Fragmenten Frankrijk (10)

Double dip(s)

19/7

57.

Lang uitgerekte, babyachtige kreten dringen mijn droomland binnen. In halfslaap lokaliseer ik hun oorsprong ergens onder ons raam. Een radeloze kater, raad ik. Dat iemand dat verschrikkelijke beest laat zwijgen, denk ik lui en probeer me tevergeefs van het gejank weg te draaien. Met één zuinig opengetrokken oog aanschouw ik een stukje boze lucht en hoor tegelijkertijd iets druppelen. Snel laat ik mijn ooglid vallen en vlucht weg in een droom via een verschrikkelijke luchtbrug die misselijkmakend veel kronkels maakt. Maar dan breken de stemmen van de kinderen, paniekerig en loeihard, mijn dodenrit onverbiddelijk af: “Het regent binnen! Het regent binnen!” Slaapdronken spoed ik me naar de plaats des onheil en zie het water langs de trap afzeiken. Prins volgt onvoorzichtig zijn stijgende adrenalinegehalte, maakt een uitschuiver op de natte vloer en belandt op zijn rug.
“Goed begonnen, is half gewonnen,” verzucht ik binnensmonds.

58.

De verjaardagsochtend van Poppy verloopt aldus chaotischer dan gepland. Zes jaren geleden kwam ze op een vroeg avondlijk uur op de wereld. Diezelfde ochtend had de gynaecoloog het aan mij overgelaten om de bevalling in gang te laten zetten. Zus zou de volgende dag op vakantie naar Frankrijk vertrekken, en dus zei ik ferm: ‘ja, doe maar’. De gedachte dat zus mijn tweede kind niet zou kunnen zien voor het vertrek, leek me aanvankelijk pijnlijker dan mijn vliezen te laten breken. Een mens kan zich al eens vergissen. Na een aantal uren dapper opboksen tegen de weeën, die ik op aanraden van een vriendin/vroedvrouw probeerde te visualiseren als golven, vroeg ik om een epidurale verdoving. De wilde baren hadden ondertussen in mijn beleving de omvang van een tsunami, maar lieten zich door één spuit gewillig intomen tot lieflijk, kabbelende golfjes, waarop ik me slaperig liet meedeinen. Toen de bruingebrande en ontspannen gynaecoloog arriveerde in een strak T-shirt met bloemen, diende ik nog maar drie maal te persen vooraleer de ronde baby met de bolle wangen en het zwarte punkkapsel eruit floepte. Vier kilo en honderd gram levenslust.
Zes jaar later lijkt de stortregen het feestvarkentje niet te deren. Ze zit als een prinses op haar ereplaats en slurpt cola. Zij is de baas en wij, haar onderdanen, zingen vals maar uit volle borst ter hare glorie.

59.

Schoonbroer heeft de krant met een onheilstijding op de tafel gelegd. Iemand leest voor en ik schrijf het bericht met pijn in het hart over in mijn reisdagboekje: ‘Zware onweders dreigen in Italië en Zuid-Frankrijk – Vakantiegangers die ons rotweer ontvluchten zouden wel eens van de regen in de dop kunnen belanden. Grote delen van Zuid-Frankrijk en Noord-Italië dreigen de komende dagen te veranderen in helse onweersgebieden. Dat melden diverse weerstations.’ Ik tel de dagen die ons resten en stel vast dat voor het eerst tijdens onze vakantie zelfs Corneille onzichtbaar is achter laaghangende wolken. Aan de rechterkant van het huis baant een bruisend watervalletje zich over de trappen een weg naar beneden. Ik denk opnieuw aan de weergoden en vervloek hen, én de weerstations. En ook Frank en Sabine kunnen me de pot op, maar onze kinderen gebaren van krommenaas en gunnen de wolken buiten geen blik.

60.

Tegen alle verwachtingen in begint het toch op te klaren, zelfs in die mate dat de mannen plannen maken om naar de Ronde van Frankrijk te gaan kijken. Nadat Prins zijn Vriend, die zijn interesse in het wielrennen verloren heeft, verwijt voor zijn liefje (Nichtje) te kiezen, volgt er een slangenbeet om de enkels als reprimande en duikt Prins huilerig weg onder een dekentje in het nest (de bijeengeschoven zetels, weet u nog wel?). Vol goede bedoelingen duikel ik hem na en promoveer hem tot kapitein. Afleidingsmanoeuvres hebben vaak een heilzame werking. Maar Prins schudt weigerachtig zijn onzichtbare hoofd, waarop Poppy zich door een acuut aandachtstekort overboord laat vallen. Zus doet vervolgens buitenboord een verdienstelijke poging om de drenkeling af te leiden door een zeemeermin te imiteren. “Of een zeekoe,” plaag ik haar, waarop Poppy weer in de overtreffende trap gaat en met veel overgave een ‘vliegend zeemeerminnenpaard’ uitbeeldt. Uiteindelijk is de kapitein bereid om het gesprek aan te gaan met zijn vader. Na een bemoedigende duik in de zak snoepjes, vertrekken schoonbroer, man en zoon richting Tour de France.

61.

Nichtje en vriend vervelen zich. Nichtje staat al een beetje te drentelen aan de grens van de pubertijd. Haar lach kan al eens een echo hebben. En ze doet iets meer aan zonnebaden dan de anderen. Voor de rest is ze allerliefst. Maar dat vervelen, tja, ik heb zo een vermoeden dat als vervelen niet bestond, pubers het wel hadden uitgevonden.
“Kom, kom,” zeg ik en wapper gespeeld ongeduldig met mijn handen. “Er zijn zoveel dingen die je binnenshuis kan doen. Je kan bijvoorbeeld voor het langst op het hoofd gaan staan. Een wedstrijdje 300 meter platliggen dan? Neen? Geen interesse? Neuskeuteltjes draaien en voor het verst wegschieten? Toch niet? Aha, hier komt het: de wijsvinger in het linkeroor steken en die dan helemaal door het hoofd heen duwen tot die aan de andere kant er terug uitkomt. Ook niet? Tja, dan weet ik het niet meer.”
Ondertussen grinniken ze de lethargie een beetje uit hun lijven weg en beginnen ze vliegertjes te vouwen.

62.

Met de pruttelgeluiden van Peutertje Pauw op de achtergrond vertel ik over die keer dat ons Peutertje Poppy wel erg lang bleef jengelen. Man werd er uiteindelijk horendol van, boog zich over de babyfoon en bromde met duistere stem: “Hallo Poppy, hier Sinterklaas, als je nu niet gaat zwijgen en slapen, kom ik je in december geen speelgoed geven’. Poppy staat ondertussen met grote ogen naar mijn verhaal te luisteren en ik vertel verder. Het gejengel stopte en even werd het muisstil. Tot we haar snelle ademhaling hoorden en uit de babyfoon een lage, trage stem weerklonk: “Hallo! … Ik ben zwarte Piet.”
Ons kind is voor de duivel nog niet bang en ze zal zelfs niet met één venijnig voetje ergens intrappen.
Poppy is verdwenen. Tegelijkertijd horen we Peuterje Pauws gejengel overgaan in een schaterlach. Ik weet onmiddellijk hoe de vork in de steel zit, haast me naar de kamer en zie Poppy aan het bedje staan. “Je weet dat dit niet mag,” zeg ik. Meer is er niet voor nodig om dochter boos te laten wegstuiven. Vastberaden klim ik haar na op haar matrassen toren. “Ik doe al-tijd al-les fout,” huilt ze. Poppy heeft last van aanstelleritis. En vergis u niet: deze schuldbekentenissen zijn enkel rookgordijnen. Straks zal ze weer lief zijn, dat weet ik, maar nu is het even tanden bijten en haar laten pruttelen in haar grote kindergelijk. Jarig of niet.

63.

De mannen zijn terug van hun wielrenneravontuur. Een geheimzinnige Prins wil niet veel kwijt en man grijnst voortdurend zonder ondertiteling. De beelden op het mobieltje van schoonbroer bevestigen mijn vermoedens. Die wielrenners flitsen als een bende road runners voorbij. Ik vermoed dat je het mist als je op een ongelukkig moment je sigaret aansteekt of niest. En aan het gezicht van man te zien, is dat precies wat er gebeurd is.

64.

Alle weerstations ten spijt, hier komt ze, de zon. Ze doet ons vel knetteren. De kinderen ploeteren rond in het zwembad. Op het terras herlees ik aangeduide fragmentjes Tonio. Ooit ging de auteur met een bus naar de Dordogne met een alerte kleuter Tonio, die heel de nacht wakker en met grote ogen naar buiten zat te kijken. “Godverdomme, Tonio, had je vanmorgen vroeg toen het nog licht moest worden boven de Stadshouderskade, diezelfde waakzaamheid maar kunnen opbrengen.” Mijn gemoed schiet alweer vol.

65.

Misschien komt het door de ochtendlijke regen, die een tranendal beloofde en de zon die nu het gevecht met gemak wint, dat wij iets te stevig aan het aperitieven slaan. De sfeer zit er alleszins in. De kinderen spelen uitgelaten, de mannen vangen kleine uiltjes (en maar hopen dat er in hun dromen ook wat zon voorkomt) en de vrouwen keuvelen en giebelen. Maar er moet ook nog gekookt worden. Souschef/zus en ik proberen er, ondanks de aperitiefloomte, het beste van te maken. Pasta curry met scampi’s staat op het menu. Terwijl zus de groenten attaqueert, onthoofd ik de scampi’s en trek hun jasjes uit. Mijn traagheid kan ik mezelf nog vergeven, maar er moet wel kwaliteit op tafel komen te staan. Dus leg ik mezelf streng op om netjes en methodisch te werk te gaan: pellen, reinigen, stukjes hakken, daarna alles opruimen, en dan pas aan de bereiding beginnen. Zo gezegd, zo gedaan. Na de voorbereiding gooi ik het groenafval in de gigantische vuilbak onder het aanrecht, bak wat ajuintjes aan in de pan, meng in een andere pan de reeds gekookte spirelli voor de kinderen met de overschot van de saus van schoonbroer en wil daarna de scampi’s aan de ajuinen toevoegen. Maar waar zijn de scampi’s, vraag ik aan mijn souschef. Ze haalt haar schouders op en kijkt rond. En dan dringt de verschrikkelijke waarheid tot me door. Want ik besef ineens waar de scampi’s zijn. In de vuilbak. Tegelijk met het identieke kommetje met de scampikopjes en -schalen weg gekieperd. Gordon Ramsay zou me afmaken en braden in een ketel. Terwijl ik onderdrukt jammer, duikt zus kordaat de grote bak in. “Redden,” hijgt ze. “We gaan ze redden.” Ze grabbelt vol overgave in het afval en overhandigt me al een handjevol beestjes. “Afwassen,” beveelt ze mij. Ik dwing mezelf tot actie, werp de scampi’s in het vergiet en begin te spoelen. Maar dan komt schoonbroer binnen. Zus richt zich vliegensvlug op en ik roer net iets te overtuigend in een lege pan. “Wat ben je aan het doen?” hoor ik schoonbroer vragen. Als een betrapt kind roept zus uit: “Ik ben niets in de vuilbak aan het zoeken, hoor!” “Wat?” denk ik. Zodra schoonbroer zijn rug gekeerd heeft, buigt zus zich opnieuw over de ravage. Ik probeer verder onheil te voorkomen, door de gaartijden van de twee ketels met pasta in de gaten te houden en regelmatig in de spirelli met saus te roeren. Ondertussen blijft zus me scampi’s toegooien. En daar is hij weer, schoonbroer, informeert vriendelijk of we nog wat wijn believen. Van pure ellende roer ik me een tenniselleboog in de nog steeds lege pan. “Kom, laat mij nog even proberen,” zeg ik tegen zus, nadat onze glazen gevuld zijn en graai nog wat dieper, totdat de geur van afval in mijn neus dringt en me dwingt te stoppen. Teleurgesteld staar ik naar de povere vangst in het vergiet. We hebben niet eens één vierde van de beestjes kunnen recupereren. Schoonbroer komt ondertussen iets in de vuilnisbak deponeren en lijkt een nieuwsgierige blik in de pan te gooien. Zou hij iets doorhebben? Vast niet, proberen we elkaar op te peppen. We gaan keihard doen of onze neuzen bloeden. Misschien merken de anderen er niets van. We zijn immers collectief in de drank gevlogen. Alles komt goed. Helemaal niks aan de hand. Maar staat dat vuur onder de spirelli echt nog aan? Zus kijkt me nu toch ietwat verontwaardigd aan, terwijl ik zwetend door de aangekoekte massa roer en probeer te redden wat er te redden valt.
Wanneer we ons stilletjes aan de tafel bijschuiven, peilen we de blikken van de anderen. Het zou kunnen meevallen, maar schoonbroer stelt schijnbaar achteloze vragen. En dan begint het ons te dagen. Die snoodaard had ons blijkbaar al vanaf het begin in de smiezen. We geven ons keukenfiasco toe. Niemand schuift zijn bord weg.

66.

Zoon en vriend hebben het moeilijk om de slaap te vatten. Last van ‘vieze dromen’ hebben ze. Ik zuig de nachtmerries uit de oren van Prins en mama Pauw neemt die van vriend onder handen. “Nog eens,” zegt vriend droogjes. “Er is een stukje in mijn oor blijven hangen.”

Reacties

Anneke zei…
Wat heb je veel geschreven over je verblijf in Frankrijk. Je zou een column moeten hebben. De stukjes zijn erg eluk om te lezen. Geniet altijd erg van je beeldspraak. Liefs uit Afrika
Ann zei…
Ik wil de vakantieverhalen zo snel mogelijk naar elkaar op de blog zetten, maar ik vrees dat ze daardoor ook aan kwaliteit inboeten. En bovendien is het allemaal heel erg 'navel'. Gisteren dacht ik nog: straks haakt iedereen af. Nog vier te gaan en dan is het voor mij ook goed geweest. Dat jij ze dan toch nog graag leest, is wel erg fijn om te horen. Ik heb jouw laatste verhaal op de FB-pagina van mijn blog gezet (beetje extra reclame). Liefs uit 'Bels'
Sylvie zei…
Afhaken! No way!
Ann zei…
Doet me veel plezier, Sylvie. Zeker van mensen die ik eigenlijk niet ken. Want mensen die me kennen vinden de teksten vaak leuk 'omdat ze het zo voor zich kunnen zien'. Dat jij dat niet kan en me toch blijft volgen, is een fijn compliment. Dank je wel.

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn