Fragmenten Frankrijk (14)

Finit

23+24/7
83.
Met één been staan we nog in het zwembad, maar met het andere alweer over de grens. Naar het schijnt hebben de mensen daar al terug kousen aan. Een gruwelijke gedachte, die we proberen te onderdrukken tijdens het ontbijt, maar die ons terug overvalt als we onder de bedden van de kinderen naar ondergoed vissen. De vuile hoopjes was op de bedden getuigen van eindigheid. De koffers gapen ons met open deksels vraatzuchtig aan. De verloren sok in de gang – probeerde zij werkelijk te ontsnappen? – bezorgt ons een gevoel van tristesse. Bijna voorbij, denken we terwijl we elkaar weemoedig voorbij lopen met stapeltjes kleren en handdoeken. Bijna voorbij. Daar hoort een zucht bij en een laatste, melancholische blik over de wijngaarden.
Het lijkt alsof het afscheid een deken van stilte over de dag legt. Alsof toekomstig heimwee de gesprekken aan het ontbijt dempt. Alsof we minder luidruchtig de zon sommeren. Kinderpret onder een stolp, zo klinken de geluiden van die laatste dag aan het zwembad ons nu in de oren. De traagheid van de obers tijdens het avondeten in Goudarche sluit aan bij het elegisch einde van een reis.

84.

De familie Pauw verlaat ons na het avondeten. De rest vertrekt morgenvroeg. We kussen en knuffelen en wuiven onze armen uit de kommen wanneer ze wegrijden. We zijn er zowaar wat aangedaan van. Het is misschien geen slecht idee om ruziënde politiekers hier eens twee weken neer te poten. Die uitgestrekte maaltijden, dat klein gekeuvel in de zon met in je ene hand een boek en in de andere een glas wijn, de vervolgsoap van uitgelaten kinderen en hier en daar een uitstapje. Veel meer was het niet. Ik had u gewaarschuwd. Maar ruimschoots genoeg om een gevoel van verbondenheid te krijgen. We missen de Pauwtjes onder de rode, ronde lampen. We proeven nog wat wijn en we praten nog wat, maar in onze hoofden hebben we al afscheid genomen.

85.

De mannen sturen de wagens onder de poort van de zon door, maar in de verkeerde richting. Bij elke eet- en plaspauze daalt de temperatuur. De duistere schurken van wolken grijnzen ons toe. Wij wrijven de wind van onze bruinverbrande armen af. Even wordt het toch nog spannend, wanneer man overmoedig wil wachten met tanken tot in Luxemburg en ineens met een klein stemmetje laat weten dat hij misschien wel een inschattingsfout zou kunnen gemaakt hebben. “We zullen toch bij een tussenstation moeten gaan tanken.” Er is geen tussenstation. Natuurlijk is er geen tussenstation. Welke idioot zou in de buurt van de grens met Luxemburg een tankstation uitbaten. Man verliest gaandeweg het bruin in zijn gelaat en ik kan man wel wurgen om zijn onachtzaamheid. Er volgt zelfs nog een heel spannend stuk bergop zonder pechstrook. Ik hoor de motor al sputteren. We halen het. Natuurlijk halen we het. Maar uitsluitend omdat ook dit keer mans beschermengel het niet laat afweten. In mijn handpalmen hebben mijn nagels angstsporen nagelaten. En prins heeft een losse tand in zijn hand.

86.

Na een etentje in de buurt, rijden we naar huis. Sluipen nog even de tuin in. Man legt zijn arm over mijn schouders. Ik leg mijn hoofd tegen zijn borst. Prins, met één voet op zijn bal, kijkt ons schuin aan: “Waarom knuffelden jullie niet in Frankrijk? Dat was toch het moment daar.” Voor alle duidelijkheid: wij hebben daar heus wel geknuffeld, die kleine had ginder gewoon geen tijd vrij om te kijken. “Waarom zeg je dat?” vragen wij lacherig. “Het was daar zo mooi,” zegt de romanticus en geeft een harde lel tegen de bal.

87.

Even later heeft prins zelf een knuffel nodig. Hij leunt met zijn hoofdje tegen de buik van zijn vader. Die hoort de druppels vallen, duwt met zijn vinger tegen de kin van zoon en ziet de ogen vol tranen. Prins haalt snikkend uit: “Ik mi-his het zwe-hem-bad zoooo.”
88.

Poppy maakt een tekening, stopt hem in een envelop, vraagt me hoe ze ‘Frankrijk’ moet schrijven. Ik leg het haar uit: een streep met twee armen, een streep met een halve bol en een voetje, de a van ana, de n van ana enzovoort. Wanneer ze klaar is, laat ze me weten dat ze de brief gaat posten.
“Voor wie is die brief?” vraag ik haar.
“Voor Frankrijk,” zegt ze.
“Voor wie in Frankrijk?”
“Gewoon, voor Frankrijk,” zegt ze ongeduldig, wandelt de trap af, opent de voordeur en laat de brief in de gleuf van onze eigen brievenbus glijden. Als een verstrooide vader de volgende dag de brief op de trap legt, is ze voor het eerst verontwaardigd over het postapparaat.

89.

Ik krijg een sms van zus: “Ik was daar zo graag.”

90.
Binnen twee dagen begint de school. Zoon voegt zout water toe aan het bad.
“Ik ben er niet klaar voor,” jammert hij. “Ik ben niet klaar voor de school.”
De vakantie is nu bijna definitief voorbij.
“We moeten in het derde wel tot duizend kunnen tellen,” schudt hij mistroostig de natte haren.
Ik probeer hem gerust te stellen door hem het belabberde begin van mijn eigen schoolcarrière voor te houden.
“Och, ik weet ook niet wat er met me aan de hand is.”
Prins klinkt als een oud wijf en we moeten er allebei een beetje mee lachen.
“Ik denk dat ik nu aan het wenen ben, zodat ik deze nacht in bed niet hoef te wenen.”

91.

Het wordt herfst. Ik voel het. En ik ben er niet klaar voor. Ik ben er helemaal niet klaar voor. Er gaan wel duizenden bladeren vallen. Misschien moet ik nu al beginnen huilen. Dan hoef ik het straks, als alles gaat verkleuren en vallen, niet meer te doen.

Reacties

Ach meid, wat een zalige congé. En wat schrijf je dat mooi. Je bent bedankt, nu verlang ik naar vakantie. Nog maar driehonderd en één keer slapen...
Ann zei…
Het is allemaal zo uit verhouding, hè, driehonderd dagen zitten aftellen voor twee weken la douce France.

Populaire berichten van deze blog

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn

Ode aan mijn dochter