Onder drie ogen

“Hoe laat komt de bus?” roept hij, nauwelijks twee passen van mij af met de volumeknop van zijn rauwe stem wijd open.
“9u34’,” antwoord ik.
“9u39!” brult hij.
“Ne-gen uur vier-en-der-tig!” roep ik terug.
Hoofdschuddend draait hij me de rug toe en drukt zijn neus opnieuw tegen de uurtabellen van De Lijn. Ik lieg wel eens, maar een mens op leeftijd verkeerde tijdstippen doorgeven lijkt me toch een halte te ver. De man draait zijn grimmige kop naar me toe, snuift luidruchtig en maakt een dwingende armbeweging.
“Kom!” gebiedt hij me. “Kom eens kijken!”
En inderdaad, ik zit verkeerd. 9u30, staat er, en in de kolom van de schoolvakanties: 9u34. Je kan niet zo gek veel ondernemen op vier minuten. Al kan ik me voorstellen dat het gewicht van de tijd zwaarder doorweegt aan het einde van een leven. De man brengt zijn gegroefde gezicht dicht voor het mijne:
“Ik zie slecht! Die kleine lettertjes, ik kan dat allemaal niet lezen! Dit oog, ik ben het kwijt!”
Hij wijst daarbij nogal overbodig op het troebele, grijze vlies in zijn mistig linkeroog. Met het ongeschonden felblauwe oog blijft hij me vinnig aankijken.
“Daar hebben ze het om zeep geholpen! Een oogspecialist! Ging het in orde brengen, zei hij.”
Met zijn duim wijst hij over zijn schouders heen, zodat het mij duidelijk wordt in welke richting ik me vooral niet dien te begeven wil ik mijn zicht behouden.
“’t Zal wel zijn! Toen hij ermee klaar was, was het met mijn oog ook gedaan! En ik had ze niet hoeven te verliezen, hè! Meneer is in de fout gegaan! En niet willen toegeven!”
Hij loopt een paar meter van me weg en praat daar verder. Alsof hij wil verhinderen dat ik in zijn boos aura opgezogen word. Het hele gesprek lang zal hij op die manier heen en weer lopen, alsof een vloed van woedegolven hem telkens weer in de hoek van het bushokje spoelt en hem pas weer terug laat vloeien wanneer de toorn een beetje weggeëbd is.
“Ik heb het hem eens goed gezegd!”
Eb.
“Niet rechtstreeks. Hij was op pensioen ondertussen. Die mannen hebben een gsm en aan dat nummer raakt een gewoon mens niet. Maar de zoon heb ik het eens goed gezegd. Die zat bij hem in de praktijk! Uw vader heeft mijn oog kapot gemaakt! De charlatan! Ik eis verantwoording van die onverlaat! Meneer, zei hij, ik bel de politie!”
Een beetje speeksel wordt in het rond gesproeid en belandt op mijn sjaal, maar ik kan het hebben. Slechtziendheid – bijna min acht aan twee ogen – schept een band.
Vloed.
“Bel de gendarmes maar, zeg ik. Bel ze! Dat ze me maar komen halen! Wat gaan ze doen?”
Met zijn arm maakt hij vreemdsoortige gebaren die ik voor zwaaibewegingen hou. Ik volg zijn blik, maar zie niemand staan.
“Kijk eens!” roept hij weer dwingend en nog steeds verwoed zwaaiend. Hij brengt zijn theatraal zwiepende arm steeds dichter naar zijn neus en net voordat hij zichzelf bijna voor het hoofd slaat, brult hij:
“Vanaf hier kan ik pas terug helder zien!”
Eb. Heel dicht. Zijn neus bijna tegen de mijne.
“Zijt ge bang?”
Maar nee gij, wil ik nogal voorbarig tegenpruttelen, maar hij ratelt alweer verder:
“Dat vroegen ze me in Leuven. De mevrouw die me ging opereren aan mijn andere oog. Want ge moet weten, dat ging ook achteruit. En ik had bang. Ik durf dat gerust zeggen. Want als ze er daar ook langs zaten, zag ik niks meer, hè, niemendal. Dus ik zeg tegen die vrouw, ja, ik ben bang. En weet ge wat ze zei? Ik kan dat begrijpen, meneer, maar ik ben er niet voor 100 maar voor 150 procent zeker van dat ik uw oog kan redden en gelijk had ze. Voor 80 procent dan toch, meer konden ze er niet van maken. In Leuven kennen ze hun vak. Maar die andere prutser, daar achter, heeft er niks van gebakken!”
Vloed.
“En zijn fouten achteraf niet toegeven! Joeden zijn het! Joeden!”
Mijn kennis van de joodse medemens reikt slechts zo ver dat ik de link met de diamantsector, concentratiekampen, Thora, Israël en hier en daar een schrijver kan maken, maar de connectie met de medische wereld is mij totaal onbekend.
“Kijk!” roept de man streng. Wegdromen is blijkbaar niet toegelaten. Ditmaal houdt hij zijn hand voor zijn goede oog.
“Kijk! Nu ben ik nergens meer!”
Hij herhaalt dit nog een paar keer alsof het om een belangwekkend medisch experiment gaat met, helaas, telkens hetzelfde bedroevende resultaat.
Eb.
“En weet ge wat ik dikwijls doe? Ik loop tegen de mensen op. Ik zie ze niet aankomen, hè! De hele tijd loop ik tegen ze op! En ik kan me wel excuseren, maar toch niet de hele dag. Ge ziet me al bezig! Ze zullen wel denken dat ik zot ben!”
Terwijl ik me afvraag of mijn mening hieromtrent gewenst is, kijkt hij ostentatief over mijn schouders heen, de handen boven zijn ogen tegen een zon die niet schijnt. Ik draai me om en zie een bus in de verte. Buiten dienst staat erop. Maar vooraleer ik hem daar behulpzaam op wil wijzen, toetert hij me al in de oren: buiten dienst!
Wanneer even later de bus van dienst wel komt aanrijden, geeft hij me een zacht maar beslist duwtje met de elleboog waardoor hij als eerste via de openzwaaiende deuren de bus in kan stappen.
“Dank u wel!’ roept hij luid, tegen zichzelf lijkt het wel.
De bus is nagenoeg leeg, maar toch gaat kapitein Eenoog niet zitten. Gedurende de hele rit staat hij eigenzinnig, pontificaal, haast bewegingsloos recht, zijn handen om een stang. Zelf wiebel ik wel enigszins van links naar rechts in mijn zitje. Maar hij niet. Ook in de scherpere bochten houdt hij onwrikbaar, statig stand. Overziet door de grote voorruit de woeste baren. En als hij uiteindelijk uitstapt en zijn weg vervolgt, krijg ik zelfs even de indruk dat de bus hem maar met moeite in kan halen.

Reacties

anneeke zei…
Mooi Ann. Ik heb genoten van je verhaal. Ik herken een eender gevoel voor humor:)
Ann zei…
Dank je wel, een mooi compliment!
Kaatje zei…
Hey Ann,
weeral een supergrappig verhaal!! Loert eens op ons blogje, je hebt een award ontvangen ;-))

Nog veel schrijfplezier, hè (dus ik ook veel leesplezier!!)
Groetjes
Els
Ann zei…
Ik heb het net gezien: dank je wel, Els!

Populaire berichten van deze blog

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn

Ode aan mijn dochter