ann schribbelt

ann schribbelt

donderdag 18 augustus 2011

Fragmenten Frankrijk (11)

Cirkels en een vierkantje zon

20/7

67.

Het marktje van Goudarche puilt uit van het volk. Verleden week was het er nog gezellig, want uitdovend. Nu lopen de toeristen in de weg en verdwijnen mijn kinderen uit mijn angstig oog. Een klein, rondbuikig mannetje spuit met een felkleurig waterpistooltje water op de voeten van de voorbijgangers. “Il pleut,” roept hij telkens olijk. Een marktvariant van de dorpsgek, oordeel ik te snel. Dan blijkt dat hij de eigenaar van de speelgoedkraam is. Even verderop probeert een reus van een kerel zijn charmes uit op zus. “Vous ĂȘtes belle,” zwijmelt hij, wijst dan bliksemsnel op een paar scharminkeltjes van hondjes en smeert haar vervolgens twee dozen snoepjes aan, want zorg voor gestrande beestjes kost geld. Ik kan het niet laten om zus smalend aan te kijken, waarop ze zich nog een beetje groter maakt dan ze al is en me laat weten ‘dat die snoepjes, wel, dat die snoepjes echt lekker zijn, want dat ze, ja, dat ze nog eens van die snoepjes van zo een hondenman gekocht heeft’. Misschien moet ze bij mijn geliefde te rade gaan. Die houdt ondertussen de reus succesvol af (het mag gezegd: ze hebben wel voelsprieten voor de lieftallige mensen onder ons, die kerels). Man is daar trouwens niet altijd goed in geweest. Vroeger zou het zelfs niet ondenkbaar zijn geweest dat hij even zou invallen, zodat de arme donder een plaspauze zou kunnen nemen. Voor alle duidelijkheid, die mens ronselt geld voor een goed doel, geen kwaad woord daarover, maar met nepcharme kan je mij nu eenmaal niet vangen.

68.

We moeten nog even wachten tot de tafels gedekt zijn, vooraleer we mogen gaan zitten op het overdekte terras. Wat ik nogal bizar vind. En als ze dan even later een klein kookpotje voor me neerzetten, schiet ik in paniek. Denk: Parijs, een gezellig restaurantje, en ik die overmoedig een gerecht kies dat ik niet vertalen kan, maar dat afgaande op de klank overheerlijk lijkt. Denk: er wordt mij een ‘casseroleke’ met een dekseltje voorgezet, ik licht het nieuwsgierig op en staar ontzet naar twee gruwelijke vetbollen. Ik moet niet zoveel denken. In dit potje zit namelijk wel vurukkuluk voedsel!

69.

Tonio. Een citaat: “Het menselijk bestaan klopte van geen kant, maar de cirkels waren altijd mooi rond, en dat was nou precies wat er niet aan deugde. Dat de cirkel van mijn leven die van Tonio bleek te kunnen omsluiten, dat maakt er voor de rest van de wiskundige eeuwigheid een besmette meetkundige figuur van.”

70.

Onze kinderen proberen het snorkelen onder de knie te krijgen. Op de markt stonden ze ons smekend aan te kijken voor de veelkleurige marteltuigen – ik weiger door een dun buisje adem te halen. Ik ging als eerste overstag, terwijl ik toen eigenlijk al het beeld van de verweesde prullen op het zonneterras voor me zag. Vriend en nichtje zijn er het eerste mee weg. Poppy volgt moedig, maar gebruikt het adempijpje meer als rietje om het zwembad mee leeg te drinken. Prins zit in nesten. Ik had dit kunnen voorzien. Zoon worstelt met zijn snorkeltuig: dan is de elastiek weer te los, dan weer te vast en het mondstuk krijgt hij ook al niet behapt. Ik krijg er plaatsvervangende kokhalsneigingen van. Het dekselse ding van Prins ligt dan ook als eerste aan de kant.

71.

Het is telkens weer een opdracht om mijn kinderen hier de douche in te krijgen. Ze willen van water niks weten of er moet chloor in zitten. En bovendien hebben ze echt geen tijd voor zulke futiliteiten. Vandaag probeer ik hen onmiddellijk na het eten bij de lurven te pakken, wat me verrassend snel lukt met Prins. Zoon volgt me even later fris geboend naar de woonkamer, waar zijn zus nog stevig aan de Nintendo vast hangt. Dan zie ik zus staan in de laatste rechthoek zon aan de linkerkant van het zwembad. Zalig wiegend op de muziek, die haar uit de transistor op de vensterbank aan het open raam toewaait. Ik kijk naar Poppy die me straal negeert en denk: verrek, ik ga ook eventjes in de rechthoek. Nichtje komt vrolijk van de trappen afgestormd in bikini en begint het doek over het zwembad terug op te rollen. Blijkbaar heeft schoonbroer nog wat avondlijk watergeploeter beloofd. Mijn kleine jongen kijkt me met een onmiskenbaar verlangende blik aan. “O, nee,” zeg ik meteen. “Geen sprake van. Je bent nu gewassen. Dat kan niet, hoor.” Poppy heeft ondertussen ook lucht gekregen van de plannen en voert het argument aan dat zij nog niet gewassen in. Ondertussen schiet man als een flits ons voorbij en duikt het zwembad in. Ik vermoed dat het een genetische kramp is die me dwingt die zielige agenda in mijn hoofd als een gedachteloos schaap achterna te jagen. Mens, denk ik bij mezelf, je ging toch zelf ook voor het vierkantje zon. Dus kijk ik vanuit mijn ooghoek naar mijn stille jongen, zo vol verlangen, een beetje lijdzaam ook.
“Spring erin,” zeg ik. De lichten in zijn ogen gaan terug aan. Maar daar kondigt zich een nieuw drama aan: vriend komt de trapjes afgesjokt. In pyjama. Zijn ouders zijn binnen nog met peutertje Pauw bezig. Vriend blijft een beetje rusteloos cirkeltjes trekken rond het zwembad, maar krijgt dan ook groen licht.
Ze spelen bommetje. Vanuit het vierkantje licht plonzen ze in het water. Maar het is man die erin uitblinkt. Hij neemt een aanloop, springt, blijft vervolgens een poosje onder water – puur om de spanning op te voeren, vermoed ik – schiet als een raket omhoog en om het helemaal af te maken, schudt hij net voordat hij het hoogste punt bereikt heeft het water van zich af.
Ik moet bekennen dat ik toen dacht: “Wauw!”. En ook: ‘Nog een keer, nog een keer.’

Geen opmerkingen: