In de hoek!

“Het is ook nooit genoeg voor jou!”
brul ik en neem mijn ontevreden zoon bij zijn nekvel. Met driftige passen stamp ik door de woonkamer en benoem giftig alle stukken speelgoed die hij van de Sint gekregen heeft. Dwing hem ondertussen om er eens goed naar te kijken.
“Er zijn kinderen die niet eens speelgoed hebben!” bries ik dramatisch. “Die nog nooit in hun hele leven een stuk chocolade gegeten hebben. En jij hebt alles wat je hartje begeert, maar toch doe jij de hele dag niets anders dan zeuren en zagen en jammeren en klagen…”
“Ik wil dat speelgoed allemaal niet,”
fluistert hij als hij terug achter zijn bord zit. De rode plekjes in zijn bleek gezichtje kunnen me niet echt vermurwen. In mijn borst blaft de woeste hond nog slapjes na.
Maar ’s avonds komt samen met de stilte het schuldgevoel mijn hart binnen geslopen. De weemoed pakt mij nu zonder pardon bij het nekvel en drukt me met de neus op de feiten. Mijn uitbarsting was onredelijk. De dag was lang, koud en duister. De bus te laat. Het aanhoudend gehoest putte me uit. De verhalen op het werk wogen zwaar. Mijn humeur daalde onder nul. Van alles was het. Maar niet mijn zoon. Hier is het boetekleed, zegt mijn schuldgevoel, trek maar aan. Want de smeekbede van mijn zoon ging niet eens over speelgoed. Hij is niet het soort verwend snotjong dat verzuipend van onder de hebbedingen speelgoedtrappelend zijn keel openzet voor nog meer. Wat is dan wel het probleem? Mijn zoon heeft een vriend. Ik vermoed dat zijn grootste wens is dat we die jongen adopteren. Soms verzucht hij hoe fijn het toch zou zijn om een broer te hebben. Elke dag na school vliegt hij door de voordeur, gang en achterdeur heen, steekt het park rennend over en haalt zijn vriend op. Een paar tellen later hoor ik hen de trap op denderen en flitsen ze me voorbij op weg naar zijn kamertje. Ze spelen daar en lachen voor het luidst, voeren ernstige en vertederende gesprekken (heel af en toe speel ik muisje) en leveren me telkens weer het bewijs dat vriendschap voor een kind de grootste schat is. Maar bijna elke avond, wanneer ik roep dat we gaan eten, vraagt mijn zoon of zijn vriend mee mag eten en dat kan niet. Er is niets afgesproken. Wij Belgen vinden het niet nodig om de Marokkaanse gastvrijheid over te nemen en koken dus niet voor het onverwachte mondje meer. Tot groot verdriet van mijn zoon, die huilend in zijn eten zit te poeren en klaaglijk herhaalt dat hij geen honger heeft omdat vrie-hiend nie-hiet ma-hag mee-heeten. Meestal troost ik hem met de belofte – die ik dan onmiddellijk weer vergeet – om het eens te bespreken met de moeder van zijn vriend.
“Moest ge daar nu zo kwaad om worden, gij vreselijk moederbeest,” denk ik nu schuldbewust van onder mijn dekentje in de zetel.
En het wordt nog erger wanneer ik in een nostalgische bui door oude dagboeken struin. Want daar lees ik op 10 februari 1988 (8u20 ’s avonds staat er volledigheidshalve nog bij) dat ik me een grijs, klein musje voel dat een adelaar wil zijn. "Je ziet het misschien niet aan de buitenkant, maar ik wil zoveel. Dat ik van de kleine dingen moet genieten, zegt mijn moeder. Ze herhaalt het zo vaak dat ik vermoed dat ze zichzelf moet overtuigen. Ontevreden ben ik. Altijd weer verlangend naar meer. Altijd maar weer op een plaats willen zijn waar ik niet ben. En me altijd maar afvragen waarom. Waarom naar school, waarom oeverloos wachten aan bussen, in pauzes en wachtzalen, op een lief, op de toekomst? En waarom net nu die regen? Waarom geen minstreel aan het raam? Waarom vroeg opstaan? Waarom Parijs nog niet gezien? Of de toren van Pisa? Het Il Maurice van mijn pennenvriend. Mijn moeder zegt: je wil te veel, je wil wat je nooit krijgen kan en dat maakt je ongelukkig. Je moet leren tevreden zijn met wat je hebt."

Ik sla mijn boek dicht en denk aan de eenvoudige verlangens van mijn kind, aan de wereld in het kinderhoofd. Mijn moeder was vroeger altijd boos wanneer we niet wilden eten. De kindjes van Biafra hebben geen eten, wees ze ons dan terecht. Ik begreep dat niet. Als wij meer aten, hadden ze daarachter dan net niet minder? vroeg ik me in stilte af. Moeders hebben niet altijd gelijk. Dus ja, ik trek mijn boetekleed aan, mijn zoon, want nogmaals ja, het mag altijd iets meer zijn. Dat was je moeder tussen de aangebrande soep en haastig gebakken patatten door even vergeten. Ik denk wel niet dat de mama van D. wil dat we haar oogappel adopteren, maar als ik het haar lief vraag, zal hij vast wel eens mogen komen eten. Je mag een kruisje op mijn hand tatoeëren. En als je er echt op staat, zal ik er wel in gaan staan, in de hoek. Tweeënveertig minuten lang (volgens de regels van de pedagogen: per jaar dat je leeft maximum een minuut hoek). Ik heb het verdiend. En daarna mag je me dan knuffelen en zeggen: vergeten en vergeven.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn