Sterrenstof

Monsters bestaan niet. Spoken ook niet. Regelmatig onderwerpen mijn kinderen het kruim van de magische mormels aan een grondig onderzoek. Of heksen bestaan? Enkel in verhalen. Draken? Nee, beslist mijn dochter die al geen angst meer heeft in het donker, draken zijn maar alsof. Nu hoeven ze dus werkelijk nergens meer bang voor te zijn. Prins houdt zijn hoofd schuin en kijkt me hoopvol aan.
“Dan bestaan dieven misschien ook niet echt.”
Met veel tegenzin erken ik het bestaan van dieven. Maar, voeg ik er vastberaden aan toe, bij ons komen er geen dieven.

Mijn engeltjes leven in een sneeuwbol, een lieflijke miniatuurwereld waar je als een god maar even hoeft mee te schudden om het zilverige sterrenstof van Tinkerbel te laten neerdwarrelen. Waarom zou ik twijfel zaaien in hun zuivere kinderhartjes? Laat ze maar zorgeloos op blote voeten door de tuin rennen. De kloppende hartjes van het pas gemaaide, groene, malse gras tussen hun tenen voelen. Dauwparels plukken. Klimmen in de bomen, die speciaal voor hen hun takken laag bij de grond laten groeien. Giechelen achter de rug van het kijvende, maar ongevaarlijke oude mannetje met zijn dreigende vingertje. Komen schuilen in het huis als het regent. Daar is een scherm met duizenden beelden (mama zal de miserie in een tel weg zappen). Er zijn boeken om in rond te reizen, een ijskast met eten, een lade vol snoep, een bed met dromen, kusjes tegen de pijn, een telefoon om te ver weg dichterbij te halen en armen waarin je het kleine verdriet om een droom kan vergeten.
Maar soms sluipt de boze wereld toch dichterbij. Via kieren dringen flarden miserie onvermijdelijk de bol binnen. Een kind dat verdrinkt in zee. Of een geweerschot. Een groot land in nood. Hoe groot, mama? Héél groot. Dat moet volstaan, want hoe leg je dat uit aan kinderen? In ons land wonen heel veel mensen en ergens ver weg verzuipen twee maal zoveel mensen. Letterlijk. En figuurlijk. Dat begrijpen kinderen niet.
Een koele vrouwenstem op de radio deelt ons mee ‘dat Pakistan getroffen wordt door moessonregens’.
“Mama?” vraagt mijn dochter lijzig. “Wat is dat: getroffen?”
De vraag heeft iets komisch, alsof mijn vijfjarige ook maar enige kennis heeft over Pakistan en moessonregens.
“Weet jij dan wel wat Pakistan is?”
“Ja hoor,” zegt ze en schudt meewarig haar hoofd. “Ar-me, ar-me Pakistan.”
Alsof ze het over een aangereden hondje heeft.
“En waarom heb je dan medelijden met Pakistan?”
“Omdat die geen eten meer heeft.”
“En waarom heeft die geen eten meer?”
“Allemaal weggewaaid.”
In de fragiele leidingen van poppy
’s brein is het water magisch getransformeerd tot wind.
“En waarom is dat eten weggewaaid?”
“Iemand heeft de deur laten openstaan zeker.” besluit ze laconiek.
Ik vertel haar dat ik deze week lid van Unicef ben geworden.
“Dat zijn mensen,” probeer ik uit te leggen. “die kinderen in nood helpen. Dus ook de kindjes in Pakistan. Zodat ze terug een huis en eten hebben.”
Mijn dochter let al niet meer op.
“Mama geeft elke maand centjes aan die kindjes. Maar dan kan jij vanaf nu wel maar één bolletje ijs eten in plaats van twee.” plaag ik.
Mijn kind is plots weer bij de les. In de achteruitkijkspiegel vang ik haar vlammende blik.
“Vind je dat goed?”
“Dat vind ik NIET goed,” zegt mijn dochter beslist. Ze hoeft er niet eens lang over na te denken.
“Maar wat dan met die ar-me, ar-me Pakistan?”
Poppy staart onverschillig uit het raam.
“Dat die Pakistan dan maar naar hier komt.”
Een beetje Pakistan is al hier, wil ik zeggen, en die vind jij aardig, want daar halen wij chips en cola. Maar ik ben te nieuwsgierig.
“Moeten we Pakistan dan maar bij ons laten wonen?”
Poppy denkt diep na. Uit haar gefronst voorhoofd kan ik afleiden dat het een beetje pijn doet. Het beeld van ijsrantsoen staat haar gastvrijheid danig in de weg.
“Nee, bij ons is er geen plaats meer.”
Monsters bestaan dan toch echt.
Poppy zoekt naar haar fietsje. Het staat ergens tussen de rommel.
“Het fietsje past mij niet meer,” zegt ze. “Stijntje mag erop rijden.”
Stijntje is het buurjongetje en met hem wil poppy wel delen. Er is nog hoop. De kinderen spelen allemaal samen in het park. Geliefde en ik vangen vanuit onze tuin zo nu een dan een glimp op van de kinderpret. De lucht is gevuld met schatergelach en vreugdekreten. Iedereen mag meedoen. Daar loopt de toekomst. Met een glas schuimwijn in mijn hand kan ik het zien, hoe daar in het halfduister het sterrenstof over hun hoofdjes neerdwarrelt.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn

Ode aan mijn dochter