Zeelucht 1 22 juli 2010

Proloog

Ons klaagliederenkoor duikt op in totale duisternis:
Mama, het is toch vandaag dat we naar de zee gaan? Naar de zee, papa! Joepie! Zeg, staan jullie niet op? We gaan vandaag naar de zee! Nee papa, het is echt niet meer nacht. Echt niet. Kijk maar, daarachter is licht. Dus kunnen we dan nu vertrekken, papa? Mama, wanneer vertrekken we naar de zee? Vertel het ons, vertel het ons! Mama, hoelang gaat dat nog duren? Papa, hoelang is dat eigenlijk ‘nog twee uur’? Is dat heel lang of een beetje lang? Mama, gaan we nu ein-de-lijk vertrekken? Mama, is die tweehonderd uur nog al-tijd niet voorbij? Maaaamaaaa, wanneeeerrrr, gaan we vertrekkeuuuuuu?”

§

Solo
We zijn onze straat nog niet uitgereden of prins steekt zijn neus met sproeten al in de lucht en verzucht dromerig:
“Ik ruik ze, de zee.”

§

Koor op de achterbank:
Zijnwederalzijwederalzijnwederalzijnwederalzijnwederalzijnwederalzijwederalzijnwederalzijwedalzijnwederahahahahahaaaaal…?

§

Episode 1

“Papa, gaan we een gat graven?”
Een vakantie aan zee is pas geslaagd voor mijn kleine man als hij zijn gat heeft kunnen graven.
Ik begrijp dat niet. Of ik heb het ooit begrepen, maar ik ben het vergeten. Misschien verliezen we gaandeweg beetje bij beetje het vermogen om bij de essentie van de dingen te raken. En prins kan het me ook niet uitleggen. Een gat is een gat. Hij schudt meewarig het wijze hoofd.
Maar dit jaar beginnen we voor een keertje met goed weer en een gat graven is onbegonnen werk, het mulle zand glijdt van alle kanten terug in het moeizaam uitgeschepte holletje. Dus jaagt vader de kinderen de zee in. Ik loer over mijn boek en zie ze springen. Over elke golf die komt aanrollen. Hup. En hup. En nog eens hup. Springen, steeds maar opnieuw, hup, onvermoeibaar, hup, zoals de golven zelf.
Die kinderlijke goesting in altijd weer meer van hetzelfde. Ik begrijp dat niet. Ik staar naar de schuimende mondjes vol gelach en zout water en lees tien keer dezelfde zin.

§

Episode 2

“Zal het een truitje van Nederland of eentje van Spanje worden?” vraag ik aan mijn kleine man.
“Doe maar Spanje.” zegt hij beslist.
“Dan kan je je nog altijd omkleden als de Nederlanders winnen.”
Hij kijkt me aan alsof hij het in Keulen hoort donderen.
“Goede keuze.” zegt de mevrouw die ons eten uitschept terwijl ze een blik op het truitje van prins werpt. “De octopus heeft gekozen. Spanje zal winnen.”
Ik veronderstel dat ze verwijst naar Chinese maffia- en gokpraktijken, maar er wordt mij geduldig uitgelegd dat het om een echte octopus gaat die de winnaar van de WK-matchen voorspelt.
Natuurlijk. Ik zal maar niet vragen of dat zijn hoofd- of bijberoep is.

§

Episode 3

Het regent pijpenstelen. Mijn grote man staat op het terrasje te genieten alsof er helemaal niets aan de hand is.
“Dat wordt een uitstapje naar Brugge.” beslist hij monter.
Ik denk knorrig: Poe, in Brugge regent het ook.
Tijdens mijn vakantie hoort het niet te regenen. Persoonlijk vind ik dat te duur. Betalen voor regen. Ik blijf net zo lief thuis als het regent. Ik word humeurig van al die wolkenmiserie. Aan zee nog veel meer dan thuis. Maar voor Brugge doe ik mijn best. Als ik in vorige levens geloofde, had ik daar al minstens tien keer gewoond.
Na een spurt van wagen tot winkel om ons een paraplu aan te schaffen, stopt het met regenen. Dus springen we op een kar met een paard. Ik ben daar tegen. Tenminste, voordat er kinderen waren en ik dus meer tijd voor principes had.
Maar toch, die edele beesten staan volgens mij echt niet te springen om een kar vol afzichtelijke toeristen aangebonden te krijgen. Pure uitbuiting is het. Mij krijgen ze niet in zo een koets. Ik neem wel de benenwagen. Paarden moeten galopperen in weides en grazen van sappig gras. En mijn kinderen hebben in mijn genenpoel gevist, dus die denken daar ook zo over.
De kinderen willen in de kar. Daar zitten we dan. Corneel, de blonde paardenmenner, probeert me gerust te stellen. Boy, onze black beauty, werkt maar één keer per week. En die oogkleppen zijn echt nodig, anders wordt Boy bang van al die chaos rondom hem. Ik begrijp dat. Er zijn zo van die dagen dat ik daar ook nood aan heb. En we mogen veertig euro betalen, alstublieft, voor een half uurtje schuldgevoel. Na het uitstappen pist Boy als dank een gigantische straal urine op de kinderkopjes. Het gele vocht spat op tegen de benen van de volgende groep toeristen. Goed zo, Boy!
En het regent opnieuw en we vluchten weer een winkel in en de kinderen voeren verder hun show op: ze rollen over de grond, duwen en trekken, verstoppen zich tussen de kleren, krijsen en brullen, rennen en botsen tegen argeloze mensen op. Het begint steeds kleintjes, pianissimo, en dan gaat het in crescendo. Vanachter het gordijn in het pashokje hoor ik de dreiging in vaders stem. De sopraantjes doen hun best: heel even proberen ze stil en klein en rustig, maar dan breekt het spel weer open,: hij duwde, nee, zij duwde, nee, hij, hij, hij, nee, zij, zij, zij. Uit de oren van mijn grote man kringelt een beetje zeestoom.

Prins staakt. Hij ligt in het midden van de winkel op de grond. Dat gebeurt eigenlijk nooit. Het is de zeelucht, denk ik, en dat ze te laat zijn gaan slapen (Mijn klokje is moe, dreint poppy.). Papa staat briesend broeken uit de rekken te trekken.
“Kleine man,” zeg ik. “Heb je honger?”
Zoon sluit zijn ogen en trekt zijn benen op. Het ziet ernaar uit dat hij zich klaar maakt om terug de moederbuik in te gaan.
“In welk eten heb je nu echt zin?”
fluister ik in het kleine oorschelpje.
De oogjes blijven dicht, het mondje gaat open.
“Frietjes.”
Wat een overbodige vraag ook.
“Zullen we nog even papa zijn broek laten passen en dan naar de Quick gaan?”
De oogjes floepen open. Het ventje veert recht. Mijn zoon is herrezen. Het is een mirakel.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn