Fragmenten Frankrijk (8)

La Roque-sur-Cèze

17/7

43.

Prins hangt half staand in zijn ontbijt te poeren.
“Niet met je eten spelen,” zeg ik.
“Maar ik speel zoooo graag met mijn eten,” antwoordt hij vol overtuiging.
En wij maar tonnen lego aandragen, terwijl onze jongen al die tijd gewoon tevreden was geweest met wat broodkorsten.

44.

Nadat ik tijdens een spelletje, waarin ik de rol van boef krijg opgedrongen, het vier keer na mekaar moet afleggen tegen Mega Mindy/Poppy (Studio 100 heeft het begrip ‘nuance’ nog steeds niet ontdekt) rijden we naar La Roque-sur-Cèse. Jongeren met pubervet zwoegen op fietsen de berg op. In de velden laten zonnebloemen collectief de gele hoofden hangen, geknakt door het mottige weer. Over een oude, smalle brug rijden we naar de voet van het middeleeuwse dorpje dat uitgeroepen werd tot één van de mooiste dorpen van Frankrijk. Achter de brug ligt een ruime parking voor bezoekers, maar ons busje is te hoog voor het eerder onnozele raamwerk dat aan de ingang staat. Geliefde rijdt de weg op langs de parking en wil daar ondanks de verbodsborden parkeren. Ik voorzie rampscenario’s. Aan de lamentabele toegangshekken staat een verveeld meisje met een warrig, kort kapsel en piercings. Langs haar een catweazle-achtig figuur. De plaatselijke dorpsgek, denk ik meteen oneerbiedig. De man draagt een grote kapmantel waaronder twee schrale, geschaafde knieën uitsteken. Het zou eventueel mogelijk kunnen zijn dat hij daar helemaal niets onder aan heeft en in een onbewaakt moment zijn vlerken spreidt. Ik mag er niet aan denken. Catweazle is bereid om geliefde naar een parkeerplaats te begeleiden. Met een trolachtige gang loopt hij voor het busje uit. Ik kijk ze na tot ze uit het zicht verdwijnen. Wij wachten. Het duurt even. In mijn verbeelding zie ik de dorpsgek hysterisch van vreugde aan de rand van een ravijn staan, onderwijl krijsend: soixante neuf, …soixante neuf. Mijn zus vraagt me spottend waarom ik speciaal dat nummer kies.
Maar hij keert weer, mijn geliefde. We wandelen naar het dorpje dat gebouwd werd op een rots die over de Cèse hangt en dat enkel te voet bereikbaar is. Het is er werkelijk sprookjesachtig. Bultige, smalle, hellende wegeltjes kronkelen omhoog en mijn praktische ik zoekt naar een katrollensysteem, waarmee men de boodschappen naar boven hevelt, maar daar valt niks van te bespeuren. De huisjes in geelkleurige steen hebben hoge, kleine ramen en geven hun geheimen niet prijs. Wanneer we boven aankomen, verzucht mama Pauw: “Ik verwacht hier elk moment een jonkvrouw met een jurk.” Met sierlijke gebaren schetst ze de grandeur van het kleed. Ik verwacht eerder de duivelse broer van Catweazle, die ons stiekem gevolgd is, afwacht tot wij dorstig en verdwaald zijn om ons dan met een listig lachje een huisje in te lokken. Hij hakt ons in mootjes en vreet ons op. Dit is het dorp dat geen mens levend verlaat. Ik beken, ik heb een gruwelijke fantasie. Tijdens de afdaling valt Prins nogal ongelukkig. Ik verwacht minstens dat zijn neus binnenstebuiten zit, maar hij wipt vrolijk recht met slechts wat oppervlakkige schaafwondjes aan handen en knieën. De afdaling is geen sinecure. Mama Pauw en ik wandelen in stijl. Op hoge hakken. Elegantie voor alles, denken we. Sex and the City, maar dan met iets meer vlees aan. Terwijl we toch allebei nogal verraderlijke enkels hebben, die ons in het verleden meermaals en zelfs op vlekkeloze ondergrond in de steek lieten. De enige wijze om hier levend uit te komen is een afdaling à la Charlie Chaplin. Dat kan men bezwaarlijk gracieus noemen. Charlie in jumpsuit en high heels.
“Kijk daar,” wijst mama Pauw naar het dal. “Toch een beetje gek dat zo een klein huisje een zwembad heeft.” Beschaamd lachend slaat ze de handen voor de mond als ik haar de kast van een huis vijfhonderd meter verderop aantoon. Het kleine huisje is slechts het poolhuis. Mama Pauw, we hebben haar verdorie besmet met onze legendarische verstrooidheid.
Tijd voor drank. Het hoeft geen Cosmopolitan te zijn. Wij nemen genoegen met een biertje. Dankjewel. De mevrouw van de crêperie herkent drankorgels van op drie meter afstand, vermoed ik, want ze legt ons afgemeten en met een gebeitelde, iets te brede glimlach uit dat we enkel cider kunnen krijgen als we ook eten. En, vooraleer onze hoop met ons op de loop gaat, dat die cider een zeer laag alcoholgehalte heeft. Dus bestellen we frisdrank en de kinderen onderhouden hun suikerverslaving met een ijsje.
“Dat is er zo eentje die ons nu in de keuken uitgebreid gaat staan uitkakken,”
zeg ik tegen zus wanneer het vrouwmens verdwijnt. Een gedachte die ze volmondig met me deelt. Dat mensen niet beseffen hoe eenvoudig het is om een onechte van een echte glimlach te onderscheiden, is me een raadsel.

45.

Nichtje zit gebogen over een Franse reclame dreunend tekst af te ratelen. Zus kijkt haar schuin aan en zegt dreigend: “Ik ga een stuk plakband op je mond plakken.”
En voegt er na een korte pauze droogjes aan toe: “Ben je ineens ook van die snor af.”
Ik lach. Wij hebben hetzelfde soort humor en gelieve, alsjeblieft, niet onze kinderen te beklagen, want die zijn daar immuun voor. Meer nog, hun humor is pas gruwelijk.

46.

In België is het vijf voor twaalf. Hier op de klok in de woonkamer in Frankrijk is het voor eeuwig en altijd twintig voor drie. Het heeft iets magisch.

47.

Schoonbroer kijkt mistroostig op de papieren die hij een week geleden in België heeft afgedrukt: 10% kans op regen en 80% kans op zon. Er klopt niets van. De zon hebben we vandaag nog niet geroken, laat staan gezien. De mannen gaan in het stadje in een internetcafé de zon zoeken en in één ruk door reserveren voor het avondeten. Als ze terugkomen hebben ze aan de vrouw die hen bier serveerde gevraagd of er nog zon zou zijn vandaag. Ze zei: ja, het gaat opklaren. Over een betrouwbare bron gesproken.

48.

De kleine, verlegen Tonio klom vroeger in Horta bij de vertaalster van de boeken van zijn vader vaak in de olijfboom. De vrouw heeft na de dood van de jongen een nieuwe stek geplant. Vader en ik zijn daar allebei van aangedaan. Pagina 554 en het einde nadert. Ik word er, zoals altijd, een beetje rusteloos van. Zelfs bij dit boek, waar het einde toch al van het begin af aan vastlag.

49.

We eten half binnen, half buiten een restaurant in Goudarche. De bar/weervrouw had gelijk, de zon komt voorzichtig piepen. De kinderen rennen naar het bruggetje. Ik kan hen daar niet zien. Soms lopen ze ook achter de muur die het restaurant in twee verdeelt. Onrust bekruipt me. Na de dood van Julie en Melissa las ik in een artikel dat kinderen statistisch gezien miljoenen jaren op een brug moeten staan vooraleer een slechterik hen zou meepakken. Het zal wel. Ik wil mijn kruimels in het zicht. Paniek legt maar al te graag zijn ijzeren hand over mijn hart.

50.

Er schiet me iets in het verkeerde keelgat. En het is geen eten. Dus schiet ik terug. Maar wij zijn slechte soldaten, geliefde en ik. Oorlog is niet ons ding. Even later staan we op het terras elkaar alweer overschot van gelijk te geven.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn