ann schribbelt

ann schribbelt

woensdag 11 augustus 2010

Van mij

Heel af en toe lijken wij op een cornflakesfamilie uit de reclame. De kinderen zitten relatief recht en proper op hun stoelen. Er is nog geen pas ingeschonken glas frisdrank tegen de grond gegaan. Iedereen vindt het eten lekker en de gesprekken zijn min of meer beschaafd. Zo begonnen we ook aan het middageten op zondag. Totdat prins, nadat hij enthousiast een gigantische hap pasta in zijn mond heeft gestoken, gevolgd door een stevige hap uit een knoflookbroodje, spontaan begint te kokhalzen. Het eten gaat uit de mond in de servet en prins perst er met tranende ogen uit dat het door ‘de kat van oma’ komt. Terwijl mijn zoon verwoede pogingen doet om het eten dat reeds in zijn maagje zit, ook daar te houden, licht zijn vader het visioen verder toe. Blijkbaar is de boosdoener een onappetijtelijke keutel die oma’s kat nonchalant op de vloer van het waskot had achterlaten bij wijze van wraakoefening omdat ze niet mee op weekend naar zee mocht.
"Dat heeft hij van mij,” zeg ik tegen geliefde. “Ik had dat ook als kind.”
Het gruwelijke beeld van het papje van choco en kruimels op de mouw van mijn zus, die blijkbaar een allergie voor servetten had in haar kindertijd, doemt voor mijn ogen op. Na prins schuif ook ik mijn halflege bord van me af. Poppy eet onverstoorbaar verder. Dat heeft ze van haar vader.

Waar halen we toch maar die vreemde obsessie voor gelijkenissen vandaan? Van vaders kan ik het nog enigszins begrijpen, maar vanwaar die noodzaak bij de moeders? Vanaf de dag dat we onze kinderen op de wereld gooien, zal na “Heeft hij alle vingers en tenen?” de meest gestelde vraag wellicht luiden: “Op wie lijkt hij nu?”
De ogen van zoon? Van zijn vader. Het lachje van dochter? Van mij. Het schrokken? Van mij. Het verzinnen? Van mij. Het dromerige? Ook van mij. Ik win! Het lijkt wel één grote genencompetitie. Als het om het opeisen van de eigenschappen van mijn kinderen gaat, schiet er van mijn ‘Vlaamsche bescheidenheid’ niet veel meer over. Die wondermooie schepseltjes zullen en moeten spiegeltjes zijn voor mijn bijzonder ego. Maar waarom doen we dat, de buiten- én binnenkant van onze kinderen zo opdelen? Want behalve het , hopelijk liefdevolle, moment van de verwekking, hebben we toch echt niets in de pap te brokken wat de samenstelling van het kind betreft. ’t Zou nogal schoon zijn als de wereld plotsklaps volstroomde met Brangelina’s. En het is ook niet zo dat we er enig praktisch voordeel aan hebben. Bij een scheiding bijvoorbeeld; dat je naast de verdeling van de inboedel, ook je kinderen ontmantelt. “Laten we wel wezen, het is overduidelijk dat hij die gigantische neus van jou heeft, dus die mag jij meenemen, samen met de nukken en grillen en dat afzichtelijke servies van je moeder, allemaal van jou. En dan houd ik de schattige oogopslag, de fijngevoeligheid, intelligentie, de humor en de auto. Van mij!”

Poppy laat zich trouwens maar al te graag door mij opeisen. Bij de kapper wil ze haar haren precies zoals die van mama laten knippen en ’s morgens staat ze in de badkamer naar me te loeren, zodat ze uit haar kast een gelijkaardig kledingstuk kan trekken. Het kind is nog niet wijzer en ik geniet met volle teugen van de zekerheid dat ze me nu nog geen gerimpeld blok aan haar been vindt. De adoratie is totaal, maar ook wederzijds. Zij het met enige vertraging, want bij het aanschouwen van een verfrommelde prins met zijn punthoofd en scheve neus hadden wij als kersverse ouders toch enigszins onze bedenkingen.
Ondertussen zijn wij wel aan een serieus inhaalmanoeuvre begonnen. Wanneer onze voetbalheld apathisch staat te dromen op het plein en zo een belangrijke bal laat passeren, zie ik daar totaal geen gebrek aan talent in. Die jongen zit gewoon diep na te denken over de volgende fase van het spel, terwijl de rest als kippen zonder kop doelpunten zit te forceren. Op terugweg naar huis na een ouderavond waarin de meester van prins ons aan het verstand probeerde te brengen dat de jongen heel traag dingen aanleert, overtuigen wij als ouders elkaar dat het hier gaat om ‘sluimerende intelligentie’. Wij vermoeden dat het kleine hoofd van onze sproetenjongen enige overeenkomst heeft met een computer. Er zit wat veel overbodige info op zijn harde schijf, 't is een kwestie van deleten en het brein van ons genie loopt als een trein. En poppy haar luidruchtigheid? Onzin, denken wij, dat kind heeft gevoel voor drama, is open en communicatief. Binnen afzienbare tijd staat dat kind te speechen met een Oscar in haar hand. Hopelijk zal de kleuterjuf het nog mogen meemaken. Wanneer ik onze actrice in wording een ander kind zie duwen, ben ik boos, natuurlijk, en dat zeg ik haar ook, maar tegen haar vader voeg ik er dan wel aan toe: het was in een reflex, dat kind stond ook veel te dicht op haar en daar kan ze niet tegen. Dat heeft ze van mij.

Het is niet zo fraai: de komiek zoeken in een slechte mop, de ingenieur in een scheve toren van drie blokken, de auteur in een onsamenhangend verzonnen verhaal. En het zegt meer over mij dan over de kinderen.
Maar het zijn mijn kinderen, schoon kinderen. Van mij en elke dag wat minder van mij, dat wel. Dus ik moet mij haasten om hen toch iets mee te geven. Nu ze nog ontvankelijk zijn. Volg je hart, schatten van mij. Haal eruit wat erin zit. Trap niet in de val van het ene zaligmakende verhaal, maar denk zelf na. Het leven is niet zwart-wit. En goed uitkijken als je de straat oversteekt.


Geen opmerkingen: