Zeelucht 24 juli 2010

Episode 4

Het regent. En nog meer: het rommelt daarboven. We schuilen onder een afdakje voor een etalage. Prins is er helemaal niet gerust in.
‘Twee wolken die per ongeluk tegen elkaar botsen, dat is nog geen onweer, zoon.’
Aan de uitdrukking van mijn fantasierijk kind te zien, maakt hij er in zijn verbeelding bliksemsnel een rampzalige kettingbotsing van.
‘Ik ben zo bang.’ bibbert hij.
De regen komt ons zoeken tegen de gevel. Prins probeert zijn tranen te verbijten en ik zie een vliegje met verfrommelde vleugeltjes een noodlanding maken op zijn arm.
“Ach, kijk nu toch eens,” probeer ik mijn angstig kind af te leiden. “Een vriendje. En hij is ook bang. Zie, hij komt schuilen bij jou.”
Mijn ventje kijkt met één oog naar het diertje - dat bij ons thuis in normale omstandigheden allang tussen mepper en aanrecht om het leven zou zijn gekomen - en met één oog naar de wolken.
‘Wat zou zijn naam zijn?”
Het gedonder overstemt bijna mijn vraag.
“Dat is een eendagsvliegje.’ Papa vult de angstige stilte behulpzaam op. “Dus hij zal wel Maandag heten dan.”
Met zijn handje vormt prins een kommetje zodat zijn beschermeling niet weg kan waaien.
“Kom, vriendje, niet bang zijn hoor,”
sust hij.
Zo werkt dat nu eenmaal: in de zorg voor iets kwetsbaars, vergeet men zijn eigen angsten.

Episode 5

Prins kiest voor een strak racemodel en Ana een crèmekarretje met ‘alsoft-ijs’ en een belletje. Het leven is een feest op wielen.

Episode 6

’s Avonds nemen we de speldozen mee naar de bar van het hotel. Een vlieg verstoort halverwege onze strijd op leven en dood in het ‘Wie is het?’-spel.
“Kijk nu, “ roept prins. “Daar is mijn vriend Maandag.”
“Nee hoor,dat is hem niet.” zeg ik. “Deze vlieg is toch veel groter.”
Zoon controleert snel het uurwerk van zijn vader.
“Ik zie het nu ook, ja, dat is Bijnadinsdag.”

Episode 7

Poppy telt ’s morgens de sigarettenpeuken in de asbak op het terras, schudt haar hoofd en verkondigt luid terwijl ze terug naar binnen gaat:
“Als (j)ullie zo doorgaan, worden (j)ullie nog eens draken.”

Episode 8

Mijn reisgenoten trekken bijna fluitend hun baduitrusting aan onder hun kledij. Zoals altijd verwachten zij het beste. Terwijl je met een half toegeknepen, bijziend oog nog kan zien dat er uit die wolken zo dadelijk bakken water zal worden gestort. Over mijn boze kop dan nog wel. O, wat heb ik er in zin in: in zeuren, dreinen, zagen, jammeren en weeklagen. Op het stapelbed spelen mijn lievelingen knuffeldierentheater van hoog niveau, terwijl ik me tergend langzaam aankleed. Dat onnozele enthousiasme van gandalf en zijn hobbits: ik kan daar niet bij.
Maar, aha, Gollem krijgt gelijk, op weg naar het strand beginnen die duistere wolkenbeesten al te lekken. Rechtsomkeert, wil ik krijsen. Deze tocht heeft geen enkele zin, reisgenoten, we worden weeral nat! Omdraaien allemaal!
Maar ze willen er niet van weten. Een gat. Natuurlijk. Ze gaan een gat graven. Dit gezelschap heeft een missie en geen druppel water of lelijk gezicht gaat hen tegenhouden. Vooruit dan maar, helden, graaf die put, en graaf hem diep, diep genoeg om er deze mormelmoeder tot aan haar kruin in te begraven. De reisgenoten zetten er flink de pas in alsof ze aan de regen willen voorbij stappen. Ik volg drentelend, de norse kop diep tussen schouders.
Bij aankomst wordt de uitgestrekte, gladde, donkere zandmassa aanschouwd. Er wordt gevoeld, geroken en bijna geproefd. Vader en zoon kiezen uiterst nauwkeurig de juiste plaats en nemen een schop. Ze graven een put. En rond de put moeten wallen en torens, een burcht zeg maar, maar de put is het belangrijkste. Ze graven alsof hun leven ervan af hangt. Poppy poert lieflijk mee, maar het zijn toch de mannen die enorme scheppen zand door de lucht zwieren. Zweet vermengt zich met regenwater. In de put welt plots spontaan zeewater op. Mijn zoon denkt dat hij een kostbare bron heeft aangeboord.
Oei, daar krijgen ze me toch te pakken, besmetten me met het ongeneeslijke strandvirus dat mensen dwingt vergankelijke, nutteloze zandhopen te bouwen. Of ik misschien een galerij zuilen naar het gat mag bouwen? Het mag van de grote werfleider. Ik vul emmertjes met nat zand en kieper ze voorzichtig om. Dochter versiert mijn torens met schelpen. Slordig werk, ik moet me beheersen om erover te zwijgen. Eén toren sneuvelt zelfs door haar toedoen. Verongelijkt gaat ze driehonderd meter verder in het zand zitten dabben. Straks pakken de meeuwen haar nog mee.
Ik maak de wal af. Stort rond en op de wal torens terwijl de grote bouwmeester een trap bouwt. Ik laat de schepen neer in het meer. Maak met mijn wijsvinger schietgaten in de burcht. Het ziet er fantastisch uit. Poppy drentelt nieuwsgierig terug en waaiert rond mijn torens. Ze speelt graag met vuur.
Het regent niet meer. Ik heb het niet eens gemerkt. Meer nog, de zon scheurt het wolkendek onverbiddelijk open om ons bouwwerk te komen bewonderen. Mijn gezelschap verliest in één klap zijn gedrevenheid. Ze moeten terug over golven gaan springen.
Maar ik, ik blijf. Deze vrouwe bewaakt de burcht.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn