eng. Een goedhartig mens zou daar een zekere angst voor het onbekende in kunnen ontdekken, ware het niet dat wij haar ondertussen al langer dan vandaag kennen en beducht zijn voor haar acute aanvallen van tegendraadsheid. Het kind wist godbetert niet eens wat de Efteling was. Zelfs na een geruststellende uitleg van haar moederbeest pruttelde ze nog tegen dat ze geen “Neejderlands kon spreejken” en dat ze haar ginder dus niet zouden verstaan. Need I say more?

Het vertrek naar sprookjesland verloopt gewoontegetrouw hectisch. Mijn kinderen vinden het noodzakelijk om eerst alle spelletjes nog even uit te proberen vooraleer ze er eentje kunnen uitkiezen om in te pakken en poppy doet dat zelfs in stijl, namelijk in haar prinsessenkleren, en dus niet in de kleren die ik klaargelegd heb om aan te trekken. Enige tijd later vertrekken we dan toch, gehuld in sinistere mistnevels, die wonderwel aansluiten bij de wereld van de wolven, trollen en heksen waarnaar wij ons begeven. Aldaar moet ik echter na een blik op de landkaart huiverig vaststellen dat men ondertussen ook een pretpark bij elkaar getimmerd heeft, ongetwijfeld het resultaat van de gebundelde snode krachten van onguur gezelschap, maar dat zijn zorgen voor morgen. Want ach, speciaal voor ons, wemelen de roestkleurige bladeren van de sprookjesbomen (We zijn in Nederland, doet prins olijk, want de bomen zijn oranje.) naar beneden en spreiden een adembenemend bronzen tapijt voor onze voeten uit. De zon heeft zich verstopt achter een onschuldig grijs gordijn. Het is niet druk in sprookjesland, ons geduld wordt op geen enkel moment beproefd. Wat wachttijden betreft dan toch, want Miss Recalcitrant is lastig. Ze wil niet in het treintje, zegt ze en dit herhaalt ze wegens uitblijvende reactie van een tevreden en stoïcijns ouderpaar dreinerig als een kapot grammofoonplaatje, met soms een hoopvolle pauze tussenin om even op adem te komen. Het drenzen houdt aan terwijl we door een gigantische gang lopen, waarin enorme lichtbollen boven onze verwachtingsvolle hoofden zweven. Zij aan zij in een cabine - het gezeur verstomt - stijgen wij op naar een wereld vol bloemen, en nog hoger de bomen in alwaar elfen fladderen en zoetgevooisd zingen. Op een hoge rots torent een edele eenhoorn boven ons uit. Nog hoger gaan we, daar waar geen mens ooit kwam, daar waar verlichte elfenkastelen in het duister rondzweven. En dan dalen we neder in cirkels langs lange, slanke bomen naar duistere poelen waarin guitige trollen rond ploeteren. Heel even is het ons gegund om deel uit te maken van een onbezoedelde wereld en wij, grote mensen, herontdekken ons talent voor verwondering.
Wanneer we nog namijmerend de elfenwereld verlaten klemt poppy schuldbewust mijn hand vast en zegt: ‘Nou (nou?), morgen pak ik vroeg mijn goede been en dan wil ik wel in de treintje.’ En zo geschiede.
Stilte, het is tijd voor wat onvervalste nostalgie: we betreden het sprookjesbos. De kinderen rennen voorop. Poppy zoekt naar richtingaanwijzers en prins leest fier de titels. Vooral onze dochter lijkt erg onder de indruk van de bewegende figuren, plakt roerloos met het neusje tegen de ramen, maar wij, grote mensen, moeten toch bekennen, dat de draak minder angstaanjagend lijkt, Doornroosje minder van vlees en bloed en Langnek minder groot. De tijd lijkt ons dan toch ingehaald te hebben. We kunnen zelfs met moeite onze rennende duivels bijbenen. En dan gebeurt het, bij de rode schoentjes. Daar staan ze, zo klein en fragiel, roerloos te wachten tot de stem is uitverteld en wij wachten vol ongeduld mee. ‘Zouden ze niet stuk zijn?’ vraag ik me een beetje ongerust af, want even daarvoor kreeg Rapunzel haar prins ook al niet aan de machtige vlecht opgetrokken, maar geliefde stelt me gerust. En hij heeft gelijk, want daar gaan ze, klikklakkend over de glazen plaat. Toegegeven, het is geen dirty dancing, geen cancan, maar vooruit gaan ze. Ook prins kijkt toe, of liever, hij monstert de glasplaat waarop ze zich voortbewegen en het verdict volgt snel en meedogenloos: “Magneten!” Ach, mijn zoon toch, zo klein en al geen zin meer om je te laten beduvelen. Blijkbaar werkt de nuchtere kijk van broer aanstekelijk, want ook poppy speurt bij de volgende sprookjes naar magneten. Eventjes dan toch, want al snel fluistert ze me in de oren: ‘Mama, ik denk toch dat ze echt zijn, die trolletjes, want ze bewegen.’ Zo is dat, we moeten er wel in blijven geloven, want als je eenmaal gaat zoeken naar mechaniekjes, kabels, spotjes en draden, ben je verloren.
’s Avonds blijkt er in de bar om de hoek een speelkamer te zijn. Ouders blikken met een drankje in de hand samenzweerderig naar elkaar en laten de kroegtijgers in zich even schaamteloos los. Het is allang slaaptijd, maar de suiker en de adrenaline jagen de kleine lijven van onze hartendieven nog moeiteloos door het ballenbad heen. Wanneer we slapen gaan, zijn het de kinderen die de slaapplaatsen bepalen. ‘De jongens bij de jongens, de meisjes bij de meisjes’, gaat het in koor. Zeer verguld met mijn nieuw lidmaatschap binnen het meisjesdom, val ik tevreden in slaap en wanneer ik terug de ogen open, is prins ’s ochtends een man geworden die zijn kleren zelf uit de kast haalt, zich aankleedt en de tanden poetst, terwijl vrouw poppy de gordijnen opentrekt en het weerbericht verzorgt: het regent niet (de wind blijkt ons even later wel door de schedel te snijden, maar we zeuren niet). Ondertussen liggen de grote kinderen met hun overmaatse lijven nog wat na te soezen in bed. Moet ik nog vertellen over het heerlijke ontbijt waarvan we rustig konden nagenieten omdat twee onbestemde sprookjesfiguren onze kinderen meelokten naar de lobby voor een verhaal? Tevredenheid biedt geen stof tot spannende verhalen, ik weet het, ik weet het wel. Maar er hing iets in de lucht, waardoor ik me zelfs heb kunnen vermannen en overhalen tot een rit met de bobslee. Om uiteindelijk toch weer vast te stellen dat ‘angstvrij zijn’ helemaal niet lijkt op ‘angst onderdrukken’ en dat de krampachtigheid waarmee ik al mijn spieren opspan, en de gedachten in mijn hoofd ‘nee Ann, er gaat echt niets mislopen’ en mijn hart dat zich een weg doorheen mijn borstkast hamert, dat al deze gewaarwordingen in niets lijken op de stralende gezichten van mijn gezin na de dodenrit en hun al even vrolijke uitlatingen over de kriebels in hun buik. Met flanellen benen heb ik de volgende beurten aan mij laten voorbijgaan en een bolwangige, papiervretende zeurpiet gezelschap gehouden, wachtend op mijn elven die met ware doodsverachting nog driemaal de rit overdeden. En mag ik dan nog even, heel even, doorgaan: volg me maar naar het rondtollende huis Volta, waarin we de misselijkmakende straf voor de bokkenrijders mochten ervaren, naar de boottocht door de mysterieuze Verboden Stad en naar de 3D-film waar we middenin de natuur belandden, langs mij probeerde poppy tevergeefs vlinders te vangen. Het is op die plek dat de kinderen eindelijk (na een ‘njet’ in al de winkels waarop de talloze sprookjeswerelden uitmonden) een geschenkje voor zichzelf mogen uitkiezen, een herinnering aan twee dagen vol verwondering. Geen al te dure knuffels, zeggen we met onze ouderpet weer op, en bepalen een bovengrens. De kinderen bestuderen ijverig alle prijskaartjes, maar zoonlief heeft een oogje laten vallen op een zwart pantertje. Een buitenbudget pantertje. Zeuren doet hij niet, maar zijn speurtocht lijkt hem telkens weer terug naar de glanzend zwarte knuffel te voeren. Daar staat onze prins, heel stilletjes, zijn ogen vullen zich met tranen. Onze harten kraken en we gaan overstag. Op terugreis spreken de kinderen via hun knuffels hun eigen geheimtaal en vallen één voor één in slaap. Maar als we bijna thuis zijn, wordt zoon wakker en vraagt aan zijn papa om de autoradio even zachter te zetten, want hij wil ons allebei iets zeggen:
“In de winkel kreeg ik eerst ‘Lanterpanter’ niet omdat hij te duur was, maar daarna kreeg ik hem toch. Daarom wil ik dank u zeggen.”
En dan ben ik helemaal overtuigd: in de Efteling zit er behalve regen ook nog iets anders in de lucht. Zeker weten.

Reacties

Kaatje zei…
Prachtige uitstap gehad, en prachtig beschreven!! Wij zijn zelf ook dol op de Efteling!
Groetjes
Els & kaatje

Populaire berichten van deze blog

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn

Ode aan mijn dochter