Fragmenten Frankrijk (12)

Perceptie

21/7

72.

Op het onder de slaapkamerdeur geschoven blad staat op de ene zijde in grote drukletters de naam van mijn dochter met een zwart kruis erdoor en aan de andere een tekening van drie vreemde wezentjes met groene, blauwe en gele gezichten. Maar wanneer ik de gulle schenkster hiervoor wil bedanken, keert ze zich resoluut van me af, kruist de armen, fronst de fijne wenkbrauwbogen tot grillige duizendpootjes en spuwt me toe: “Dit is geen geschenk!” Denkfoutje van mama. Mis poes. En kindlief zal het me uitleggen ook. Ze trekt het blad uit mijn handen en wijst met gestrekt vingertje op de doorkruiste naam: “Als jij een ander kind graag ziet, dan ben ik jouw dochter niet meer!” De onvergeeflijke daad van haar moeder blijkt een achteloze aai over het bolletje van peutertje Pauw te zijn.
“Ach,” zeg ik rustig terwijl ik wegwandel. “Dat is spijtig. Ik was nog wel zo blij met de tekening.”
Mijn vileinde dochter laat het al eens graag knetteren tussen ons. Ik verdenk haar ervan verzot te zijn op enig weerwerk, zodat ze nog meer kan fronsen en brullen. Maar negeren werkt uiteindelijk het beste. Gegarandeerd komt ze dan met een langoureuze blik in de ogen over het smalle weggetje van spijt terug naar haar moeder gedrenteld. En ja hoor, even later ligt ze daar alsnog, onder de deur, de tekening: een groot hart met onze twee namen erin.

73.

De Pont d’Arc is een gigantische rotsenboog waardoor de rivier de Ardèche stroomt. 59 meter lang en 34 meter hoog. Er ligt ook een strandje bij en daar gaan wij vandaag naartoe. ‘Of we veel bochten mogen verwachten,’ informeert zus, die sinds jaar en dag overal een netjes opgevouwen, plastic zak tegen wagenziekte in jas of tas meeneemt. ‘En hoe zit het met ravijnen?’ vraag ik schrikschijterig. De mannen schudden unisono de hoofden en dus kunnen we enigszins gerustgesteld vertrekken. Ze hebben gelogen, die mannen van ons. Er zijn wél bochten. En de rotsige afgronden zijn schoon voor de ogen, maar lastig voor de maag. Dus ademen zus en ik bij aankomst opgelucht en gretig de verse lucht binnen.
Van het strandje zelf is weinig te zien. Vrijwel elke vierkante meter wordt enthousiast ingenomen door een toeristenkont. We vinden nog een strook strand in de schaduw van een boom. Toegegeven, die boog is ronduit indrukwekkend, net zoals de rest van de ons omringende rotsmassa’s. En de kinderen gaan meteen met hun tenen de temperatuur van de rivier meten. Schoonbroer en nichtje zijn de eerste die er voluit in duikelen en de Ardèche overzwemmen. De rest volgt, één per één onder begeleiding van man. Een hachelijke onderneming lijkt het me om tussen al die kano’s te laveren. Straks krijgen ze nog een peddel tegen de kop. U weet ondertussen wel via welke kronkels mijn gedachten steevast reizen.
Tussen het oversteken van de rivier door, dabben de kinderen verlekkerd in de modder langs de stroom. Want het grauwe gruis kan je bezwaarlijk zand noemen, maar is wel uiterst geschikt voor prins om er irrigatiekanalen in te graven.
Zelf heb ik het na een half uur al zowat gehad. In gedachte reis ik terug naar Zeeland in de herfst. Man en ik knepen er voor een weekend tussen uit. We waaiden het hotel in en toen we na het uitpakken wilden gaan wandelen, waarschuwde de mevrouw aan de balie ons grijzend voor ‘zandstraling’. Maar wij hadden geen vrees, wij wilden d
e woeste zee in haar smoel kijken. Eenmaal boven de heuvel, met zicht op zee, transformeerde ik mezelf spontaan in een compact bolletje om de kans op wegvliegen te verkleinen. Man lachte me uit, eventjes dan toch, want de wind stak hem meteen zijn gebalde vuist in de keel. Het was uiteindelijk een kwestie van techniek: leunen. Tegen de wind in gaan liggen en leunen, én je voeten niet te hoog optillen. De panden van mijn jas leken vlerken te worden, ik stak mijn armen wijd uit en durfde even te denken: “Wat die meeuw daar boven doet, dat kan ik ook.” Praten met elkaar lukte niet, de woorden waaiden onmiddellijk stuk. Gelukkig hebben we ondertussen niet zoveel woorden meer nodig. De grijze lucht ging over in de grijze zee. Met haar wild schuimende mond probeerde ze het zand op te vreten. En wij, wij waren de enigen die het zagen. Dit desolate stukje rauwe natuur. Voor ons bedoeld, zo leek het wel. Zoals de ongerepte sneeuw op de speelplaats van de lagere school voor het eerste kind (de oma van man woonde vlakbij school). De wilde golven, het natte zand, de jagende wolken, de zwiepende struiken; allemaal voor ons.
Daar moet ik aan denken op dat strand van iedereen. Het ligt aan mij. Ik hou van bijna lege bioscopen en bussen, van leeglopende markten, pretparken in november en winkels tegen sluitingstijd. Van mensen ook wel hoor, maar dan met mondjesmaat.

74.

Ben ik blij als ik weer aan onze boomstam/aperitieftafel sta, bij onze foeragerende vrienden, de mieren. Er wordt pizza gehaald. De kinderen spelen bommetje. Ik kijk tevreden toe. De energie en goesting waarmee ze zich uit het water hijsen, over het terras rennen, een rij vormen en springen. Telkens weer opnieuw. Ik kijk toe maar zie het niet. En Poppy springt en springt en zwemt en zwemt, maar beseft het niet. Totdat ze ineens de handjes voor de mond slaat en roept: “Ik ben vergeten mijn bandjes aan te doen!”
De jongens hebben zich broederlijk in de woonkamer teruggetrokken. Ik geef hen een complimentje. Hun geworstel heeft al eens de neiging om in oorlog op kinderformaat uit te draaien. Gisteren hebben ze plechtig beloofd hun leven te beteren. Als ik hen een pluimpje geef, beginnen ze in stereo te blinken. Er is niks zo schoon als blinkende kinderen.

75.

Schoonbroer voelt zich niet lekker en gaat heel vroeg slapen. Persoonlijk zou dat verboden moeten worden, vind ik, die gruwelijke combinatie van verlof en ziekte. Wij zitten collectief in met de pechvogel en hopen dat een goede nachtrust hem zal genezen. Ons, man en ik, wacht nog een uurtje versieren, want morgen is Prins jarig. Als ik even opkijk van de piratenstoel, zie ik man twee bladen tegen het raam plakken. “Bij Poppy hing er maar één,” waarschuw ik hem . “En reken maar dat ze het gaat zien!”

Reacties

Populaire berichten van deze blog

In 'Den Engel'

Oligofreen

Plaatsvervangende pijn