De som van Saartje (Vandendriessche)

Dat zou ik nu graag eens doen: de onbewuste verspreiding van melodieën in kaart brengen. Engelenwerk is het: Departement Cultuur, afdeling Muziek. Met gespitste oren en ingetrokken vleugels op een wattige wolk zilveren lijnen trekken op een geografische kaart van Vlaanderen. Van de vrouw die ‘arrrme Joe, geen geluk voorrr jou’ meepikt uit de radiowekker naar man en kinderen aan de ontbijttafel die onbewust besmet raken met de melodie. En zo gaat het dan verder; een sonoor uitwaaierend lijnennetwerk naar speelplaatsen en werkvloeren, supermarkten en krantenwinkels, wachtzalen van dokters en bushaltes,… De voortplanting van een melodie, valse noten inbegrepen, schoon vind ik dat. Al vrees ik er een beetje voor dat daar in onze contreien niet meer dan een parttime tewerkstelling uit te halen valt. Openbaar neuriën komt maar matig voor, laat staan dat het uit de volle borst komt. Terwijl bij het Departement Sociale Zaken, afdeling Wrevel door een hemeltergend personeelstekort de werknemers genoeg vleugelveren verliezen om de donsdekens van half Vlaanderen mee op te vullen. Kramp in de vingers krijgen ze daar van de ene irritante doorn in het oog met de andere te verbinden. Om misverstanden te voorkomen, ik lust ergernis, zelfs rauw, maar dan liefst in de vorm van een brok tekst met een flinke kwak humor erover. De rest doet me altijd een beetje denken aan eeuwige winters.
Laten we elkaar met iets warms besmetten. Het hoeft niet ingewikkeld te zijn. Iets simpels. Een piepklein, maar aanstekelijk verhaal over Saartje Vandendriessche bijvoorbeeld.
“Er is iets met haar,” zegt mijn moeder en ze heeft het niet over de manier waarop Saartje grootogig begeesterend de zoveelste herhaling van De Kampioenen aankondigt.
“Ze doet iets met haar handen,” legt ze uit. “Eerst haakt ze ze in elkaar en dan, terwijl ze verder praat, spreidt ze ze allebei uit. Zo.”
Mijn moeder doet het even voor.
“En dan gaan die handen weer naar elkaar. Even inhaken. En weer open.”
Mijn vader knikt bevestigend.
“Dus zitten we ’s avonds in de zetel te kijken naar die handen van haar. Dicht. Open. Dicht. Open. Zitten we langs elkaar luidop te tellen hoeveel keer ze het doet. Dicht. Open. Eén!... Dicht. Open. Twee!... En drie!... En vier!...”
Sindsdien ben ik aan het wachten op de handen van Saartje Vandendriessche. Mijn moeder heeft me besmet. Voorlopig zitten Andrea en Katja me nog danig in de weg. Maar ik zal wachten. Geduldig. In de hoop een glimp van een recordaantal op te kunnen vangen. Natuurlijk kan ik net zo goed kakken op hondendrollen. Of zeiken over slecht weer. Maar ik maak liever de som van Saartje.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn